Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AT9791

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-07-2005
Datum publicatie
22-07-2005
Zaaknummer
BK 438/03 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of het door de inspecteur vastgestelde belastbare inkomen dient te worden verminderd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:63, geldigheid: 2005-07-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-1455

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 438/03 22 juli 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, zesde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z (: de belanghebbende) tegen het niet tijdig doen van uitspraak op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen

(: IB/PV) voor het jaar 2000, alsmede tegen de gedane uitspraak van de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Noord op dit bezwaarschrift.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan de belanghebbende is voor het jaar 2000 een aanslag IB/PV opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 25.801,--.

1.2. Op 23 juni 2002 heeft de inspecteur van de belanghebbende een bezwaarschrift gericht tegen de onder punt 1.1 bedoelde aanslag ontvangen.

1.3. De belanghebbende is tegen het niet tijdig nemen van een besluit in beroep gekomen bij een pro forma beroepschrift, dat op 20 mei 2003 bij het gerechtshof is ingekomen.

1.4. De inspecteur heeft op 23 mei 2003 uitspraak gedaan op belanghebbendes bezwaar. Daarbij heeft de inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.

1.5. Bij brief (met bijlage), ingekomen bij het gerechtshof op 26 juni 2003, heeft de belanghebbende zijn beroepschrift aangevuld met de gronden van het beroep.

1.6. Van de inspecteur heeft het gerechtshof op 24 september 2003 een verweerschrift (met bijlagen) ontvangen.

1.7. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof op 7 mei 2004, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de belanghebbende alsmede namens de inspecteur drs. A. Ter zitting zijn gezamenlijk met de onderhavige zaak behandeld belanghebbendes zaken met de kenmerken BK 298/03, BK 299/03, BK 300/03, BK 301/03, BK 302/03, BK 437/03 en BK 271/03 alsmede de zaken van belanghebbendes echtgenote met de kenmerken BK 593/03 en BK 760/03.

1.8. Ter voormelde zitting heeft de belanghebbende zonder bezwaar van de zijde van de inspecteur een afschrift van een brief d.d. 16 februari 2004 van de inspecteur betreffende het bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PV 2001 overgelegd.

1.9. De voorzitter heeft het onderzoek ter voormelde zitting geschorst teneinde partijen schriftelijk te verzoeken gegevens te verstrekken naar aanleiding van de op de zitting naar voren gekomen vragen alsmede eventueel na de zitting bij het hof opgekomen vragen.

1.10. Op 11 mei 2004 en op 17 mei 2004 zijn bij het gerechtshof brieven (met bijlagen) van de belanghebbende ingekomen. Bij deze brieven heeft de belanghebbende onder meer het gerechtshof verzocht om meer dan zestig getuigen te horen.

1.11. Bij brieven (met bijlagen) van 18 mei 2004 heeft het gerechtshof partijen verzocht de in een bijlage bij die brieven gevraagde gegevens te verstrekken. In de aan de belanghebbende gerichte brief heeft het gerechtshof de belanghebbende erop gewezen dat hij zijn verzoek tot het horen van getuigen dient te specificeren.

1.12. Van de belanghebbende is vervolgens op 4 juni 2004 een brief (met bijlagen) ingekomen. Bij deze brief heeft hij zijn verzoek tot het horen van getuigen beperkt tot het horen van een zevental getuigen. Tevens heeft de belanghebbende op 9 juni 2004 een brief (met bijlagen) bij het gerechtshof ingediend.

1.13. Op 24 juni 2004 is van de inspecteur een schriftelijke reactie (met bijlagen) bij het gerechtshof ingekomen.

1.14. Op 6 juli 2004 heeft het gerechtshof van de belanghebbende een brief (met bijlagen) ontvangen. Verder heeft het gerechtshof op 20 september 2004 een brief, op 28 september 2004 een brief met bijlage en op 1 oktober 2004 een brief van de belanghebbende ontvangen.

1.15. Op 21 april 2005 heeft de belanghebbende naar aanleiding van de uitnodiging voor de op 26 mei 2005 te houden zitting bij gerechtshof een brief ingediend, waarin hij onder meer aangeeft op die dag niet ter zitting aanwezig te kunnen zijn. Het gerechtshof heeft vervolgens deze zitting verplaatst naar 2 juni 2005.

