Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AT9466

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
13-07-2005
Datum publicatie
18-07-2005
Zaaknummer
Rolnummer 0500227
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De bodemrechter heeft inmiddels bij beschikking d.d. 25 mei 2005 de uitvoering van de "huidige" omgangsregeling opgeschort, in afwachting van een door de Raad voor de Kinderbescherming in te stellen (nieuw) onderzoek. Waar de betreffende beschikking met geen woord rept over het kort geding vonnis van 23 maart 2005, is niet duidelijk welke omgangsregeling de bodemrechter in het dictum van haar beslissing op het oog heeft: de door het kort geding voorshands opzij gezette omgangsregeling of de krachtens het kort geding voorshands geldende omgangsregeling ? Wat daarvan ook zij, duidelijk is dat tijdens de behandeling van het wijzigingsverzoek op 9 mei 2005 door de bodemrechter is aangegeven dat er voorlopig - in afwachting van de resultaten van het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming en de daarna te geven eindbeschikking van de rechtbank - geen omgangsregeling zal zijn. [geïntimeerde] heeft daarbij aangegeven dat hij vanaf 9 mei 2005 geen aanspraak meer zal maken op enige dwangsommen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 13 juli 2005

Rolnummer 0500227

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellante],

toevoeging aangevraagd,

procureur: mr J.V. van Ophem,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

toevoeging,

procureur: mr P.R. van den Elst.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken in kort geding op 23 maart 2005 door de rechtbank Assen, hierna te noemen: de voorzieningenrechter.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 18 april 2005 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 4 mei 2005.

De grieven zijn in de dagvaarding in hoger beroep opgenomen. Het petitum van die dagvaarding luidt:

"Bij arrest van uw Hof, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, het vonnis van de voorzieningenrechter te Assen d.d. 23 maart 20005, gewezen onder zaak/rolnummer 50648 / KG ZA 05-29 tussen appellante als gedaagde en geïntimeerde als eiser, te vernietigen en opnieuw zelf recht doende bij arrest:

1. Geïntimeerde alsnog in zijn vorderingen niet ontvankelijk te verklaren, althans deze vorderingen aan hem te ontzeggen, althans het vonnis te wijzigen in die zin dat de opgelegde dwangsommen worden opgeheven, althans dat de verschuldigdheid van de dwangsommen worden opgeschort totdat definitief is beslist op het verzoek tot stopzetten van de omgangsregeling, althans zodanig te bepalen als uw Hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

2. Geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide instanties.

Voorts heb ik, deurwaarder, op datum, ten verzoeke van en sprekende met en afschrift dezes latende als is vermeld met domiciliekeuze als boven aan geïntimeerde aangezegd, dat bij zijn verschijning ter terechtzitting bij uw Hof te zijne laste een vast griffierecht van Euro 193,- zal worden geheven, doch dat aan on- en minvermogenden vermindering van het vastrecht kan worden verleend na overlegging aan de griffier van een verklaring van inkomen en vermogen, af te geven door de burgemeester van de gemeente van de woonplaats van gedaagde.

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"het vonnis van de voorzieningenrechter te Assen d.d. 23 maart 2005, gewezen onder zaak/rolnummer 50648 / KG ZA 05-29, zonodig met verbetering en/of aanvulling van gronden te bekrachtigen, zulks met compensering van de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellante] heeft vijf grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten onder 1 (1.1 en 1.2) van het beroepen vonnis is geen grief ontwikkeld, zodat ook het hof van die feiten uit zal gaan.

Met betrekking tot grief 1:

2. De grief betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte voorbij is gegaan aan het feit dat partijen zijn overeengekomen dat de bij beschikking van 26 augustus 2004 door de rechtbank Groningen vastgestelde omgangsregeling niet zal worden uitgevoerd.

3. De grief mist feitelijke grondslag nu de voorzieningenrechter de betreffende stelling van [appellante] gemotiveerd heeft gepasseerd (overweging 2.4 van het beroepen vonnis). [geïntimeerde] heeft ook in hoger beroep de totstandkoming van de overeenkomst, waarop [appellante] in de grief doelt, betwist. Het hof stelt vast dat van het bestaan van een dergelijke overeenkomst noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep enig bewijs is bijgebracht en dat terzake geen bewijsaanbod voorligt, nog daargelaten dat uitgebreide bewijslevering het kader van een kort geding procedure te buiten gaat. Daarbij zij aangetekend dat het gegeven dat tijdelijk geen uitvoering is gegeven aan de omgangsregeling de stelling van [appellante] geenszins onderbouwt, nu [geïntimeerde] immers - vanwege detentie - tijdelijk de omgangsregeling feitelijk niet kon nakomen. Ook het hof zal derhalve voorshands aan de betreffende stelling van [appellante] voorbij hebben te gaan, hetgeen impliceert dat de grief faalt.

