Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AT9795

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-07-2005
Datum publicatie
22-07-2005
Zaaknummer
BK 760/03 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur rekening heeft gehouden met de uitkomsten van het boekenonderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-1454

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 760/03 22 juli 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, zesde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z

(: de belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Noord (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar afgegeven beschikking van 18 juni 2003.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan de belanghebbende is voor het jaar 2000 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (: IB/PV) opgelegd naar een belastbaar inkomen van nihil.

1.2. Bij brief van 18 juni 2003 heeft de inspecteur de belanghebbende onder meer meegedeeld dat met het inkomen van het jaar 2000 een verlies is verrekend tot een bedrag van ƒ 25.704,--. De inspecteur heeft hierbij vermeld dat deze brief een voor bezwaar vatbare beschikking is.

1.3. Op 24 juni 2003 heeft de inspecteur van de belanghebbende een bezwaarschrift ontvangen gericht tegen de onder punt 1.2 bedoelde beschikking.

1.4. De inspecteur heeft op 8 september 2003 uitspraak gedaan op belanghebbendes bezwaar. Hierbij heeft de inspecteur het bezwaar afgewezen.

1.5. De belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen) dat op 25 september 2003 bij het gerechtshof is ingekomen.

1.6. Van de inspecteur heeft het gerechtshof op 27 oktober 2003 een verweerschrift ontvangen.

1.7. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof op 7 mei 2004, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren belanghebbendes echtgenoot als gemachtigde van de belanghebbende alsmede namens inspecteur drs. A. Ter zitting zijn gezamenlijk met de onderhavige zaak behandeld belanghebbendes zaak met het kenmerk BK 593/03 alsmede de zaken van belanghebbendes echtgenoot met de kenmerken BK 298/03, BK 299/03, BK 300/03, BK 301/03, BK 302/03, BK 437/03, BK 438/03 en BK 271/03.

1.8. De voorzitter heeft het onderzoek ter voormelde zitting geschorst teneinde partijen schriftelijk te verzoeken gegevens te verstrekken naar aanleiding van de op de zitting naar voren gekomen vragen alsmede eventueel na de zitting bij het hof opgekomen vragen.

1.9. Op 11 mei 2004 en op 17 mei 2004 zijn bij het gerechtshof brieven (met bijlagen) van belanghebbendes gemachtigde ingekomen. Bij deze brieven heeft belanghebbendes gemachtigde onder meer het gerechtshof verzocht om meer dan zestig getuigen te horen.

1.10. Bij brieven (met bijlagen) van 18 mei 2004 heeft het gerechtshof partijen verzocht de in een bijlage bij die brieven gevraagde gegevens te verstrekken. In de aan de belanghebbendes gemachtigde gerichte brief heeft het gerechtshof hem erop gewezen dat hij zijn verzoek tot het horen van getuigen dient te specificeren.

1.11. Van de belanghebbendes gemachtigde is vervolgens op 4 juni 2004 een brief (met bijlagen) ingekomen. Bij deze brief heeft hij zijn verzoek tot het horen van getuigen beperkt tot het horen van een zevental getuigen. Tevens heeft belanghebbendes gemachtigde op 9 juni 2004 een brief (met bijlagen) bij het gerechtshof ingediend.

1.12. Op 24 juni 2004 is van de inspecteur een schriftelijke reactie (met bijlagen) bij het gerechtshof ingekomen.

1.13. Op 6 juli 2004 heeft het gerechtshof van de gemachtigde van de belanghebbende een brief (met bijlagen) ontvangen. Verder heeft het gerechtshof op 20 september 2004 een brief, op 28 september 2004 een brief met bijlage en op 1 oktober 2004 een brief van belanghebbendes gemachtigde ontvangen.

1.14. Op 21 april 2005 heeft de gemachtigde van de belanghebbende naar aanleiding van de uitnodiging voor de op 26 mei 2005 te houden zitting bij gerechtshof een brief ingediend, waarin hij onder meer aangeeft op die dag niet ter zitting aanwezig te kunnen zijn. Het gerechtshof heeft vervolgens deze zitting verplaatst naar 2 juni 2005.