1.16. Ter zitting van 2 juni 2005, gehouden te Leeuwarden heeft een getuigenverhoor alsmede een nadere mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Ter zitting zijn wederom gezamenlijk met de onderhavige zaak behandeld de onder punt 1.7 genoemde zaken van de belanghebbende en zijn echtgenote. Ter zitting zijn verschenen de belanghebbende, bijgestaan door de heer B alsmede namens de inspecteur drs. A en mr. C. Verder zijn verschenen en gehoord de door het gerechtshof opgeroepen getuigen de heren D, E, F en G. De verklaringen van de getuigen zijn ter zitting op schrift gesteld en aan de getuigen voorgelezen. De getuigen hebben de verklaringen ter zitting ondertekend. De voorzitter heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

1.17. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1. De belanghebbende heeft voor het jaar 2000 aangifte IB/PV gedaan van een belastbaar inkomen van ƒ 11.638,--. In deze aangifte heeft de belanghebbende een bedrag van negatief ƒ 14.163,-- aangegeven als winst uit onderneming. Verder heeft de belanghebbende in deze aangifte onder meer een bedrag van ƒ 15.896,-- als hypotheekrente ter zake van de eigen woning op zijn inkomsten uit die woning in aftrek gebracht en heeft hij een bedrag van ƒ 6.170,-- ter zake van rente van schulden op zijn onzuivere inkomen in mindering gebracht. De aangifte is verzorgd door de heer B.

2.2. Volgens een door de heer B opgemaakt jaarrapport bestaat het aangegeven verlies uit onderneming uit

aanloopkosten ter realisatie van een adviesbureau ten bedrage van ƒ 15.148,82 en een omzet van ƒ 986,--.

2.3. In maart 2002 hebben ambtenaren van de belastingdienst bij de belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld. Hierbij is - volgens het van het boekenonderzoek opgemaakte rapport - de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PV voor de jaren 2000 tot en met 2001 en de aangiften omzetbelasting voor het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2001 onderzocht. Op het moment van de controle in maart 2002 had de belanghebbende één à twee klanten. Bij de controle is vastgesteld dat er objectief gezien geen positieve baten uit het adviesbureau en aanverwante activiteiten zijn te verwachten. De ambtenaren hebben geconcludeerd dat er zowel ten aanzien van het adviesbureau als ten aanzien van de verkoop van stripboeken geen sprake is van een bron van inkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (: de Wet).

2.4. Met dagtekening 18 juni 2002 heeft de inspecteur aan de belanghebbende een aanslag IB/PV opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 25.801,--. Daarbij heeft de inspecteur de door de belanghebbende aangegeven winst uit onderneming van negatief

ƒ 14.163,-- - zoals in het rapport inzake het gehouden boekenonderzoek was aangekondigd - niet in aanmerking genomen. Verder heeft de inspecteur de aangifte van de belanghebbende gevolgd.

2.5. Op 23 juni 2002 is bij de inspecteur een bezwaarschrift van de belanghebbende gericht tegen de onder punt 2.4 bedoelde aanslag ingekomen.

2.6. Bij het gerechtshof is op 20 mei 2003 een beroepschrift van de belanghebbende ingekomen gericht tegen het niet tijdig doen van uitspraak door de inspecteur op het onder punt 2.5 bedoelde bezwaarschrift. Op 23 mei 2003 heeft de inspecteur uitspraak gedaan op dit bezwaarschrift.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of het door de inspecteur vastgestelde belastbare inkomen dient te worden verminderd.

3.2. De belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend. Hij is van mening dat te inspecteur te laat uitspraak heeft gedaan op zijn bezwaarschrift. Verder is hij van mening dat de aangifte en het jaarrapport, zoals deze zijn opgemaakt door de heer B, gevolgd dienen te worden. Ook dient nog rekening te worden gehouden met negatieve inkomsten dan wel aftrekposten ter zake van betaalde incassorente en een verliespost inzake stripboeken. Ten slotte wijst hij op met ambtenaren van de belastingdienst gemaakte afspraken.

3.3. De inspecteur is van opvatting dat hij het belastbare inkomen niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.

3.4. Voor een uitvoerige weergave van de standpunten van partijen en de gronden waarop deze berusten verwijst het gerechtshof naar de gedingstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil

Vooreerst en vooraf omtrent de fictieve weigering

4.1. Nu de inspecteur op 23 mei 2003 uitspraak heeft gedaan op het door hem op 23 juni 2002 ontvangen bezwaarschrift van de belanghebbende, overweegt het gerechtshof dat niet kan worden gezegd dat de inspecteur - gelet op het bepaalde in artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen - niet tijdig uitspraak heeft gedaan. Het gerechtshof merkt op dat de vermelding van de inspecteur in zijn uitspraak dat hij op 23 april 2002 belanghebbendes bezwaarschrift heeft ontvangen, moet berusten op een vergissing, nu het gerechtshof het onwaarschijnlijk acht dat de op 18 juni 2002 gedagtekende aanslag reeds op die datum tot stand was gekomen dan wel dat de belanghebbende dit redelijkerwijs kon menen. De belanghebbende heeft naar het oordeel van het gerechtshof derhalve ten onrechte beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak. Nu de inspecteur - na de indiening van belanghebbendes beroepschrift - op 23 mei 2003 uitspraak heeft gedaan op belanghebbendes bezwaarschrift, wordt het beroep van de belanghebbende ingevolge het vierde lid van artikel 6:20 van de Algemene wet bestuursrecht (: Awb) mede geacht te zijn gericht tegen deze uitspraak.

