Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AT9788

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-07-2005
Datum publicatie
22-07-2005
Zaaknummer
BK 302/03 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of het door de inspecteur vastgestelde belastbare inkomen dient te worden verminderd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:63, geldigheid: 2005-07-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-1455

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 302/03 22 juli 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, zesde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z (: de belanghebbende) tegen de uitspraken van de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Noord (hierna: de inspecteur), gedaan op de bezwaarschriften van de belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (: IB/PV) voor het jaar 1998.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan de belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag IB/PV opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 12.875,--.

1.2. Op 6 maart 2002 heeft de inspecteur van de belanghebbende brieven ontvangen, waarin hij bezwaar maakt tegen de onder punt 1.1 bedoelde aanslag. De inspecteur heeft deze brieven als twee bezwaarschriften aangemerkt en heeft bij een tweetal op 24 maart 2003 gedagtekende uitspraken deze bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.

1.3. De belanghebbende is tegen de onder punt 1.2 bedoelde uitspraken in beroep gekomen bij een pro forma beroepschrift, dat op 28 maart 2003 bij het gerechtshof is ingekomen. Bij brieven (met bijlagen), ingekomen bij het gerechtshof op 8 mei 2003, 15 mei 2003 en 23 mei 2003 heeft de belanghebbende zijn beroepschrift voorzien van de gronden van het beroep.

1.4. Van de inspecteur heeft het gerechtshof op 4 juli 2003 een verweerschrift (met bijlagen) ontvangen.

1.5. Op 10 juli 2003 is een brief van de belanghebbende bij het gerechtshof ingekomen. Op 15 juli 2003 is een van de belanghebbende afkomstige brief aangaande middeling bij het gerechtshof ingekomen.

1.6. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof op 7 mei 2004, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de belanghebbende alsmede namens de inspecteur drs. A. Ter zitting zijn gezamenlijk met de onderhavige zaak behandeld belanghebbendes zaken met de kenmerken BK 298/03, BK 299/03, BK 300/03, BK 301/03, BK 437/03, BK 438/03 en BK 271/03 alsmede de zaken van belanghebbendes echtgenote met de kenmerken BK 593/03 en BK 760/03.

1.7. Ter voormelde zitting heeft de belanghebbende zonder bezwaar van de zijde van de inspecteur een afschrift van een brief d.d. 16 februari 2004 van de inspecteur betreffende het bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PV 2001 overgelegd.

1.8. De voorzitter heeft het onderzoek ter voormelde zitting geschorst teneinde partijen schriftelijk te verzoeken gegevens te verstrekken naar aanleiding van de op de zitting naar voren gekomen vragen alsmede eventueel na de zitting bij het hof opgekomen vragen.

1.9. Op 11 mei 2004 en op 17 mei 2004 zijn bij het gerechtshof brieven (met bijlagen) van de belanghebbende ingekomen. Bij deze brieven heeft de belanghebbende onder meer het gerechtshof verzocht om meer dan zestig getuigen te horen.

1.10. Bij brieven (met bijlagen) van 18 mei 2004 heeft het gerechtshof partijen verzocht de in een bijlage bij die brieven gevraagde gegevens te verstrekken. In de aan de belanghebbende gerichte brief heeft het gerechtshof de belanghebbende erop gewezen dat hij zijn verzoek tot het horen van getuigen dient te specificeren.

1.11. Van de belanghebbende is vervolgens op 4 juni 2004 een brief (met bijlagen) ingekomen. Bij deze brief heeft hij zijn verzoek tot het horen van getuigen beperkt tot het horen van een zevental getuigen. Tevens heeft de belanghebbende op 9 juni 2004 een brief (met bijlagen) bij het gerechtshof ingediend.

1.12. Op 24 juni 2004 is van de inspecteur een schriftelijke reactie (met bijlagen) bij het gerechtshof ingekomen.

1.13. Op 6 juli 2004 heeft het gerechtshof van de belanghebbende een brief (met bijlagen) ontvangen. Verder heeft het gerechtshof op 20 september 2004 een brief, op 28 september 2004 een brief met bijlage en op 1 oktober 2004 een brief van de belanghebbende ontvangen.

