Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AU1224

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
24-02-2005
Datum publicatie
25-08-2005
Zaaknummer
24-000769-03
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2006:AY7790, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2006:AY7790
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een proces-verbaal, nr. 24350074, dienstjaar 2002, d.d. 28 augustus 2002 op ambtsbelofte opgemaakt door E.A. Geertsma, controleambtenaar bij de Voedsel en Waren Autoriteit, Keuringsdienst van Waren, dienst Noord, en aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar als bedoeld in het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Voedsel en Waren Autoriteit 2002 voor de opsporing van feiten strafbaar gesteld bij of krachtens de in artikel 3 van dit Besluit vermelde wettelijke voorschriften en aangewezen als toezichthouder als bedoeld in artkel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht, belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wettelijke voorschriften waarvan het toezicht op de naleving is opgedragen aan de Voedsel en Waren Autoriteit

Wetsverwijzingen
Wet op de economische delicten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000769-03

Arrest van 24 februari 2005 van het gerechtshof te Leeuwarden, economische kamer,

op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank te Assen van 3 juni 2003 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1953] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon.

Het vonnis waarvan beroep

De economische politierechter in de rechtbank te Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan dit arrest is gehecht een fotokopie van de inleidende dagvaarding. De inhoud van de tenlastelegging wordt geacht hier te zijn overgenomen.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een geldboete van

€ 1.500,=, subsidiair 30 dagen hechtenis, waarvan € 500,=, subsidiair 10 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, ter zake van het subsidiair ten laste gelegde, met vrijspraak van het primair ten laste gelegde.

Vrijspraak

Het hof acht niet bewezen hetgeen primair aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Het hof bezigt met betrekking tot hetgeen voor het overige aan verdachte is telastegelegd de navolgende bewijsmiddelen:

1. Een proces-verbaal, nr. 24350074, dienstjaar 2002, d.d. 28 augustus 2002 op ambtsbelofte opgemaakt door E.A. Geertsma, controleambtenaar bij de Voedsel en Waren Autoriteit, Keuringsdienst van Waren, dienst Noord, en aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar als bedoeld in het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Voedsel en Waren Autoriteit 2002 voor de opsporing van feiten strafbaar gesteld bij of krachtens de in artikel 3 van dit Besluit vermelde wettelijke voorschriften en aangewezen als toezichthouder als bedoeld in artkel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht, belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wettelijke voorschriften waarvan het toezicht op de naleving is opgedragen aan de Voedsel en Waren Autoriteit - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van verbalisant:

Op 14 augustus 2002 bevond ik mij in het bedrijf van [verdachte], gevestigd te [vestigingsplaats], [adres], zulks in het kader van een breder pilotonderzoek naar de administratie en verificatie van gespecificeerd hoog risico materiaal, gebaseerd op artikel 12, eerste lid, van de Destructiewet en de artikelen 4b en 6a van de Regeling eisen eigenaar of houder van destructiemateriaal. In dat bedrijf vindt onder meer de productie plaats van vlees. Tijdens het slachtproces en tijdens de uitsnijwerkzaamheden ontstaat in dat bedrijf onder meer gespecificeerd hoog risico materiaal als bedoeld in de Destructiewet. Ik vertelde [verdachte] het doel van mijn komst, te weten het verrichten van een administratieve controle op de naleving van de voorwaarden gesteld bij of krachtens de Destructiewet. Voorts vertelde ik hem dat ik een toezichthoudende taak had en dat ik op grond van de Algemene wet bestuursrecht (het hof verstaat: op grond van artikel 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht) bevoegd was inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden. [verdachte] zei tegen mij, dat hij geen medewerking wilde verleende. Ik heb vervolgens van [verdachte] gevorderd zijn medewerking te verlenen en inzage van zakelijke gegevens en bescheiden met betrekking tot administratieve gegevens omtrent de afvoer van gespecificeerd hoog risico materiaal naar het verwerkingsbedrijf te verstrekken, maar hij voldeed niet aan die vordering. Ik hoorde namelijk dat [verdachte] zei, dat hij geen medewerking aan de vordering wilde verlenen.

