Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AT9782

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-07-2005
Datum publicatie
22-07-2005
Zaaknummer
BK 298/03 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbendes bezwaren bij de uitspraken op zijn – door de inspecteur als zodanig aangemerkt – bezwaarschriften terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-1456

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 298/03 22 juli 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, zesde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z (: de belanghebbende) tegen de uitspraken van de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Noord (hierna: de inspecteur), gedaan op de bezwaarschriften van de belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (: IB/PV) voor het jaar 1994.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan de belanghebbende is voor het jaar 1994 een aanslag IB/PV opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 17.961,--.

1.2. Bij de op 3 augustus 2001 gedagtekende uitspraak op het tegen deze aanslag ingediende bezwaar van 27 januari 1998 heeft de inspecteur de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 5.000,--.

1.3. Op 28 december 2001, 12 januari 2002, 21 april 2002 en 2 mei 2002 heeft de inspecteur van de belanghebbende brieven, waarin hij bezwaar maakt tegen onder punt 1.1 bedoelde aanslag, ontvangen. De inspecteur heeft deze brieven als bezwaarschriften aangemerkt en heeft bij een viertal op 24 maart 2003 gedagtekende uitspraken deze bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.

1.4. De belanghebbende is tegen de onder punt 1.3 bedoelde uitspraken in beroep gekomen bij een pro forma beroepschrift, dat op 28 maart 2003 bij het gerechtshof is ingekomen. Bij brieven (met bijlagen), ingekomen bij het gerechtshof op 15 april 2003 en 29 april 2003, heeft de belanghebbende zijn beroepschrift voorzien van de gronden van het beroep.

1.5. Van de inspecteur heeft het gerechtshof op 10 juni 2003 een verweerschrift (met bijlagen) ontvangen.

1.6. Op 10 juli 2003 is een brief (met bijlagen) van de belanghebbende bij het gerechtshof ingekomen. Op 15 juli 2003 is een van de belanghebbende afkomstige brief aangaande middeling bij het gerechtshof ingekomen.

1.7. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof op 7 mei 2004, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de belanghebbende alsmede namens de inspecteur drs. A. Ter zitting zijn gezamenlijk met de onderhavige zaak behandeld belanghebbendes zaken met de kenmerken BK 299/03, BK 300/03, BK 301/03, BK 302/03, BK 437/03, BK 438/03 en BK 271/03 alsmede de zaken van belanghebbendes echtgenote met de kenmerken BK 593/03 en 760/03.

1.8. Ter voormelde zitting heeft de belanghebbende zonder bezwaar van de zijde van de inspecteur een afschrift van een brief d.d. 16 februari 2004 van de inspecteur betreffende het bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PV 2001 overgelegd.

1.9. De voorzitter heeft het onderzoek ter voormelde zitting geschorst teneinde partijen schriftelijk te verzoeken gegevens te verstrekken naar aanleiding van de op de zitting naar voren gekomen vragen alsmede eventueel na de zitting bij het hof opgekomen vragen.

1.10. Op 11 mei 2004 en op 17 mei 2004 zijn bij het gerechtshof brieven (met bijlagen) van de belanghebbende ingekomen. Bij deze brieven heeft de belanghebbende onder meer het gerechtshof verzocht om meer dan zestig getuigen te horen.

1.11. Bij brieven (met bijlagen) van 18 mei 2004 heeft het gerechtshof partijen verzocht de in een bijlage bij die brieven gevraagde gegevens te verstrekken. In de aan de belanghebbende gerichte brief heeft het gerechtshof de belanghebbende erop gewezen dat hij zijn verzoek tot het horen van getuigen dient te specificeren.

1.12. Van de belanghebbende is vervolgens op 4 juni 2004 een brief (met bijlagen) ingekomen. Bij deze brief heeft hij zijn verzoek tot het horen van getuigen beperkt tot het horen van een zevental getuigen. Tevens heeft de belanghebbende op 9 juni 2004 een brief (met bijlagen) bij het gerechtshof ingediend.

1.13. Op 24 juni 2004 is van de inspecteur een schriftelijke reactie (met bijlagen) bij het gerechtshof ingekomen.

1.14. Op 6 juli 2004 heeft het gerechtshof van de belanghebbende een brief (met bijlagen) ontvangen. Verder heeft het gerechtshof op 20 september 2004 een brief, op 28 september 2004 een brief met bijlage en op 1 oktober 2004 een brief van de belanghebbende ontvangen.