1.14. Op 21 april 2005 heeft de belanghebbende naar aanleiding van de uitnodiging voor de op 26 mei 2005 te houden zitting bij gerechtshof een brief ingediend, waarin hij onder meer aangeeft op die dag niet ter zitting aanwezig te kunnen zijn. Het gerechtshof heeft vervolgens deze zitting verplaatst naar 2 juni 2005.

1.15. Ter zitting van 2 juni 2005, gehouden te Leeuwarden heeft een getuigenverhoor alsmede een nadere mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Ter zitting zijn wederom gezamenlijk met de onderhavige zaak behandeld de onder punt 1.6 genoemde zaken van de belanghebbende en zijn echtgenote. Ter zitting zijn verschenen de belanghebbende, bijgestaan door de heer B alsmede namens de inspecteur drs. A en mr. C. Verder zijn verschenen en gehoord de door het gerechtshof opgeroepen getuigen de heren D, E, F en G. De verklaringen van de getuigen zijn ter zitting op schrift gesteld en aan de getuigen voorgelezen. De getuigen hebben de verklaringen ter zitting ondertekend. De voorzitter heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

1.16. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1. De belanghebbende heeft voor het jaar 1998 aangifte IB/PV gedaan van een belastbaar inkomen van ƒ 12.865,--. In deze aangifte heeft de belanghebbende onder meer een bedrag van ƒ 18.894,-- als hypotheekrente ter zake van de eigen woning op zijn inkomsten uit die woning in aftrek gebracht. Verder heeft de belanghebbende een bedrag van ƒ 2.275,-- ter zake van rente van schulden op zijn onzuivere inkomen in mindering gebracht.

2.2. Met dagtekening 7 november 2001 heeft de inspecteur aan de belanghebbende voor het jaar 1998 een aanslag IB/PV opgelegd naar een belastbaar inkomen van – nagenoeg conform belanghebbendes aangifte, die bij de berekening van het onzuiver inkomen een rekenfout van ƒ 10,-- bevat – ƒ 12.875,--.

2.3. Op 6 maart 2002 heeft de inspecteur van de belanghebbende brieven ontvangen, waarin hij bezwaar maakt tegen de onder punt 2.2 bedoelde aanslag. De inspecteur heeft deze brieven als twee bezwaarschriften aangemerkt en heeft bij een tweetal op 24 maart 2003 gedagtekende uitspraken deze bezwaren wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

2.4. Met dagtekening 27 november 2001 heeft de belanghebbende een brief gestuurd aan de heer H, ontvanger van de belastingdienst. In deze brief heeft de belanghebbende geschreven dat bij de aangifte de betaalde en ontvangen rente niet is meegenomen. De reden hiervoor is dat volgens de heer B dit niet nodig was, omdat het inkomen te gering was. De belanghebbende schrijft in genoemde brief dat de rente wel dient te worden meegenomen en “op saldo verrekenen of aftrekken inkomen b.v. 1999”.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of het door de inspecteur vastgestelde belastbare inkomen dient te worden verminderd.

3.2. De belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend. Hij is van mening dat zijn belastbaar inkomen op een negatief bedrag dient te worden vastgesteld, omdat – kort gezegd – nog rekening dient te worden gehouden met een arbeidsongeschiktheidsaftrek, een hoger bedrag aan betaalde rente en een terugbetaling aan Cadans. Verder wijst hij op met ambtenaren van de belastingdienst gemaakte afspraken.

3.3. De inspecteur houdt vast aan het standpunt dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. Verder is hij van opvatting dat hij het belastbare inkomen niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.