1.15. Ter zitting van 2 juni 2005, gehouden te Leeuwarden heeft een getuigenverhoor alsmede een nadere mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Ter zitting zijn wederom gezamenlijk met de onderhavige zaak behandeld de onder punt 1.7 genoemde zaken van de belanghebbende en haar echtgenoot. Ter zitting zijn verschenen de echtgenoot van de belanghebbende als belanghebbendes gemachtigde, bijgestaan door de heer B alsmede namens de inspecteur drs. A en mr. C. Verder zijn verschenen en gehoord de door het gerechtshof opgeroepen getuigen de heren D, E, F en G. De verklaringen van de getuigen zijn ter zitting op schrift gesteld en aan de getuigen voorgelezen. De getuigen hebben de verklaringen ter zitting ondertekend. De voorzitter heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

1.16. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1. De belanghebbende heeft voor het jaar 2000 (voorlopig) aangifte IB/PV gedaan van een belastbaar inkomen van negatief ƒ 38.560,--.

2.2. De belanghebbende dreef vanaf 1 januari 1995 tot eind 2000 voor eigen rekening een onderneming. De onderneming betrof een aan de a-straat 48 te Z gevestigde winkel in kledingstoffen, fournituren en hobbymaterialen (: H). Zowel voor de inkomstenbelasting als voor de omzetbelasting is de belanghebbende in genoemde periode als ondernemer aangemerkt.

2.3. In H werden ook stripboeken verkocht, die (privé)eigendom waren van belanghebbendes echtgenoot. De met deze stripboeken behaalde winst (zonder aftrek van inkoopkosten) werd (op aanwijzing van de belastingdienst) bij het bepalen van de winst van het H in aanmerking genomen. In 1998 is een groot aantal stripboeken in beslag genomen door I, deurwaarders. Deze stripboeken zijn in februari 1999 door deze deurwaarders geveild voor een bedrag van ƒ 4.300,--. Het restant van de in H aanwezige stripboeken is eind 2000 - nadat H was opgeheven - overgebracht naar de woning van de belanghebbende en haar echtgenoot gelegen aan de b-weg 18 te Z.

2.4. Op 13 februari 2002 hebben ambtenaren van de belastingdienst bij de belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar (onder meer) de aanvaardbaarheid van de aangifte IB/PV voor het jaar 2000. In het van dit onderzoek op 7 mei 2002 opgemaakte rapport is aangegeven dat het (stip)inkomen van de belanghebbende zal worden vastgesteld op een bedrag van ƒ 30.184,--.

2.5. Met dagtekening 28 mei 2003 heeft de inspecteur aan de belanghebbende voor het jaar 2000 een aanslag IB/PV opgelegd. Daarbij heeft de inspecteur het (stip)inkomen ten onrechte vastgesteld op een bedrag van negatief ƒ 9.375,--.

2.6. Bij brief van 18 juni 2003 heeft de inspecteur de belanghebbende gewezen op het ten onrechte (te laag) vastgestelde (stip)inkomen. Verder heeft de inspecteur de belanghebbende bij deze brief meegedeeld dat met het inkomen van het jaar 2000, waarbij hij is uitgegaan van het in het rapport van het boekenonderzoek vermelde inkomen van ƒ 30.184,--, een verlies is verrekend tot een bedrag van ƒ 25.704,--. Het belastbare inkomen bedraagt dan ƒ 4.480,--. Aangezien de invorderingsvrijstelling van toepassing is, bedraagt de aanslag nihil. De inspecteur heeft verder vermeld dat deze brief een voor bezwaar vatbare beschikking is.

