Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AT9479

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
13-07-2005
Datum publicatie
18-07-2005
Zaaknummer
Rolnummer 0500311
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De grief ziet er aan voorbij dat het tot de discretionaire bevoegdheid van de rechter behoort om de vaststaande feiten die hij voor zijn beslissing van belang acht te selecteren. Niettemin zal het hof, in aanvulling op de door de voorzieningenrechter vastgestelde feiten ook als vaststaand aannemen dat de onder 1.4 van de vaststaande feiten bedoelde brief van de gemeente Dongeradeel aan [bouwbedrijf 1] aan het slot de volgende passage bevat:

"Het plan voor woningbouw aan de Elbasterwei past op dit moment niet in het geldende bestemmingsplan, past niet in het toekomstige beleid van de gemeente zoals verwoord in het Structuurplan, past niet binnen de reeds ingezette herstructurering van Holwerd en tevens zijn er geen wooncontingenten over of gereserveerd voor Holwerd."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 13 juli 2005

Rolnummer 0500311

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. De Friese Onroerend Goed Maatschappij B.V.,

gevestigd te Leeuwarden,

2. [appellant 2],

gevestigd te [vestigingsplaats],

3. [appellant 3],

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellanten in de hoofdzaak en eisers in het incident,

in eerste aanleg: gedaagden in de hoofdzaak,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

procureur: mr M.D. Kalmijn,

tegen

1. [appellant 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

3. [appellant 3],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden in de hoofdzaak, verweerders in het incident,

in eerste aanleg: eisers in de hoofdzaak,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

procureur: mr P. Tuinman.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 8 juni 2005 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 10 juni 2005, welk exploot tevens de grieven bevat, is door [appellanten] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerden] tegen de zitting van 15 juni 2005. De grieven zijn in de appeldagvaarding opgenomen. Ter zitting hebben [appellanten] mondeling geconcludeerd voor eis en tevens een incidentele conclusie ex artikel 351 Rv. genomen.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt:

"bij arrest uitvoerbaar bij voorraad:

1. deze procedure te behandelen als een spoedappèl in kort geding;

2. te vernietigen het vonnis op 8 juni 2005 door de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Leeuwarden in voorlopige voorziening gewezen en opnieuw rechtdoende de vorderingen van geïntimeerden alsnog af te wijzen, zonodig onder aanvulling of verbetering van gronden;

3 met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide procedures."

De conclusie van de incidentele conclusie luidt:

"uitvoerbaar bij voorraad, om de in het vonnis d.d. 8 juni 2005 te schorsen danwel de daarin opgenomen uitvoerbaar bij voorraad verklaring danwel het daarin opgenomen verbeuren de dwangsommen tot het moment dat door Uw Hof terzake eindarrest gewezen wordt in de spoedappel danwel te bepalen dat geïntimeerden bij transport zekerheid dienen te stellen voor het bedrag van de koopsom aan appellanten, met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van het incident."

[geïntimeerden] heeft een memorie van antwoord in het incident en in de hoofdzaak genomen. De conclusie van de antwoordmemorie in het incident luidt:

"Op grond van het vorenstaande dienen appellanten in hun incidentele vordering niet-ontvankelijk verklaard te worden althans deze dient afgewezen te worden met veroordeling van appellanten in de kosten van het incident."

De conclusie van de antwoordmemorie in de hoofdzaak luidt:

"appellanten niet-ontvankelijk te verklaren althans de vordering in hoger beroep af te wijzen met veroordeling van appellanten bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het hoger beroep."

Tenslotte heeft [geïntimeerden] de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest, zowel in het incident als in de hoofdzaak.

De grieven

[appellanten] hebben vier grieven opgeworpen.

De beoordeling in de hoofdzaak

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten onder overweging 1 (1.1 t/m 1.9) is, behoudens het gesteld in grief II, geen grief ontwikkeld, zodat ook het hof van die feiten uit zal gaan, zulks met in acht neming van hetgeen hierna ten aanzien van grief II zal worden overwogen.

Met betrekking tot grief I:

2. De grief betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft aangenomen dat de vorderingen, voor zover ingesteld tegen de besloten vennootschap De Friese Onroerend Goed Maatschappij BV, ontvankelijk zijn.

3. Het hof stelt in dit verband het volgende vast: In de aanhef van de (voorlopige) koopovereenkomst in kwestie zijn als gezamenlijke kopers de volgende partijen aangeduid:

"2. de besloten vennootschap De Friese Onroerend Goed Maatschappij BV, danwel haar 100 % dochter de besloten vennootschap [appellant 2] te [vestigingsplaats], te dezer zake rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar directeur [directeur appellant 2],

3. de besloten vennootschap [appellant 3] te [vestigingsplaats], hier rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar directeur [directeur appellant 3] te [vestigingsplaats]."

De betreffende overeenkomst is vervolgens zijdens kopers getekend door [directeur appellant 3] onder vermelding [appellant 3] en door [directeur appellant 2], onder vermelding [appellant 2].