3.4. Voor een uitvoerige weergave van de standpunten van partijen en de gronden waarop deze berusten verwijst het gerechtshof naar de gedingstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil

Vooreerst en vooraf omtrent de ontvankelijkheid

4.1. Gelet op inhoud van de onder punt 2.4 bedoelde brief is het gerechtshof van oordeel dat uit deze brief – die weliswaar niet uitblinkt in alle duidelijkheid – kan worden opgemaakt dat de belanghebbende bezwaar (omtrent nog in aanmerking te nemen rente) heeft tegen het bij onderhavige aanslag vastgestelde belastbare inkomen. Het gerechtshof is derhalve van oordeel dat deze brief, waarvan de inspecteur niet heeft weersproken dat deze bij de belastingdienst is ingekomen, als een bezwaarschrift dient te worden aangemerkt. Gelet op de dagtekening 27 november 2001 gaat het gerechtshof – nu de inspecteur hieromtrent niets heeft gesteld – er vanuit dat deze brief binnen de bezwaartermijn door de inspecteur is ontvangen. Nu ook overigens aan dit bezwaarschrift geen gebreken kleven die zouden moeten leiden tot een niet-ontvankelijkverklaring, overweegt het gerechtshof dat de inspecteur belanghebbendes bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit brengt mee dat de uitspraken van de inspecteur dienen te worden vernietigd. In zoverre is het beroep van de belanghebbende gegrond.

Omtrent het eigenlijke geschil

4.2. De belanghebbende heeft gesteld dat hij recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsaftrek, hetgeen de inspecteur heeft betwist. Naar het gerechtshof de belanghebbende begrijpt doelt hij op aftrek van de in artikel 46, vierde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1998, hierna: de Wet) bedoelde uitgaven.

4.3. Ingevolge artikel 46, vierde lid, van de Wet worden uitgaven ter zake van arbeidsongeschiktheid in aanmerking genomen indien de belastingplichtige of diens niet duurzaam gescheiden van hem levende echtgenoot bij het begin van het kalenderjaar jonger is dan 65 jaar en:

a. de belastingplichtige aannemelijk maakt dat hij of zijn niet duurzaam gescheiden van hem levende echtgenoot ten gevolge van ziekte of gebreken buiten staat is om 55 percent te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde belastingplichtigen die overigens in gelijke omstandigheden verkeren, kunnen verdienen, en daartoe ook hetzij in het afgelopen jaar buiten staat is geweest hetzij vermoedelijk in het eerstkomende jaar buiten staat zal zijn;

b. in de twee voorafgaande kalenderjaren bij de berekening van het inkomen van de belastingplichtige of dat van zijn niet duurzaam gescheiden van hem levende echtgenoot uitgaven als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, in aanmerking zijn genomen.

Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op ƒ 1.000,--, doch voor niet duurzaam gescheiden levende echtgenoten tezamen – onder voorwaarden – op ƒ 2.000,--.

4.4. De belanghebbende heeft naar het oordeel van het gerechtshof op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat hij ten gevolge van ziekte of gebreken buiten staat is om 55 percent te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde belastingplichtigen, die overigens in gelijke omstandigheden verkeren, kunnen verdienen, en daartoe ook hetzij in het afgelopen jaar buiten staat is geweest hetzij vermoedelijk in het eerstkomende jaar buiten staat zal zijn. Ook ten aanzien van zijn echtgenote heeft hij hieromtrent niets aannemelijk gemaakt. De inspecteur heeft dan ook terecht de door de belanghebbende gevraagde arbeidsongeschiktheidsaftrek geweigerd.

4.5. Voor zover de belanghebbende heeft gesteld dat hij recht heeft op aftrek van uitgaven van een gehouden dieet als bedoeld in artikel 46, derde lid, onderdeel c, van de Wet, overweegt het gerechtshof dat hij ook hieromtrent geen feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt. De inspecteur heeft derhalve terecht geen aftrek verleend ter zake van dieetkosten.

4.6. Voor zover de belanghebbende heeft gesteld dat – rekening houdend met (onder meer) de door hem betaalde heffings- en invorderingsrente – een hoger bedrag dan ƒ 2.275,-- ter zake van rente van schulden op zijn onzuivere inkomen in mindering dient te worden gebracht, overweegt het gerechtshof dat de belanghebbende tegenover de weerspreking van de inspecteur op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt om welke bedragen het gaat, dat en wanneer deze bedragen zijn betaald. De inspecteur heeft derhalve terecht geen hogere aftrek ter zake van rente van schulden toegestaan dan het bedrag van ƒ 2.275,--. Ditzelfde geldt voor de (hypotheek)rente met betrekking tot de eigen woning.