2.7. Op 24 juni 2003 heeft de inspecteur van de belanghebbende een bezwaarschrift ontvangen gericht tegen de onder punt 2.6 bedoelde beschikking. Op dit bezwaar heeft de inspecteur op 8 september 2003 uitspraak gedaan, in die zin dat hij belanghebbendes bezwaar heeft afgewezen.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur rekening heeft gehouden met de uitkomsten van het boekenonderzoek. Verder is in geschil het antwoord op de vraag of het in verband met de inbeslagname van de stripboeken van belanghebbendes echtgenoot geleden verlies van minimaal ƒ 50.000,-- in aanmerking kan worden genomen.

3.2. De belanghebbende is - naar het gerechtshof haar begrijpt - van mening dat de inspecteur ten onrechte is afgeweken van het rapport van het boekenonderzoek. Verder is zij - naar het gerechtshof haar begrijpt - de mening toegedaan dat rekening dient te worden gehouden met het door de gedwongen verkoop van de stripboeken geleden verlies van minimaal ƒ 50.000,-- voor zover dit bij de bepaling van het belastbaar inkomen van belanghebbendes echtgenoot niet in aanmerking kan worden genomen. Ten slotte wijst zij op met ambtenaren van de belastingdienst gemaakte afspraken.

3.3. De inspecteur houdt vast aan het standpunt dat de brief van 18 juni 2003 geheel berust op de bevindingen uit het boekenonderzoek.

3.4. Voor een uitvoerige weergave van de standpunten van partijen en de gronden waarop deze berusten verwijst het gerechtshof naar de gedingstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil

Vooreerst en vooraf

4.1. De belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de brief van de inspecteur van 18 juni 2003. De inspecteur heeft vervolgens op dit bezwaar uitspraak gedaan. Nu de inspecteur in zijn brief van 18 juni 2003 heeft vermeld dat deze brief een voor bezwaar vatbare beschikking is en in deze brief melding is gemaakt van de (voorwaartse) verrekende verliezen, merkt het gerechtshof deze brief aan als een verliesverrekeningsbeschikking als bedoeld in artikel 52a, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964

(: de Wet). Het gerechtshof gaat er vervolgens vanuit - nu de aanslag (formeel) is vastgesteld naar een negatief (stip)inkomen en (dus) een belastbaar inkomen van nihil - dat belanghebbendes bezwaar en beroep slechts is gericht tegen deze verliesverrekeningsbeschikking. Hierna zal het gerechtshof belanghebbendes grieven omtrent deze beschikking beoordelen.

Omtrent het eigenlijk geschil

4.2. Het gerechtshof overweegt dat de inspecteur bij het bepalen van de grootte van bedrag betreffende het te verrekenen verlies - zoals vermeld in de onder punt 2.6 weergegeven vaststaande feiten - is uitgegaan van het in het rapport van het boekenonderzoek vermelde (stip)inkomen van ƒ 30.184,--. Belanghebbendes stelling dat de inspecteur is afgeweken van dit rapport, kan het gerechtshof dan ook niet volgen. Hierbij merkt het gerechtshof het volgende op. Gelet op het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van de Wet, dient onderscheid te worden gemaakt tussen (stip)inkomen (vóór verrekening van verliezen) en belastbaar inkomen (ná verrekening van verliezen). In casu is het (stip)inkomen bepaald op een bedrag van ƒ 30.184,-- en het belastbaar inkomen (volgens de brief van 18 juni 2003) op een bedrag van ƒ 4.480,-- (na verrekening van verliezen tot een bedrag van ƒ 25.704,--). In het rapport van het boekenonderzoek is onder paragraaf 7.1 aangegeven dat het vastgesteld belastbaar inkomen vermeld op het aanslagbiljet kan afwijken van het gecorrigeerde stipinkomen door verrekening van verliezen. Vervolgens is onder paragraaf 8.1 vermeld dat het belastbare inkomen zal worden gesteld op een bedrag van

ƒ 30.184,--. Nu deze laatste vermelding niet strookt met hetgeen onder paragraaf 7.1 is vermeld, is het gerechtshof van oordeel dat sprake is van een vergissing. Onder paragraaf 8.1 had namelijk moeten worden vermeld dat het (stip)inkomen (en niet het belastbare inkomen) zal worden vastgesteld op een bedrag van

ƒ 30.184,--. Het gerechtshof gaat ervan uit dat deze in het rapport gemaakte vergissing bij de belanghebbende tot verwarring omtrent de hoogte van het belastbare inkomen heeft geleid. Het gerechtshof ziet evenwel geen reden om hieraan consequenties te verbinden, nu het gerechtshof niet inziet dat deze vergissing tot enig nadeel voor de belanghebbende heeft geleid.