Omtrent het eigenlijke geschil

4.2. Wil er sprake zijn van een bron van inkomen, dan moeten er volgens vaste jurisprudentie onder meer redelijkerwijs – zij het in de toekomst – positieve geldelijke voordelen zijn te verwachten.

4.3. De belanghebbende heeft - naar het gerechtshof hem begrijpt - gesteld dat hij in het jaar 2000 in zijn woning aan de a-weg 18 te Z een (belasting)adviesbureau is gestart. Ter zake hiervan heeft de belanghebbende in zijn aangifte alsmede in zijn jaarstukken als winst uit onderneming een bedrag van negatief

ƒ 14.163,-- aangegeven. Bij het gehouden boekenonderzoek is evenwel vastgesteld dat er objectief gezien geen positieve baten uit het adviesbureau en aanverwante activiteiten zijn te verwachten, hetgeen de belanghebbende niet heeft weersproken. Hierbij zij opgemerkt dat het gerechtshof in de omstandigheid dat de belanghebbende op het moment van het in maart 2002 gehouden boekenonderzoek - dus twee jaar na de start van zijn adviesbureau - slechts één à twee klanten had alsmede in de hoogte van de omzet en de door de belanghebbende opgevoerde aanloopkosten de juistheid van deze vaststelling ziet bevestigd. Van een bron van inkomen in de zin van de Wet kan - gelet op het onder punt 4.2 overwogene - naar het oordeel van het gerechtshof dan geen sprake zijn. De inspecteur heeft de door de belanghebbende aangegeven (negatieve) winst uit onderneming derhalve terecht (in het geheel) niet in aanmerking genomen.

4.4. Voor zover de belanghebbende heeft gesteld dat – rekening houdend met (onder meer) de door hem betaalde incassorente alsmede rente betreffende een in verband met de terugbetaling van een uitkering aan Cadans afgesloten (hypothecaire) geldlening – een hoger bedrag dan ƒ 6.170,-- ter zake van rente van schulden op zijn onzuivere inkomen in mindering dient te worden gebracht, overweegt het gerechtshof dat de belanghebbende tegenover de weerspreking van de inspecteur op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt om welke bedragen het gaat, dat en wanneer deze bedragen zijn betaald. De inspecteur heeft derhalve terecht geen hogere aftrek ter zake van rente van schulden toegestaan dan het in belanghebbendes aangifte vermelde bedrag van ƒ 6.170,--. Ditzelfde geldt voor de (hypotheek)rente met betrekking tot de eigen woning.

4.5. Voor zover de belanghebbende heeft gesteld dat een door hem in verband met een inbeslagname van zijn stripboeken in 1999 geleden verlies in het jaar 2000 in aanmerking dient te worden genomen, gaat het gerechtshof voorbij aan deze stelling, reeds nu een in 1999 geleden verlies op welke wijze dan ook niet bij de bepaling van het inkomen voor het jaar 2000 in beschouwing kan worden genomen. Bovendien heeft - zoals het gerechtshof ook in belanghebbendes beroepszaak met het kenmerk 437/03 betreffende het jaar 1999 heeft overwogen - de belanghebbende dit door hem gestelde - door de inspecteur betwiste - verlies op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt.

4.6. Voor zover de belanghebbende heeft gesteld dat in verband met de inbeslagname van de stripboeken geleden verliezen uit de jaren 1998 en 1999 dan wel verliezen uit andere voorgaande jaren of uit volgende jaren op de voet van hoofdstuk IV van de Wet met het inkomen van het jaar 2000 dienen te worden verrekend, overweegt het gerechtshof dat in de onder punt 1.7 genoemde zaken van de belanghebbende – waarin het gerechtshof eveneens vandaag uitspraak heeft gedaan – betreffende de jaren 1994 tot en met 1999 de berekening van de inkomens niet heeft geleid tot een negatief bedrag. Met betrekking tot deze jaren kan dus geen sprake zijn van verrekenbare verliezen. De belanghebbende heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat met betrekking tot andere jaren sprake is van verrekenbare verliezen. De inspecteur heeft derhalve terecht geen verliesverrekening toegestaan.