1.15. Op 21 april 2005 heeft de belanghebbende naar aanleiding van de uitnodiging voor de op 26 mei 2005 te houden zitting bij gerechtshof een brief ingediend, waarin hij onder meer aangeeft op die dag niet ter zitting aanwezig te kunnen zijn. Het gerechtshof heeft vervolgens deze zitting verplaatst naar 2 juni 2005.

1.16. Ter zitting van 2 juni 2005, gehouden te Leeuwarden heeft een getuigenverhoor alsmede een nadere mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Ter zitting zijn wederom gezamenlijk met de onderhavige zaak behandeld de onder punt 1.7 genoemde zaken van de belanghebbende en zijn echtgenote. Ter zitting zijn verschenen de belanghebbende, bijgestaan door de heer B alsmede namens de inspecteur drs. A en mr. C. Verder zijn verschenen en gehoord de door het gerechtshof opgeroepen getuigen de heren D, E, F en G. De verklaringen van de getuigen zijn ter zitting op schrift gesteld en aan de getuigen voorgelezen. De getuigen hebben de verklaringen ter zitting ondertekend. De voorzitter heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

1.17. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1. Met dagtekening 31 januari 1998 heeft de inspecteur aan de belanghebbende voor het jaar 1994 een aanslag IB/PV opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 17.961,--.

2.2. Op het op 27 januari 1998 gedagtekende bezwaarschrift van de belanghebbende heeft de inspecteur bij de op 3 augustus 2001 gedagtekende uitspraak op dit bezwaarschrift de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 5.000,--.

2.3. Van de belanghebbende heeft de inspecteur op 28 december 2001, op 12 januari 2002, op 21 april 2002 en op 2 mei 2002 brieven ontvangen, waarin de belanghebbende (wederom) bezwaar maakt tegen de onder punt 2.1 bedoelde aanslag. De inspecteur heeft deze brieven als bezwaarschriften aangemerkt.

2.4. Bij een viertal uitspraken van 24 maart 2003 op de onder punt 2.3 bedoelde – door hem als zodanig aangemerkte – bezwaarschriften heeft de inspecteur belanghebbendes bezwaren wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbendes bezwaren bij de uitspraken op zijn – door de inspecteur als zodanig aangemerkt – bezwaarschriften terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. Verder is in geschil het antwoord op de vraag of het door de inspecteur vastgestelde belastbare inkomen dient te worden verminderd.

3.2. De belanghebbende beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de tweede vraag bevestigend. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

3.3. Voor een uitvoerige weergave van de standpunten van partijen en de gronden waarop deze berusten verwijst het gerechtshof naar de gedingstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1. Ingevolge de artikelen 6:7 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (: Awb) juncto de artikelen 26 en 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan tegen een uitspraak van de inspecteur binnen zes weken na dagtekening van die uitspraak beroep worden ingesteld bij het gerechtshof. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

4.2. Nu belanghebbendes beroepschrift is gericht tegen de onder punt 2.4 bedoelde op 24 maart 2003 gedagtekende uitspraken van de inspecteur, dit beroepschrift op 28 maart 2003 – dus binnen de onder punt 4.1 bedoelde beroepstermijn – bij het gerechtshof is ingekomen en dit beroepschrift (gezien de aanvullingen daarop) voldoet aan de in artikel 6:5 genoemde vereisten, acht het gerechtshof belanghebbende ontvankelijk in zijn beroep gericht tegen de op 24 maart 2003 gedagtekende uitspraken.

4.3. Met betrekking tot de vier op 24 maart 2003 gedagtekende uitspraken op de onder punt 2.3 bedoelde – door de inspecteur als zodanig aangemerkte – bezwaarschriften overweegt het gerechtshof dat deze uitspraken ten onrechte zijn gedaan. Immers, de inspecteur had reeds (zie punt 2.2) op 3 augustus 2001 uitspraak gedaan op een door de belanghebbende tegen de onderhavige aanslag ingediend bezwaarschrift. Daarna kon de belanghebbende verder slechts door middel van beroep zijn bezwaren doen gelden. De inspecteur had de onder punt 2.3 bedoelde brieven ingevolge artikel 6:15 van de Awb derhalve zo spoedig mogelijk moeten doorzenden aan het gerechtshof, waarna het gerechtshof deze als beroepschrift en als aanvullingen daarop in behandeling had dienen te nemen (zie HR 2 april 2004, nr. 38 123). Nu de inspecteur niet had mogen overgaan tot het doen van de uitspraken van 24 maart 2003, dienen deze uitspraken naar het oordeel van het gerechtshof te worden vernietigd.