2. De verklaring van de verdachte afgelegd ter zitting van het hof d.d. 10 februari 2005 - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Op 14 augustus 2002 bevond E.A. Geertsma zich in mijn bedrijf, gevestigd te [vestigingsplaats], [adres]. In zijn functie van toezichthouder vorderde hij toen van mij alle medewerking te verlenen en inzage te verstrekken van zakelijke gegevens en bescheiden met betrekking tot de administratieve gegevens omtrent de afvoer van gespecificeerd hoog risico materiaal naar een verwerkingsbedrijf. Aan die vordering heb ik toen opzettelijk niet voldaan.

Nadere bewijsoverwegingen en verwerping verweren

A. Op 10 juli 2002 is in werking getreden het Besluit Aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Voedsel en Waren Autoriteit (Stcrt. 8 juli 2002, nr. 127). Artikel 1 van dat besluit bepaalt:

"Met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de Warenwet en de bij of krachtens de Vleeskeuringswet gestelde voorschriften zijn belast de controleambtenaren van de Voedsel en Waren Autoriteit."

In de toelichting op dat besluit is vermeld, dat het kabinet heeft besloten een Voedsel en Waren Autoriteit op te richten, waarvan de Keuringsdienst voor Waren (KvW) en de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (RVV) onderdeel zullen gaan uitmaken.

Artikel 2 van het Besluit organisatie VWA (Voedsel en Waren Autoriteit) (Stcr. 8 juli 2002, nr. 127) bepaalt - voor zover hier van belang -:

"1. Er is een Voedsel en Waren Autoriteit die ressorteert onder de minister.

3. De VWA bestaat naast een centrale overkoepelende eenheid uit de volgende afzonderlijke dienstonderdelen:

a. de KvW;

b. de RVV".

Artikel 3 van dat besluit bepaalt - voor zover hier van belang -:

"1. De ambtenaren van VWA zijn belast met de handhaving van de in het tweede lid bedoelde wettelijke voorschriften, voor zover die ambtenaren daarmee bij of krachtens wettelijk voorschrift zijn belast.

2. De in het eerste lid bedoelde wettelijke voorschriften zijn:

a. de bij of krachtens de volgende wetten gestelde voorschriften:

1( de Warenwet;

2( de Vleeskeuringswet;

4( de Destructiewet".

Artikel 10 van dat besluit bepaalt:

"Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit treden de personeelsleden van de dienst, bedoeld in artikel 1, onder c, van het Besluit Staatstoezicht op de volksgezondheid zoals dat onmiddellijk vóór 10 juli 2002 luidde, in dienst van de VWA, onderdeel Keuringsdienst van Waren".

Artikel 11 van dat besluit bepaalt - voor zover hier van belang -:

"1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 10 juli 2002.

2. In afwijking van het eerste lid treedt artikel 2, derde

lid, onder b, in werking met ingang van 1 oktober 2002".

In de toelichting op dat besluit is - voor zover hier van belang - het navolgende vermeld:

"De KvW heeft thans drie taken:

1. Het toezicht op de naleving van bepaalde wetgeving.

2. ...

3. ...

De RVV voert thans diverse werkzaamheden uit, zoals:

- het uitvoeren van bedrijfscontroles (audits). Voorts is ook de RVV belast met het toezicht op de naleving van diverse wetgeving. Deze taken en bevoegdheden van de RVV en de KvW zullen worden overgenomen door de ambtenaren van de VWA, maar door de VWA voor zover nodig weer worden gemandateerd aan ambtenaren van andere dienstonderdelen van de VWA. Hierbij zal rekening worden gehouden met de huidige situatie, zodat het merendeel van de ambtenaren van de KvW en de RVV in principe het zelfde werk zal blijven verrichten. De voor een wet primair verantwoordelijke minister (van hetzij VWS, hetzij LNV) heeft met ingang van 10 juli 2002 de ambtenaren aangewezen die belast zijn met het toezicht op de naleving van die wetgeving. Dat zijn in ieder geval de desbetreffende controleurs/keurmeesters van de VWA. Krachtens artikel 10 zullen de personeelsleden van de Keuringsdienst van Waren bij de inwerkingtreding van dit besluit in dienst treden van de VWA, dienstonderdeel KvW. De minister van LNV zal een vergelijkbaar besluit nemen inzake de overgang van de personeelsleden van de RVV naar de VWA, dienstonderdeel RVV. Gestreefd wordt dit laatste per 1 oktober 2002 gerealiseerd te hebben".