Met betrekking tot grief 2:

4. De grief houdt in dat de voorzieningenrechter ten onrechte voorbij is gegaan aan het feit dat [appellante] reeds een verzoek tot wijziging van de beschikking van 26 augustus 2004 van de rechtbank Groningen had ingediend.

5. Ook deze grief mist feitelijke grondslag nu de voorzieningenrechter met zoveel woorden heeft overwogen dat zij, in afwachting van de nadere bodemprocedure, de door haar in de bestreden beslissing vastgestelde omgangsregeling in het belang van het minderjarige kind van partijen acht. In zoverre faalt de grief.

6. Het hof zal de inhoudelijke kant van de grief behandelen tezamen met de grieven 3 tot en met 5.

Met betrekking tot grief 2 (overigens) en de grieven 3,4 en 5:

7. De grieven hebben de kennelijke strekking de bestreden voorziening en hetgeen daaraan door de voorzieningenrechter ten grondslag is gelegd, in volle omvang aan het oordeel van het hof te onderwerpen. Het hof zal de grieven daarom gezamenlijk behandelen.

8. Het hof leest in hetgeen [appellante] in de grieven heeft aangevoerd geen andere stellingen en verweren dan dewelke reeds in eerste aanleg door haar waren aangevoerd.

9. De voorzieningenrechter heeft in het beroepen kort geding vonnis duidelijk en gemotiveerd aangegeven op grond waarvan zij de stellingen en verweren van [appellante] heeft verworpen en de gevorderde voorzieningen heeft bevolen. Daarbij heeft de voorzienigenrechter terecht het belang van het minderjarige kind van partijen tot uitgangspunt gemaakt. Het hof verenigt zich met deze overwegingen en neemt die hierbij over.

10. De bodemrechter heeft inmiddels bij beschikking d.d. 25 mei 2005 de uitvoering van de "huidige" omgangsregeling opgeschort, in afwachting van een door de Raad voor de Kinderbescherming in te stellen (nieuw) onderzoek. Waar de betreffende beschikking met geen woord rept over het kort geding vonnis van 23 maart 2005, is niet duidelijk welke omgangsregeling de bodemrechter in het dictum van haar beslissing op het oog heeft: de door het kort geding voorshands opzij gezette omgangsregeling of de krachtens het kort geding voorshands geldende omgangsregeling ? Wat daarvan ook zij, duidelijk is dat tijdens de behandeling van het wijzigingsverzoek op 9 mei 2005 door de bodemrechter is aangegeven dat er voorlopig - in afwachting van de resultaten van het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming en de daarna te geven eindbeschikking van de rechtbank - geen omgangsregeling zal zijn. [geïntimeerde] heeft daarbij aangegeven dat hij vanaf 9 mei 2005 geen aanspraak meer zal maken op enige dwangsommen.

11. In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen heeft [geïntimeerde] geen belang (meer) bij de gevraagde voorziening voorzover die de periode na 25 mei 2005 betreft.

12. De grieven zijn vergeefs voorgesteld. Slechts de inmiddels door de rechtbank Assen gegeven beschikking d.d. 25 mei 2005 brengt mede dat het beroepen vonnis niet onverkort kan worden bekrachtigd.

13. Nu partijen een affectieve relatie hebben gehad waaruit het minderjarige kind in kwestie is geboren, zullen de kosten worden gecompenseerd, zoals hieronder nader zal worden aangegeven.

Beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het kort geding vonnis waarvan beroep, voor wat betreft het in het dictum onder 1 en 2 bepaalde aangaande de periode tot 25 mei 2005 en vernietigt bedoeld vonnis dienaangaande voorzover het betreft de periode na 25 mei 2005;

wijst de gevorderde voorzieningen voor wat betreft de periode na 25 mei 2005 af;

bekrachtigt het kortgeding vonnis waarvan beroep voor het overige;

belast ieder der partijen met de eigen kosten van de procedure in hoger beroep

Aldus gewezen door mrs Mollema, voorzitter, Meijeringh en Breemhaar, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 13 juli 2005.