Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AT9454

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
13-07-2005
Datum publicatie
18-07-2005
Zaaknummer
Rolnummer 0200197
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof neemt tot uitgangspunt dat - bijzondere omstandigheden daargelaten - bij de begroting van de winst een integrale kostprijsberekeningsmethodiek dient te worden gehanteerd, waarbij de vaste kosten naar rato worden toegerekend. Het gaat bij de toepassing van art. 27a Auteurswet om afdracht van als gevolg van de inbreuk reëel genoten winst - welke winst aan de hand van objectieve maatstaven dient te worden begroot - doch niet om méér dan dat. Dit houdt in dat art. 27a Auteurswet geen grondslag biedt voor het ten voordele van de rechthebbende op het auteursrecht brengen van de inbreukmaker in een vermogensrechtelijke toestand die slechter is dan die waarin elke inbreuk achterwege zou zijn gebleven. Daar komt in het onderhavige geval bij dat van een bijzondere omstandigheid als bovenbedoeld geen sprake is en mitsdien voor het hanteren van een variabele berekeningsmethodiek geen plaats is, nu na afroming van de winst aan de hand van de integrale kostprijsberekeningsmethodiek niet aantoonbaar een voordeel voor [geïntimeerde] als inbreukmaker overblijft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 13 juli 2005

Rolnummer 0200197

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr V.M.J. Both,

tegen

[geïntimeerde],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde in het principaal en appellante in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr M. van Beelen.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 7 april 1999, 14 februari 2001 en 13 februari 2002 door de rechtbank te Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 8 mei 2002 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 13 februari 2002 met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 22 mei 2002.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt:

"het vonnis van de Rechtbank te Leeuwarden van 13 februari 2002, waarvan hierbij beroep is ingesteld, te vernietigen en, opnieuw recht doende, bij arrest, uitvoerbaar verklaard bij voorraad;

a. geïntimeerde te veroordelen om aan appellant ten titel van schadevergoeding de somma van fl. 3.525,-- ofwel Euro 1.599,58 betalen, althans een door het Gerechtshof ex aeqo et bono te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente sedert 2 maart 1994 (de dag dat appellant geïntimeerde in verzuim stelde), althans vanaf 17 juli 1997 (de dag waarop appellants procureur geïntimeerde tot betaling sommeerde), althans vanaf heden tot aan de dag van uiteindelijke betaling;

b. geïntimeerde te veroordelen om aan appellant ten titel van winstafdracht de somma van fl. 11.896,-- ofwel Euro 5.398,17 (vijfduizend driehonderd achtennegentig euro en zeventien eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding in eerste instantie.

c. geïntimeerde te veroordelen in de proceskosten in beide instanties."

[appellant] heeft een memorie van grieven genomen.

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie:

"I. in principaal appèl

het vonnis van de Rechtbank Leeuwarden, van 13 februari 2002 onder rolnummer 32315 HAZA 98/1132 gewezen, te bekrachtigen, zonodig onder aanvulling en/of verbetering van de gronden waarop het steunt, en [appellant] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, althans de vorderingen af te wijzen;

II in incidenteel appèl:

te vernietigen het vonnis van de Rechtbank te Leeuwarden van 14 februari 2001 en opnieuw rechtdoende de vordering van [appellant] af te wijzen voorzover zij de betaling van een bedrag van Hfl. 3.525,-- te boven gaat.

III. in principaal en incidenteel appèl:

met veroordeling van [appellant] in de kosten beide instanties, zowel in principaal als in incidenteel appèl, uitvoerbaar bij voorraad."

Door [appellant] is in het incidenteel appel geantwoord met als conclusie:

"[appellant] concludeert tot bekrachtiging van het vonnis van de Rechtbank Leeuwarden, op 14 februari 2001 onder rolnummer H 98-1132 tussen incidenteel geïntimeerde als eiser en incidenteel appellante als gedaagde gewezen, desnodig met verbetering van de gronden waarop dat vonnis berust en tot veroordeling van Siemensma in de kosten van het incidenteel appèl."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft in het principaal appel één grief opgeworpen.