4.3. De belanghebbende heeft gesteld dat haar echtgenoot in verband met de inbeslagname van zijn stripboeken (zie punt 2.3) in 1999 een verlies van minimaal ƒ 50.000,-- heeft geleden. Voor zover dit verlies bij de bepaling van het belastbaar inkomen van belanghebbendes echtgenoot niet in aanmerking kan worden genomen, dient hiermee bij de bepaling van haar inkomen voor het jaar 2000 rekening te worden gehouden. Het gerechtshof gaat voorbij aan deze geponeerde stelling, reeds nu - zoals eveneens is overwogen in de zaak met het kenmerk 438/03 van belanghebbendes echtgenoot - een in 1999 geleden verlies op welke wijze dan ook niet bij de bepaling van het inkomen voor het jaar 2000 in beschouwing worden genomen. Bovendien heeft de belanghebbende dit door haar gestelde - door de inspecteur betwiste - verlies op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt.

4.4. Belanghebbendes gemachtigde heeft ter zitting van 7 mei 2004 gesteld dat hij afspraken heeft gemaakt met ambtenaren van de belastingdienst aangaande de aanslagen IB/PV voor de jaren 1994 tot en met 2000. De belastbare inkomens voor die jaren van de belanghebbende en haar echtgenoot zouden volgens deze afspraken op nihil worden gesteld en de ingehouden loonbelasting zou worden teruggegeven. Van deze afspraken is een vaststellingsovereenkomst opgemaakt, aldus de belanghebbende. Het gerechtshof heeft hieromtrent op verzoek van belanghebbendes gemachtigde de onder punt 1.15 genoemde getuigen gehoord. Al deze getuigen hebben evenwel – kort gezegd – verklaard dat de door de belanghebbende bedoelde vaststellingsovereenkomst weliswaar door een ambtenaar van de belastingdienst is opgesteld, doch dat deze overeenkomst niet door de belanghebbende en haar echtgenoot is ondertekend. Het gerechtshof is dan ook van oordeel dat – nu de belanghebbende hieromtrent overigens geen bewijs heeft geleverd – niet kan worden gezegd dat de vaststellingsovereenkomst, waarvan overigens niet geheel duidelijk is of deze gevolgen zou kunnen hebben voor de onderhavige verliesverrekeningsbeschikking, daadwerkelijk tot stand is gekomen. Het gerechtshof acht de inspecteur dan ook niet gebonden aan de in de opgestelde vaststellingsovereenkomst opgenomen afspraken. Aan dit oordeel doet niet af dat het stranden van de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst wellicht is te wijten aan de omstandigheid dat steeds andere ambtenaren van de belastingdienst bij de belastingzaken van de belanghebbende en haar echtgenoot waren betrokken.

4.5. Belanghebbendes echtgenoot heeft in zijn op 4 juni 2004 bij het gerechtshof ingekomen brief het gerechtshof verzocht om – naast de onder punt 1.15 genoemde getuigen – ook de heer J te horen als getuige. De heer J, die optrad namens de ontvanger van de belastingdienst, heeft – naar belanghebbendes gemachtigde ter zitting van 2 juni 2005 heeft verklaard – met hem afspraken gemaakt omtrent de termijn waarbinnen en de volgorde waarin belanghebbendes echtgenoot de aangiften voor de jaren 1994 tot en met 1996 zou doen. Het gerechtshof acht deze afspraken – wat daar ook van zij – evenwel in deze zaak geenszins relevant. Derhalve passeert het gerechtshof belanghebbendes bewijsaanbod om de heer J te horen.