4.7. De belanghebbende heeft ter zitting van 7 mei 2004 gesteld dat hij afspraken heeft gemaakt met ambtenaren van de belastingdienst aangaande onder meer de aanslagen IB/PV voor de jaren 1994 tot en met 2000. De belastbare inkomens voor die jaren van de belanghebbende en zijn echtgenote zouden volgens deze afspraken op nihil worden gesteld en de ingehouden loonbelasting zou worden teruggegeven. Van deze afspraken is een vaststellingsovereenkomst opgemaakt, aldus de belanghebbende. Het gerechtshof heeft hieromtrent op verzoek van de belanghebbende de onder punt 1.16 genoemde getuigen gehoord. Al deze getuigen hebben evenwel – kort gezegd – verklaard dat de door de belanghebbende bedoelde vaststellingsovereenkomst weliswaar door een ambtenaar van de belastingdienst is opgesteld, doch dat deze overeenkomst niet door de belanghebbende en zijn echtgenote is ondertekend. Het gerechtshof is dan ook van oordeel dat – nu de belanghebbende hieromtrent overigens geen bewijs heeft geleverd – niet kan worden gezegd dat de vaststellingsovereenkomst daadwerkelijk tot stand is gekomen. Het gerechtshof acht de inspecteur dan ook niet gebonden aan de door de in de opgestelde vaststellingsovereenkomst opgenomen afspraken. Aan dit oordeel doet niet af dat het stranden van de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst wellicht is te wijten aan de omstandigheid dat steeds andere ambtenaren van de belastingdienst bij de belastingzaken van de belanghebbende en zijn echtgenote waren betrokken.

4.8. De belanghebbende heeft in zijn op 4 juni 2004 bij het gerechtshof ingekomen brief het gerechtshof verzocht om – naast de onder punt 1.16 genoemde getuigen – ook de heer H te horen als getuige. De heer H, die optrad namens de ontvanger van de belastingdienst, heeft – naar de belanghebbende ter zitting van 2 juni 2005 heeft verklaard – met de belanghebbende afspraken gemaakt omtrent de termijn waarbinnen en de volgorde waarin de belanghebbende de aangiften voor de jaren 1994 tot en met 1996 zou doen. Het gerechtshof acht deze afspraken – wat daar ook van zij – evenwel voor de beantwoording van de onder punt 3.1 bedoelde vraag geenszins relevant. Derhalve passeert het gerechtshof belanghebbendes bewijsaanbod om de heer H te horen.

4.9. Verder heeft de belanghebbende in zijn op 4 juni 2004 bij het gerechtshof ingekomen brief het gerechtshof verzocht om de heer I te horen als getuige. De heer I heeft – naar de belanghebbende ter zitting van 2 juni 2005 heeft verklaard – in de jaren 1995 en 1996 een controle ingesteld bij twee B.V.’s, waarvan de belanghebbende aandeelhouder was. De belanghebbende heeft naar het oordeel van het gerechtshof evenwel niet duidelijk gemaakt om welke reden hetgeen bij deze controle is voorgevallen – de heer I zou volgens de belanghebbende bewijsmateriaal hebben kwijt gemaakt – bij de beantwoording van de onder punt 3.1 bedoelde vraag van betekenis zou kunnen zijn. Het gerechtshof gaat derhalve voorbij aan belanghebbendes bewijsaanbod om de heer I te horen. Overigens heeft de belanghebbende geen getuigen (meer) aangedragen. Hierbij merkt het gerechtshof op dat de belanghebbende ter zitting van 2 juni 2005 zijn verzoek om de heer J te horen als getuige heeft ingetrokken.

4.10. Voor zover de belanghebbende heeft verzocht om een middelingsteruggaaf, overweegt het gerechtshof dat dit verzoek in deze procedure niet aan de orde kan komen. De inspecteur dient namelijk ex artikel 66a, achtste lid, van de Wet eerst bij een voor bezwaar vatbare beschikking te beslissen op dit verzoek. Tegen deze beschikking kunnen vervolgens rechtsmiddelen worden aangewend. Het gerechtshof merkt op dat voor zover de inspecteur nog geen beslissing heeft genomen op belanghebbendes verzoek om een middelingsteruggaaf, hij dit alsnog zal moeten doen.

4.11. Het gerechtshof zal aan de enkele constatering dat de belanghebbende in de bezwaarfase niet op zijn verzoek is gehoord door de inspecteur geen consequenties verbinden, nu de belanghebbende ter zitting van 2 juni 2005 desgevraagd heeft verklaard geen terugverwijzing van de zaak naar de inspecteur te wensen.

4.12. Ook overigens heeft de belanghebbende geen feiten en omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt die tot een vermindering van het door de inspecteur vastgestelde belastbare inkomen zouden moeten leiden.

4.13. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat belanghebbendes beroep in het geheel geen doel treft.

5. De proceskosten

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond

Aldus vastgesteld op 22 juli 2005 door mr. G.M. van der Meer, raadsheer, en op die dag in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden door voornoemde raadsheer in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Hiemstra en ondertekend door voornoemde raadsheer en voornoemde griffier.

Op 22 juli 2005 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.