[geïntimeerde] heeft in het incidenteel appel eveneens één grief opgeworpen.

De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel:

1. De rechtbank heeft op 14 februari 2001 in het geschil tussen [appellant] en [geïntimeerde] een deelvonnis gewezen, waarbij [geïntimeerde] ondermeer is veroordeeld - hoofdelijk en tezamen met haar destijdse medegedaagde [medegedaagde], welke laatste in het onderhavige hoger beroep geen partij is -tot het ten titel van schadevergoeding betalen aan [appellant] van een bedrag groot fl. 3.525,-- vermeerderd met wettelijke rente. Aan deze veroordeling heeft de rechtbank een inbreuk door [geïntimeerde] (en [medegedaagde]) op het auteursrecht van [appellant] ten grondslag gelegd. Met deze beslissing heeft de rechtbank met betrekking tot een deel van het gevorderde aan het geschil tussen partijen een einde gemaakt, zodat het deelvonnis in zoverre als een eindvonnis dient te worden aangemerkt. Na het deelvonnis hebben [appellant] en [geïntimeerde] in de eerste aanleg voortgeprocedeerd over de vraag of [geïntimeerde] dient te worden veroordeeld tot - kortweg - winstafdracht op de voet van art. 27a Auteurswet, voorzover uitgaande boven het reeds aan [appellant] toegewezen bedrag ad fl. 3.525,--.

2. Het voorgaande brengt met zich dat, nu van genoemd deelvonnis binnen de appeltermijn van drie maanden geen hoger beroep is ingesteld, dit vonnis kracht van gewijsde heeft verkregen voorzover het gaat om het gedeelte dat als een eindvonnis dient te worden aangemerkt, alsmede om de gronden waarop dat eindvonnis berust. In zoverre is het vonnis d.d. 14 februari 2001 dus niet aan dit hoger beroep onderworpen. Mitsdien staat, voorzover thans van belang, vast dat [geïntimeerde] door het bouwen van het ten processe relevante woonhuis een inbreuk op het auteursrecht van [appellant] heeft gemaakt, en dat zulks tot schade aan de zijde van [appellant] heeft geleid.

3. Waar het op basis van de grief van [appellant] in het principaal appel thans om gaat is of [geïntimeerde] met betrekking tot de door hem begane inbreuk winst heeft genoten, welke winst zij op de voet van art. 27a Auteurswet dient af te dragen aan [appellant]. De rechtbank heeft het te dezer zake door [appellant] gevorderde afgewezen. In het bijzonder is de grief toegespitst op de vraag of bij de begroting van de winst een integrale kostprijsberekeningsmethodiek dient te worden gehanteerd, zoals de rechtbank dat blijkens haar eindvonnis heeft gedaan, dan wel een variabele methode, zoals dat door [appellant] wordt voorgestaan. Terzijde merkt het hof nog op dat, zoals uit de context van de appeldagvaarding en de memorie van grieven in voldoende mate blijkt, [appellant] zich met zijn grief keert tegen het (eind)vonnis d.d. 13 december 2002, en niet - zoals kennelijk abusievelijk is gesteld in de eerste volle alinea op blz. 3 van de memorie van grieven - tegen het (tussen)vonnis van 14 februari 2001.

4. Bij de beantwoording van laatstgenoemde vraag dient ervan te worden uitgegaan dat door [appellant] niet gemotiveerd is weersproken dat met betrekking tot de omslag van (algemene) bedrijfskosten in de bouwbranche een percentage van 6 % van de bouwsom gebruikelijk is. De vraag is slechts of het in het onderhavige geval in het kader van art. 27a Auteurswet passend moet worden geacht een dergelijke omslag te hanteren teneinde tot een vaststelling van de daadwerkelijk genoten winst te komen.