Artikel 1 van het Besluit Staatstoezicht op de volksgezondheid, zoals dat onmiddellijk vóór 10 juli 2002 luidde, bepaalde - voor zover hier van belang -:

"Het Staatstoezicht op de volksgezondheid bestaat uit de volgende onderdelen:

a. de Inspectie voor de Gezondheidszorg: op het gebied van de beroepen en instellingen op het terrein van de gezondheidszorg, de gezondheidszorgstatistiek, de bestrijding en voorkoming van ziekten en bevordering van de gezondheid, de geestelijke volksgezondheid, de geneesmiddelen, verdovende middelen daaronde begrepen, de bloedvoorziening en de medische hulpmiddelen;

c. de Keuringsdienst van Waren: op het gebied van andere dan de onder a genoemde waren en hun keuring, de destructie, het onderzoek van dieren en gewassen en hun omgeving ter voorkoming van besmetting met organismen, stoffen of straling, waaraan bij het omgaan met dieren of bij het nuttigen van producten van dierlijke of plantaardige oorsprong gevaar voor de volksgezondheid kan zijn verbonden".

Artikel I van het Besluit Wijziging Besluit organisatie VWA (Stcr. 3 oktober 2002, nr. 190) bepaalt, dat in artikel 11, tweede lid van het Besluit oragnisatie VWA (Stcrt. 2002, 127) "1 oktober 2002" vervangen wordt door: "1 januari 2003".

Artikel II van dat besluit bepaalt, dat in artikel 2 van het besluit van 2 augustus 2002/DWJZ/BWJP-2304897, Stcrt. 147, "1 oktober 2002" wordt vervangen door: "1 januari 2003".

Artikel III van dat besluit bepaalt, dat dit besluit in werking treedt met ingang van 30 september 2002.

In de toelichting op dat besluit is bepaalt - voor zover hier van belang -:

"Met ingang van 10 juli 2002 is de Voedsel en Waren Autoriteit (verder: VWA) officieel een feit. Vooralsnog bevat de VWA één dienstonderdeel, namelijk de Keuringsdienst van Waren. Het was de bedoeling dat met ingang van 1 oktober 2002 de RVV het tweede dienstonderdeel van de VWA zou worden. De overgang van de RVV naar de VWA blijkt evenwel niet per 1 oktober 2002, maar pas per 1 januari 2003 gerealiseerd te

kunnen worden. Voorts waren de ambtenaren van de RVV bij besluit van 2 augustus 2002/DWJZ/BWJP-2304897 voor de periode van 10 juli 2002 tot 1 oktober 2002 benoemd tot onbezoldigd ambtenaar bij de VWA. Gezien het vorenstaande dient deze periode te worden verlengd tot 1 januari 2003".

B. Op grond van het hiervoor onder A. overwogene en anders dan de verdachte, die van mening is, dat de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (RVV) de bevoegde instantie was, is het hof van oordeel, dat in elk geval de Keuringsdienst van Waren en dus ook van E.A. Geertsma, verbalisant hiervoor sub 1. genoemd, bevoegd was om op 14 augustus 2002 in het bedrijf van verdachte, gevestigd te [vestigingsplaats], [adres], in het kader van een breder pilotonderzoek naar de administratie en verificatie van gespecificeerd hoog risico materiaal, gebaseerd op artikel 12, eerste lid, van de Destructiewet en de artikelen 4b en 6a van de Regeling eisen eigenaar of houder van destructiemateriaal, toezicht uit te oefenen en in het kader van die toezichthoudende taak een administratieve controle op de naleving van de voorwaarden gesteld bij of krachtens de Destructiewet te verrichten, inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden en van verdachte te vorderen zijn medewerking te verlenen en inzage van zakelijke gegevens en bescheiden met betrekking tot administratieve gegevens omtrent de afvoer van gespecificeerd hoog risico materiaal naar het verwerkingsbedrijf te verstrekken.

C. Op 8 juli 2002 is in werking getreden het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Voedsel en Waren Autoriteit 2002, welk besluit vervalt met ingang van 8 juli 2007. Artikel 2 van dat besluit bepaalt:

"Maximaal 400 personen werkzaam bij de Voedsel en Waren Autoriteit en belast met de opsporing van strafbar feiten zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar".

Artikel 3 van dat besluit bepaalt - voor zover hier van belang -:

"1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de feiten strafbaar gesteld bij of krachtens:

a. - de Warenwet;

- de Vleeskeuringswet;

- de Destructiewet;".