4.6. Verder heeft belanghebbendes gemachtigde in zijn op 4 juni 2004 bij het gerechtshof ingekomen brief het gerechtshof verzocht om de heer K te horen als getuige. De heer K heeft – naar belanghebbendes echtgenoot ter zitting van 2 juni 2005 heeft verklaard – in de jaren 1995 en 1996 een controle ingesteld bij twee B.V.’s, waarvan de echtgenoot van de belanghebbende aandeelhouder was. De gemachtigde van de belanghebbende heeft naar het oordeel van het gerechtshof evenwel niet duidelijk gemaakt om welke reden hetgeen bij deze controle is voorgevallen – de heer K zou volgens belanghebbendes gemachtigde bewijsmateriaal hebben kwijt gemaakt – in deze zaak van betekenis zou kunnen zijn. Het gerechtshof gaat derhalve voorbij aan belanghebbendes bewijsaanbod om de heer K te horen. Overigens heeft de gemachtigde van de belanghebbende geen getuigen (meer) aangedragen. Hierbij merkt het gerechtshof op dat belanghebbendes gemachtigde ter zitting van 2 juni 2005 zijn verzoek om de heer L te horen als getuige heeft ingetrokken.

4.7. Overigens heeft de belanghebbende geen grieven gericht tegen de onderhavige verliesverrekeningsbeschikking. Gelet op de uitspraak van vandaag in de zaak met het BK-nummer 593/03, dient de stand van de onverrekenbare verliezen per 1 januari 2000 ƒ 5.474,-- hoger gesteld te worden, zodat dit per genoemde datum ƒ 31. 178,-- bedraagt. De inspecteur had het bedrag van het te verrekenen verlies in de onderhavige zaak derhalve op ƒ 30.184,-- dienen te stellen. In zoverre treft belanghebbendes beroep dus doel.

5. De proceskosten

In de omstandigheden van het geval vindt het gerechtshof aan-lei-ding op grond van artikel 8:75 van de Awb de inspecteur te veroordelen in de kos-ten die de belang-hebbende in verband met de behande-ling van het beroep redelij-kerwijs heeft moeten maken. Op grond van het Besluit proces-kosten bestuursrecht bepaalt het gerechtshof de door belanghebbendes echtgenoot voor de twee zittingen gemaakte reis- en verblijfkosten op een bedrag van

€ 11,--. Rekeninghoudend met de omstandigheid dat gezamenlijk met de onderhavige zaak, ter gehouden zittingen zijn behandeld de onder punt 1.7 genoemde zaken van de belanghebbende en haar echtgenoot en in totaal een zevental zaken gegrond zijn verklaard, bepaalt het gerechtshof de in deze zaak door de inspecteur aan de belanghebbende te betalen proceskosten op een bedrag van (afgerond) € 2,--. Deze kosten dienen te worden gedragen door de Staat der Nederlanden.

6. De beslissing

Het gerechtshof

verklaart het beroep gericht tegen de verliesverrekeningsbeschikking IB/PV voor het jaar 2000 gegrond;

vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

vermeerdert het met het inkomen van het jaar 2000 verrekende verlies tot een bedrag van € 9.938,-- (ƒ 30.184,--);

gelast dat de Staat der Nederlanden het door de belanghebbende betaalde griffierecht ad € 31,-- aan haar vergoedt;

veroordeelt de inspecteur tot betaling aan de belanghebbende van een tegemoetkoming in de proceskosten ten bedrage van € 2,-- en

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die deze kosten dient te dragen.

Aldus vastgesteld op 22 juli 2005 door mr. G.M. van der Meer, raadsheer, en op die dag in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden door voornoemde raadsheer in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Hiemstra en ondertekend door voornoemde raadsheer en voornoemde griffier.

Op 22 juli 2005 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.