5. Deze vraag dient - gelijk ook de rechtbank heeft gedaan - bevestigend te worden beantwoord. Het hof neemt tot uitgangspunt dat - bijzondere omstandigheden daargelaten - bij de begroting van de winst een integrale kostprijsberekeningsmethodiek dient te worden gehanteerd, waarbij de vaste kosten naar rato worden toegerekend. Het gaat bij de toepassing van art. 27a Auteurswet om afdracht van als gevolg van de inbreuk reëel genoten winst - welke winst aan de hand van objectieve maatstaven dient te worden begroot - doch niet om méér dan dat. Dit houdt in dat art. 27a Auteurswet geen grondslag biedt voor het ten voordele van de rechthebbende op het auteursrecht brengen van de inbreukmaker in een vermogensrechtelijke toestand die slechter is dan die waarin elke inbreuk achterwege zou zijn gebleven. Daar komt in het onderhavige geval bij dat van een bijzondere omstandigheid als bovenbedoeld geen sprake is en mitsdien voor het hanteren van een variabele berekeningsmethodiek geen plaats is, nu na afroming van de winst aan de hand van de integrale kostprijsberekeningsmethodiek niet aantoonbaar een voordeel voor [geïntimeerde] als inbreukmaker overblijft. Immers, niet door [appellant] is betwist de stelling van [geïntimeerde] - zoals deze blijkt uit haar akte d.d. 29 augustus 2001 punt 1 en 2, zakelijk weergegeven - dat ten tijde van de bouw van de inbreukmakende woning in het door haar uitgeoefende bedrijf sprake was van overbezetting in die zin dat [geïntimeerde] andere opdrachten heeft laten schieten in verband met de uitvoering van de onderhavige bouwopdracht. Mitsdien dient ervan te worden uitgegaan dat [geïntimeerde], zo zij niet de onderhavige inbreukmakende woning zou hebben gebouwd, ander(e) werk(en) zou hebben uitgevoerd, welk(e) werk(en) in dat geval zou(den) zijn betrokken bij de omslag van de algemene bedrijfskosten. Van een voordeel voor [geïntimeerde] zoals door [appellant] aangevoerd, en derhalve van een niet met de geest van art. 27a Auteurswet overeenstemmende afwenteling van de algemene kosten op [appellant], is mitsdien geen sprake.

6. Waar verder niet in debat is dat [geïntimeerde] na aftrek van de algemene bedrijfskosten géén winst heeft gemaakt op de inbreukmakende bouw, is de grief in het principaal appel vergeefs voorgedragen.

7. Zoals de grief van [geïntimeerde] in het incidenteel appel redelijkerwijs moet worden begrepen, komt deze erop neer dat elk causaal verband tussen de inbreuk op het auteursrecht en de gevorderde winstafdracht ontbreekt, met welke grief [geïntimeerde] kennelijk beoogt het interlocutoire deel van het deelvonnis d.d. 14 februari 2001 aan te tasten.

8. Wat daarvan ook zij, mede bezien in het licht van hetgeen hierboven onder r.o. 2 is overwogen, ontbreekt het [geïntimeerde] aan belang bij deze grief, nu toch op grond van het voorgaande vast staat dat [geïntimeerde] op de inbreukmakende bouw geen winst heeft gemaakt. Het incidenteel appel zal mitsdien worden verworpen.

9. De slotsom van het bovenstaande is dat het eindvonnis d.d. 13 februari 2002 zal worden bekrachtigd. [appellant] zal worden verwezen in de kosten van het principaal appel (1 punt in tarief 1), terwijl [geïntimeerde] de kosten van het incidenteel appel dient te dragen (0,5 punt in tarief 1).

10. Hetgeen partijen verder nog te berde hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds vervat dan wel als niet terzake dienende, buiten bespreking blijven.

De beslissing

Het gerechtshof:

In het principaal appel:

bekrachtigt het beroepen vonnis d.d. 13 februari 2002;

veroordeelt [appellant] in de kosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op euro 308,-- aan verschotten en euro 632,-- voor salaris, en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

In het incidenteel appel:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] begroot op nihil aan verschotten en euro 316,-- voor salaris.

Aldus gewezen door mrs Knijp, voorzitter, De Bock en Meijeringh, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 13 juli 2005.