Artikel 7 van dat besluit bepaalt:

"Het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Keuringsdienst van Waren 2000 wordt ingetrokken".

Artikel 8 van dat besluit bepaalt:

"De op naam gestelde akten van opsporingsbevoegdheid en beëdiging, de legitimatiebewijzen buitengewoon opsporingsambtenaar en de overige benoemingsbescheiden, afgegeven mede op basis van het in artikel 7 genoemde besluit, worden voor de duur van hun geldigheid of tot daarover nader zal zijn beslist, geacht akten en legitimatiebewijzen of overige benoemingsbescheiden afgegeven mede op basis van het onderhavige besluit te zijn".

D. Gebleken is dat E.A. Geertsma voornoemd naast toezichthouder als bedoeld in artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht en belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wettelijke voorschriften waarvan het toezicht op de naleving is opgedragen aan de Voedsel en Waren Autoriteit, ook is aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar als bedoeld in het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Voedsel en Waren Autoriteit 2002. Op grond daarvan en mede in aanmerking nemende hetgeen hiervoor onder C. is overwogen, is het hof, anders dan de advocaat-generaal, die van mening is, dat het hiervoor onder 1. aangeduide bewijsmiddel beschouwd dient te worden als een schriftelijk stuk als bedoeld in artikel 344, 1e lid, onder 5(, van het Wetboek van Strafvordering, van oordeel, dat die Geertsma bevoegd was van het door hem op 14 augustus 2002 bij voornoemd bedrijf van verdachte als toezichthouder verrichte onderzoek

en van de resultaten van dat onderzoek een proces-verbaal op te maken. Het hiervoor onder 1. genoemde proces-verbaal is dan ook door het hof aangemerkt als een bewijsmiddel als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 2(, van het Wetboek van Strafvordering.

E. Het hof is van oordeel, dat slechts degene aan wie door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast een vordering krachtens wettelijk voorschrift is gedaan, bij de bepaling van artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht als geadresseerde geldt. Nu verbalisant E.A. Geertsma voornoemd de vordering aan verdachte heeft gedaan, en verdachte geen gevolg heeft gegeven aan die vordering, is het hof, anders dan verdachte, van oordeel, dat verdachte als geadresseerde geldt en dat hij terecht door het openbaar ministerie is gedagvaard en niet zijn bedrijf. Immers voornoemde vordering is niet aan het bedrijf van verdachte gedaan, maar aan verdachte zelf.

De hiervoor weergegeven inhoud van de bewijsmiddelen levert op de redengevende feiten en omstandigheden, op grond waarvan het hof bewezen acht en de overtuiging heeft verkregen, dat verdachte het hem als voormeld subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, in voege als na te melden.

Bewezenverklaring

(zie de aangehechte, uitgestreepte tenlastelegging)

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

subsidiair: opzettelijk niet voldoen aan een vordering, krachtens wettelijk voorschrift

gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Verdachte heeft opzettelijk niet voldaan aan een door het bevoegd gezag gegeven vordering, inhoudende alle medewerking te verlenen en inzage van zakelijke gegevens en bescheiden te verstrekken met betrekking tot de afvoer van gespecificeerd hoog risico materiaal naar een verwerkingsbedrijf. Gebleken is, dat verdachte na het plegen van het bewezenverklaarde feit niet meer met justitie in aanraking is gekomen.

Het hof is met eenparigheid van stemmen van oordeel, anders dan de eerste rechter, dat de aard, de ernst en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde feit is begaan en de persoon van de verdachte met zich brengen, dat een onvoorwaardelijke geldboete wordt opgelegd. In de vaststelling dat verdachte na het plegen van het bewezenverklaarde feit niet meer met justitie in aanraking is gekomen vindt het hof aanleiding die onvoorwaardelijke geldboete te bepalen op € 500,=. Daarbij heeft het hof de financiële draagkracht van de verdachte voor zover deze ter zitting van het hof is gebleken, in aanmerking genomen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c en 184 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte als voormeld primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte als voormeld subsidiair ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van vijfhonderd euro, met bevel voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van tien dagen zal worden toegepast;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld subsidiair meer of anders is telastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Dit arrest is aldus gewezen door mrs. Zwerwer, voorzitter, Van Dijk en Van Zant, in tegenwoordigheid van mw. Boersma als griffier, zijnde mr. Van Zant voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.