4. Duidelijk is derhalve dat De Friese Onroerend Goed Maatschappij B.V. danwel haar 100 % dochter de besloten vennootschap [appellant 2] (verder kortweg aan te duiden als [appellant 2]), met [appellant 3] als koper heeft te gelden, zonder dat terzake van de eerste twee in de koopovereenkomst een duidelijke keuze is gemaakt. Nu ook nadien van een duidelijke keuze voor [appellant 2] niet is gebleken, mocht en mag [geïntimeerden] deze beide partijen voorshands (naast [appellant 3]) als haar wederpartij beschouwen. Dat [directeur appellant 2] de betreffende overeenkomst enkel heeft ondertekend onder de vermelding [appellant 2] doet aan het vorenoverwogene niet af, nu bedoelde mevrouw in de aanhef van de overeenkomst duidelijk wordt gepresenteerd als de rechtsgeldige vertegenwoordigster van zowel [appellant 2] als de Friese Onroerend Goed Maatschappij BV, hetwelk - gegeven het feit dat zowel De Friese Onroerend Goed Maatschappij B.V. als [appellant 2] dezelfde bestuurder hebben, te weten [derde onderneming] (zie de door [geïntimeerden] in eerste aanleg tijdens de mondelinge behandeling overgelegde uittreksels uit het handelsregister) - tenminste de schijn van volmacht oproept (zie lid 2 van artikel 3:61 BW).

5. De grief is derhalve vergeefs voorgedragen.

Met betrekking tot grief II:

6. De grief ziet er aan voorbij dat het tot de discretionaire bevoegdheid van de rechter behoort om de vaststaande feiten die hij voor zijn beslissing van belang acht te selecteren. Niettemin zal het hof, in aanvulling op de door de voorzieningenrechter vastgestelde feiten ook als vaststaand aannemen dat de onder 1.4 van de vaststaande feiten bedoelde brief van de gemeente Dongeradeel aan [bouwbedrijf 1] aan het slot de volgende passage bevat:

"Het plan voor woningbouw aan de Elbasterwei past op dit moment niet in het geldende bestemmingsplan, past niet in het toekomstige beleid van de gemeente zoals verwoord in het Structuurplan, past niet binnen de reeds ingezette herstructurering van Holwerd en tevens zijn er geen wooncontingenten over of gereserveerd voor Holwerd."

7. Hieronder zal nader worden ingegaan op de consequenties van een en ander.

Met betrekking tot de overige grieven:

8. Door de inhoud van deze grieven wordt het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof onderworpen. Het hof zal de grieven daarom gezamenlijk behandelen.

9. Het hof leest in de grieven en in de daarop gegeven toelichting geen andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en door de voorzieningenrechter gemotiveerd verworpen. Het hof onderschrijft hetgeen de voorzieningenrechter ter motivering van haar beslissing heeft overwogen en neemt die motivering over. Ter toelichting voegt het hof daar nog het volgende aan toe.

10. Het hof onderstreept dat in confesso is (zie het beroepen vonnis onder 2.5) dat voor het sluiten van de koopovereenkomst aan [appellanten] bekend was dat de gemeente naar alle waarschijnlijkheid tot 2010 geen woningbouw zou toestaan op de betreffende percelen.

11. Anders dan [appellanten] in appel betogen, kan uit het bepaalde in artikel 11 van de tussen partijen gesloten (voorlopige) koopovereenkomst niet (à contrario) worden afgeleid dat het [appellanten] was verboden om voor een ieder toegankelijke informatie omtrent de geldende bestemming e.d. op te vragen. De betreffende bepaling bepaalt enkel dat eerst na de datum van ondertekening van die koopovereenkomst met de gemeente en overige overheden in overleg mocht worden getreden omtrent wijziging van de bestemming.

12. De slotoverweging in de brief van de gemeente Dongeradeel aan [bouwbedrijf 1] (zie hiervoor onder rechtsoverweging 6) geeft geenszins uitsluitsel over de situatie na 2010. De betreffende overweging geeft - naar het voorlopig oordeel van het hof - slechts de visie van de gemeente op het moment van het schrijven van bedoelde brief (24 juni 2004) weer. Dat ter plekke nimmer woningbouw zal worden toegestaan kan uit de brief niet worden opgemaakt, nog daargelaten dat te zijner tijd een dan zittend gemeentebestuur natuurlijk een heel andere mening kan hebben dan het thans zittende gemeentebestuur. Het hof voegt hier ten overvloede nog aan toe dat uit het bepaalde in artikel 10 van de (voorlopige) koopovereenkomst ( "Indien op vorenvermelde percelen woningen worden gerealiseerd dan zal aan verkoper per woning een bedrag van Euro 1.000,-- per gerealiseerde en verkochte woning worden uitbetaald met een minimum van Euro 50.000,--") blijkt dat partijen er bij het sluiten van de koopovereenkomst bepaald niet van uit zijn gegaan dat op enig moment in de toekomst met zekerheid woningbouw op de betreffende locatie zou kunnen worden gerealiseerd.

De slotsom.

13. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellanten] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (salaris procureur: 1 punt tarief II).

De beoordeling in het incident

14. Hetgeen hiervoor met betrekking tot de hoofdzaak is overwogen impliceert dat de incidentele vordering tot schorsing van uitvoerbaar verklaring bij voorraad van de door de voorzieningenrechter gegeven voorzieningen moet worden afgewezen.

15. [appellanten] zullen, als de in het incident in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van het incident (salaris procureur: 1/2 punt tarief 1).

De beslissing

Het gerechtshof:

in het incident:

wijst de incidentele vordering af;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het incident en begroot die aan de zijde van [geïntimeerden] tot aan deze uitspraak op nihil aan verschotten en € 316,-- aan salaris voor de procureur;

in de hoofdzaak:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerden] tot aan deze uitspraak op Euro 5.731,00 aan verschotten en Euro 894,-- aan salaris voor de procureur;

in de hoofdzaak en in het incident:

verklaart dit arrest, voor wat de kostenveroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs Mollema, voorzitter, Bax-Stegenga en Meijeringh, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 13 juli 2005.