Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AU0801

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
27-07-2005
Datum publicatie
10-08-2005
Zaaknummer
Rekestnummer 0500067
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 1:212 BW schrijft voor dat het minderjarige kind, optredende als verzoeker of belanghebbende, in zaken van afstamming vertegenwoordigd wordt door een bijzondere curator daartoe benoemd door de rechtbank die over de zaak beslist. Het hof constateert dat de rechtbank ten behoeve van [de minderjarige] geen bijzondere curator heeft benoemd. Het hof is evenwel van oordeel dat het kind belanghebbende is in een zaak van vervangende toestemming tot erkenning als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 BW. Bij de beslissing op een hiertoe strekkend verzoek moet immers een afweging van belangen, waaronder de belangen van het kind, plaatsvinden. Derhalve had op de voet van het bepaalde in artikel 1:212 BW een bijzondere curator voor [de minderjarige] benoemd moeten worden om zijn belangen te behartigen. In het vorenstaande ziet het hof aanleiding de zaak aan te houden, teneinde de man in de gelegenheid te stellen om de nodige stappen te ondernemen teneinde binnen bekwame tijd alsnog de benoeming van een bijzondere curator door de rechtbank te bewerkstelligen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 204
Burgerlijk Wetboek Boek 1 212
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2005/113
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 27 juli 2005

Rekestnummer 0500067

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

toevoeging,

procureur mr J.V. van Ophem,

advocaat mr J.G. Besling,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

procureur mr P. van der Sluis,

advocaat mr S.J. van der Veen;

Belanghebbende:

[de minderjarige],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [de minderjarige].

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 17 november 2004 heeft de rechtbank te Assen - voor zover hier van belang - de man vervangende toestemming als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 BW verleend om tot erkenning van [de minderjarige], geboren [in] 2002, over te gaan. Voorts heeft de rechtbank bij deze beschikking de vrouw een informatie- en consultatieplicht jegens de man opgelegd, hierin bestaande dat de vrouw viermaal per jaar informatie zal verschaffen omtrent gewichtige aangelegenheden, de ontwikkeling en de gezondheid van [de minderjarige] en dat de vrouw de man raadpleegt bij het nemen van belangrijke beslissingen.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 16 februari 2005, heeft de vrouw verzocht de beschikking van 17 november 2004 voor zover daarbij vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige [de minderjarige] door de man als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 BW is verleend te vernietigen en eveneens te vernietigen de beslissing, waarbij aan de vrouw een informatie- en consultatieplicht jegens de man is opgelegd, hierin bestaande dat zij viermaal per jaar informatie zal verschaffen omtrent gewichtige aangelegenheden, de ontwikkeling en de gezondheid van [de minderjarige] en dat zij de man raadpleegt bij het nemen van belangrijke beslissingen over [de minderjarige], dan wel een andere beslissing te nemen als het hof vermeent te behoren.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 18 maart 2005, heeft de man het verzoek bestreden en verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep, dan wel het verzoek van de vrouw tot vernietiging van de beschikking d.d. 17 november 2004 af te wijzen en de beschikking van 17 november 2004 waarbij de man vervangende toestemming is verleend [de minderjarige] te erkennen alsmede waarbij de vrouw een informatie- en consultatieplicht is opgelegd te bekrachtigen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken.

Ter zitting van 19 april 2005 is de zaak behandeld.

De beoordeling

Nadere stukken

1. Op 15 april 2005 is van de zijde van de vrouw een brief van 14 april 2005 met een elftal bijlagen ingekomen ter griffie van het hof.

2. Op grond van het Uniform reglement van de gerechtshoven voor rekestprocedures in familiezaken mogen uiterlijk op de zesde werkdag voor de zitting nog stukken worden overgelegd. Voorts bepaalt bovengenoemd reglement dat het hof niet zal letten op later overgelegde stukken, tenzij deze kort en eenvoudig te doorgronden zijn.

3. Zoals het hof ter zitting al heeft meegedeeld, zal op grond van voormeld reglement geen acht worden geslagen op vorenbedoelde zijdens de vrouw overgelegde stukken. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het gaat om een groot aantal stukken die enige bestudering vergen en dat gesteld noch gebleken is dat vorenbedoelde stukken niet eerder in het geding gebracht hadden kunnen worden.

Inleiding

4. Partijen hebben een affectieve relatie gehad die in augustus 2002 is beëindigd. Uit deze relatie is [in] 2002 [de minderjarige] geboren. De man is de biologische vader van [de minderjarige].

5. De man heeft op 25 mei 2004 ter griffie van de rechtbank een verzoekschrift ingediend - voor zover hier van belang - strekkende tot vervangende toestemming als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 BW en tot vaststelling van een informatie- en consultatieplicht met betrekking tot [de minderjarige].

De vrouw heeft zich ter zitting in eerste aanleg tegen het verzoek van de man verweerd.

6. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank beslist als vermeld onder "Het geding in eerste aanleg".

Tegen deze beslissing is het appel van de vrouw gericht.

7. Vast staat dat [de minderjarige] op 17 januari 2005 is erkend door de nieuwe partner van de vrouw, [de nieuwe partner van de vrouw].

Het oordeel

8. Artikel 1:212 BW schrijft voor dat het minderjarige kind, optredende als

verzoeker of belanghebbende, in zaken van afstamming vertegenwoordigd wordt door een bijzondere curator daartoe benoemd door de rechtbank die over de zaak beslist.

9. Het hof constateert dat de rechtbank ten behoeve van [de minderjarige] geen bijzondere curator heeft benoemd.

10. Het hof is evenwel van oordeel dat het kind belanghebbende is in een zaak van vervangende toestemming tot erkenning als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 BW. Bij de beslissing op een hiertoe strekkend verzoek moet immers een afweging van belangen, waaronder de belangen van het kind, plaatsvinden. Derhalve had op de voet van het bepaalde in artikel 1:212 BW een bijzondere curator voor [de minderjarige] benoemd moeten worden om zijn belangen te behartigen.

11. Door benoeming van een bijzondere curator gedurende de procedure in hoger beroep, wordt naar het oordeel van het hof tevens het ontbreken van zodanige benoeming voor de reeds gevoerde procedure in eerste aanleg gezuiverd.

12. In het vorenstaande ziet het hof aanleiding de zaak aan te houden, teneinde de man in de gelegenheid te stellen om de nodige stappen te ondernemen teneinde binnen bekwame tijd alsnog de benoeming van een bijzondere curator door de rechtbank te bewerkstelligen.

13. Om het beginsel van hoor en wederhoor zoveel mogelijk recht te doen zal het hof een nieuwe mondelinge behandeling ter zitting bepalen na benoeming door de rechtbank van een bijzondere curator voor de minderjarige [de minderjarige].

Slotsom

14. Op grond van het voorgaande zal het hof beslissen als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

alvorens verder te beslissen:

stelt de man in de gelegenheid om de nodige stappen te ondernemen teneinde binnen bekwame tijd alsnog de benoeming van een bijzondere curator als bedoeld in artikel 1:212 BW door de rechtbank te Assen te bewerkstelligen;

draagt de man op het hof binnen zes weken na heden te informeren over de stand van zaken dienaangaande;

bepaalt dat de zaak opnieuw zal worden behandeld op een nader vast te stellen zitting.

Aldus gegeven door mrs Bloem, voorzitter, Wachter en Willems, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 27 juli 2005.