4.4. Het gerechtshof vat het beroep vervolgens op alsof het gericht is tegen de uitspraak van 3 augustus 2001. Alsdan eindigde de onder punt 4.1 bedoelde beroepstermijn op 14 september 2001. Er vanuit gaande dat de bij de inspecteur op 28 december 2001 ingekomen brief als een beroepschrift dient te worden aangemerkt en de andere onder punt 2.3 bedoelde brieven als aanvullingen daarop, overweegt het gerechtshof dat, nu al deze brieven eerst ruim na het verstrijken van de beroepstermijn bij de inspecteur zijn ingekomen, deze – als beroepschrift en aanvullingen daarop te beschouwen – brieven niet kunnen worden geacht tijdig te zijn ingediend bij het gerechtshof. Het gerechtshof overweegt verder dat tot de gedingstukken geen brieven van de belanghebbende behoren die binnen de beroepstermijn bij de inspecteur of het gerechtshof zijn ingediend én die bezwaren bevatten gericht tegen de uitspraak van 3 augustus 2001 dan wel de onderhavige aanslag. De belanghebbende heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van dergelijke brieven. Het gerechtshof overweegt dan ook dat de belanghebbende niet binnen de wettelijke beroepstermijn een beroepschrift heeft ingediend tegen de uitspraak van 3 augustus 2001.

4.5. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De belanghebbende heeft naar het oordeel van het gerechtshof evenwel geen feiten en omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt die zouden kunnen leiden tot een dergelijk oordeel. Hierbij merkt het gerechtshof op dat de omstandigheid dat – zoals de belanghebbende heeft gesteld – de belanghebbende reeds vanaf 1997 in overleg is met de inspecteur geen opschorting van de wettelijke bezwaar- of beroepstermijn meebrengt.

4.6. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de uitspraken van 24 maart 2003 dienen te worden vernietigd. In zoverre is het beroep van de belanghebbende gegrond. Voor zover het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur van 3 augustus 2001 dient het beroep wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk te worden verklaard. Het gerechtshof komt derhalve niet toe aan de beoordeling van de inhoudelijke geschilpunten in deze zaak.

5. De proceskosten

In de omstandigheden van het geval vindt het gerechtshof aan-lei-ding op grond van artikel 8:75 van de Awb de inspecteur te veroordelen in de kos-ten die de belang-hebbende in verband met de behande-ling van het beroep redelij-kerwijs heeft moeten maken. Op grond van het Besluit proces-kosten bestuursrecht bepaalt het gerechtshof de door de belanghebbende voor de twee zittingen gemaakte reis- en verblijfkosten op een bedrag van € 11,--. Rekeninghoudend met de omstandigheid dat gezamenlijk met de onderhavige zaak, ter gehouden zittingen zijn behandeld de onder punt 1.7 genoemde zaken van de belanghebbende en zijn echtgenote en in totaal een zevental zaken gegrond zijn verklaard, bepaalt het gerechtshof de in deze zaak door de inspecteur aan de belanghebbende te betalen proceskosten op een bedrag van (afgerond) € 2,--. Deze kosten dienen te worden gedragen door de Staat der Nederlanden.

6. De beslissing

Het gerechtshof

verklaart het beroep gegrond voor zover het is gericht tegen de uitspraken van 24 maart 2003;

vernietigt de uitspraken van 24 maart 2003, waarvan beroep;

gelast dat de Staat der Nederlanden het door de belanghebbende betaalde griffierecht ad € 31,-- aan hem vergoedt;

veroordeelt de inspecteur tot betaling aan de belanghebbende van een tegemoetkoming in de proceskosten ten bedrage van € 2,--;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die deze kosten dient te dragen;

verklaart het beroep voor zover het is gericht tegen de uitspraak van 3 augustus 2001 niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld op 22 juli 2005 door mr. G.M. van der Meer, raadsheer, en op die dag in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden door voornoemde raadsheer in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Hiemstra en ondertekend door voornoemde raadsheer en voornoemde griffier.

Op 22 juli 2005 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.