4.7. Voor zover de belanghebbende heeft gesteld – hetgeen de inspecteur heeft betwist – dat een terug te betalen (ten onrechte genoten) uitkering van ƒ 2.226,-- betreffende het jaar 1998 in het onderhavige jaar als negatieve inkomsten uit arbeid in aanmerking dient te worden genomen, overweegt het gerechtshof dat de belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze gestelde negatieve inkomsten in 1998 zijn betaald, verrekend, ter beschikking zijn gesteld of rentedragend zijn geworden (vergelijk artikel 38, eerste lid van de Wet). De inspecteur heeft derhalve bij de vaststelling van het belastbare inkomen voor het jaar 1998 terecht geen rekening houden met de door de belanghebbende gestelde negatieve inkomsten.

4.8. Voor zover de belanghebbende heeft gesteld dat verliezen uit voorgaande jaren dan wel uit volgende jaren op de voet van hoofdstuk IV van de Wet met het inkomen van het jaar 1998 dienen te worden verrekend, overweegt het gerechtshof dat in de onder punt 1.6 genoemde zaken van de belanghebbende – waarin het gerechtshof eveneens vandaag uitspraak heeft gedaan – betreffende de jaren 1994 tot en met 1997 alsmede 1999 en 2000 de berekening van de inkomens niet heeft geleid tot een negatief bedrag. Met betrekking tot deze jaren kan dus geen sprake zijn van verrekenbare verliezen. De belanghebbende heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat met betrekking tot andere jaren sprake is van verrekenbare verliezen. De inspecteur heeft derhalve terecht geen verliesverrekening toegestaan.

4.9. De belanghebbende heeft ter zitting van 7 mei 2004 gesteld dat hij afspraken heeft gemaakt met ambtenaren van de belastingdienst aangaande de aanslagen IB/PV voor de jaren 1994 tot en met 2000. De belastbare inkomens voor die jaren van de belanghebbende en zijn echtgenote zouden volgens deze afspraken op nihil worden gesteld en de ingehouden loonbelasting zou worden teruggegeven. Van deze afspraken is een vaststellingsovereenkomst opgemaakt, aldus de belanghebbende. Het gerechtshof heeft hieromtrent op verzoek van de belanghebbende de onder punt 1.15 genoemde getuigen gehoord. Al deze getuigen hebben evenwel – kort gezegd – verklaard dat de door de belanghebbende bedoelde vaststellingsovereenkomst weliswaar door een ambtenaar van de belastingdienst is opgesteld, doch dat deze overeenkomst niet door de belanghebbende en zijn echtgenote is ondertekend. Het gerechtshof is dan ook van oordeel dat – nu de belanghebbende hieromtrent overigens geen bewijs heeft geleverd – niet kan worden gezegd dat de vaststellingsovereenkomst daadwerkelijk tot stand is gekomen. Het gerechtshof acht de inspecteur dan ook niet gebonden aan de in de opgestelde vaststellingsovereenkomst opgenomen afspraken. Aan dit oordeel doet niet af dat het stranden van de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst wellicht is te wijten aan de omstandigheid dat steeds andere ambtenaren van de belastingdienst bij de belastingzaken van de belanghebbende en zijn echtgenote waren betrokken.

4.10. De belanghebbende heeft in zijn op 4 juni 2004 bij het gerechtshof ingekomen brief het gerechtshof verzocht om – naast de onder punt 1.15 genoemde getuigen – ook de heer H te horen als getuige. De heer H, die optrad namens de ontvanger van de belastingdienst, heeft – naar de belanghebbende ter zitting van 2 juni 2005 heeft verklaard – met de belanghebbende afspraken gemaakt omtrent de termijn waarbinnen en de volgorde waarin de belanghebbende de aangiften voor de jaren 1994 tot en met 1996 zou doen. Het gerechtshof acht deze afspraken – wat daar ook van zij – evenwel voor de beantwoording van de onder punt 3.1 bedoelde vraag geenszins relevant. Derhalve passeert het gerechtshof belanghebbendes bewijsaanbod om de heer H te horen.

4.11. Verder heeft de belanghebbende in zijn op 4 juni 2004 bij het gerechtshof ingekomen brief het gerechtshof verzocht om de heer I te horen als getuige. De heer I heeft – naar de belanghebbende ter zitting van 2 juni 2005 heeft verklaard – in de jaren 1995 en 1996 een controle ingesteld bij twee B.V.’s, waarvan de belanghebbende aandeelhouder was. De belanghebbende heeft naar het oordeel van het gerechtshof evenwel niet duidelijk gemaakt om welke reden hetgeen bij deze controle is voorgevallen – de heer I zou volgens de belanghebbende bewijsmateriaal hebben kwijt gemaakt – bij de beantwoording van de onder punt 3.1 bedoelde vraag van betekenis zou kunnen zijn. Het gerechtshof gaat derhalve voorbij aan belanghebbendes bewijsaanbod om de heer I te horen. Overigens heeft de belanghebbende geen getuigen (meer) aangedragen. Hierbij merkt het gerechtshof op dat de belanghebbende ter zitting van 2 juni 2005 zijn verzoek om de heer J te horen als getuige heeft ingetrokken.

4.12. Voor zover de belanghebbende heeft verzocht om een middelingsteruggaaf, overweegt het gerechtshof dat dit verzoek in deze procedure niet aan de orde kan komen. De inspecteur dient namelijk ex artikel 66a, achtste lid, van de Wet eerst bij een voor bezwaar vatbare beschikking te beslissen op dit verzoek. Tegen deze beschikking kunnen vervolgens rechtsmiddelen worden aangewend. Het gerechtshof merkt op dat voor zover de inspecteur nog geen beslissing heeft genomen op belanghebbende verzoek om een middelingsteruggaaf, hij dit alsnog zal moeten doen.

4.13. Ook overigens heeft de belanghebbende geen feiten en omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt die tot een vermindering van het door de inspecteur vastgestelde belastbare inkomen zouden moeten leiden. Het gerechtshof merkt op dat nu geen sprake is van een negatief inkomen, de inspecteur voor het jaar 1998 terecht geen verliesbeschikking heeft genomen.

4.14. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat belanghebbendes beroep inhoudelijk gezien geen doel treft. Het onder punt 4.1 overwogene brengt evenwel mee dat het beroep gegrond zal worden verklaard.

5. De proceskosten

In de omstandigheden van het geval vindt het gerechtshof aan-lei-ding op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht de inspecteur te veroordelen in de kos-ten die de belang-hebbende in verband met de behande-ling van het beroep redelij-kerwijs heeft moeten maken. Op grond van het Besluit proces-kosten bestuursrecht bepaalt het gerechtshof de door de belanghebbende voor de twee zittingen gemaakte reis- en verblijfkosten op een bedrag van € 11,--. Rekeninghoudend met de omstandigheid dat gezamenlijk met de onderhavige zaak, ter gehouden zittingen zijn behandeld de onder punt 1.6 genoemde zaken van de belanghebbende en zijn echtgenote en in totaal een zevental zaken gegrond zijn verklaard, bepaalt het gerechtshof de in deze zaak door de inspecteur aan de belanghebbende te betalen proceskosten op een bedrag van (afgerond) € 2,--. Deze kosten dienen te worden gedragen door de Staat der Nederlanden.

6. De beslissing

Het gerechtshof

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraken, waarvan beroep;

verklaart de belanghebbende ontvankelijk in zijn bezwaar;

handhaaft de aanslag IB/PV voor het jaar 1998, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 12.875,--;

gelast dat de Staat der Nederlanden het door de belanghebbende betaalde griffierecht ad € 31,-- aan hem vergoedt;

veroordeelt de inspecteur tot betaling aan de belanghebbende van een tegemoetkoming in de proceskosten ten bedrage van € 2,--, en

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die deze kosten dient te dragen.

Aldus vastgesteld op 22 juli 2005 door mr. G.M. van der Meer, raadsheer, en op die dag in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden door voornoemde raadsheer in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Hiemstra en ondertekend door voornoemde raadsheer en voornoemde griffier.

Op 22 juli 2005 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.