Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AT9441

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
08-07-2005
Datum publicatie
15-07-2005
Zaaknummer
24-001864-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich op 30 april 2004, na een avondje stappen, schuldig gemaakt aan zware mishandeling met een fatale afloop. Verdachte werd door het onder invloed van alcohol verkerende slachtoffer lastig gevallen en heeft het slachtoffer meermalen verzocht om weg te gaan. Toen dit niet gebeurde heeft hij het slachtoffer een stomp tegen de onderkaak gegeven. Het slachtoffer is daardoor gevallen en met zijn hoofd op de bestrating terechtgekomen. Het slachtoffer heeft dit niet overleefd. Hoewel het gedrag van het dronken slachtoffer uitermate hinderlijk zal zijn geweest, had van verdachte verwacht mogen worden dat hij voor een andere, niet gewelddadige aanpak had gekozen om het gesprek met zijn ex-vriendin ongestoord te kunnen voortzetten. Dergelijk gewelddadig optreden in het openbaar leidt tot gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001864-04

Arrest van 8 juli 2005 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Groningen van 25 oktober 2004 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1972] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.C. Keuning, advocaat te Groningen.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank te Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens het meer subsidiair ten laste gelegde misdrijf veroordeeld tot straffen, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft dit hoger beroep aan verdachte doen betekenen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan dit arrest is gehecht een fotokopie van de inleidende dagvaarding. De inhoud van de tenlastelegging wordt geacht hier te zijn overgenomen.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, met een proeftijd van twee jaren en een werkstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van voorarrest, alsmede dat het hof verdachte de leerstraf 'Dader-Slachtoffer-Leerprograma' van 40 uren subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis oplegt.

Vrijspraak

Het hof acht niet bewezen hetgeen primair aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Het subsidiair ten laste gelegde

Het hof gaat uit van de navolgende feiten.

[slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) bevond zich op 30 april 2004 omstreeks 06.00 uur in café De Unie te Groningen. Volgens de ook in het café aanwezige [ getuige 1] en [ getuige 2] kwam het slachtoffer dronken, verward en verdwaasd over. Enige tijd daarna werd het slachtoffer door een portier naar buiten geleid vanwege hinderlijk gedrag. Cafébezoekers hadden zich beklaagd over handtastelijk en vervelend dronken gedrag van het slachtoffer. Buiten heeft de portier nog ongeveer twee minuten met het slachtoffer gesproken. Het slachtoffer zei bijna niets. De portier verklaarde tegenover de politie dat hij het slachtoffer uit De Unie had gezet vanwege diens drankgebruik. Verdachte is ook in café De Unie geweest, maar heeft het slachtoffer daar niet gezien. Verdachte zelf heeft die nacht circa drie glazen bier gedronken.

Omstreeks 07.15 uur zat verdachte in een portiek naast het café met zijn ex-vriendin te praten. Het slachtoffer liep naar hen toe, hetgeen door verdachte als hinderlijk werd ervaren. Hij stuurde het slachtoffer weg, maar deze kwam terug. Dit herhaalde zich nog een keer. Een en ander speelde zich af op enkele vierkante meters. Toen het slachtoffer voor de derde keer terugkwam, raakte verdachte geïrriteerd en werd kwaad, stond op en gaf het slachtoffer een stomp tegen zijn onderkaak. Het slachtoffer zette als gevolg hiervan enkele stapjes achterwaarts en viel recht achterover met zijn (achter)hoofd op het trottoir. Volgens verdachte heeft het hele voorval circa 30 seconden geduurd. Medische hulp was snel ter plaatse.

Op 1 mei 2004 is het slachtoffer overleden. Uit het sectierapport blijkt dat de dood is veroorzaakt door een hersenfunctiestoornis als gevolg van excessief geweld op het hoofd door een val op zijn hoofd. Het bloedalcoholgehalte van het slachtoffer was 2.3 promille.

In deze zaak zijn twee vragen van belang om te kunnen beoordelen of verdachtes opzet gericht is geweest op de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling van het slachtoffer.

- Met welke mate van kracht heeft verdachte het slachtoffer geslagen?

- In hoeverre moet het voor verdachte duidelijk zijn geweest dat het slachtoffer

dronken en/of onvast ter been is geweest?

Het hof overweegt hiertoe het volgende.

In zijn verklaringen spreekt verdachte in wisselende bewoordingen over het door hem gebruikte geweld (een klap, een rechtstreekse stomp met de vuist tegen de onderkaak, een krachtige vuistslag, een harde stomp, een tik). Uit het sectierapport blijkt niet dat het slachtoffer breuken had aan zijn hoofd, anders dan aan de schedel aan de achterzijde van zijn hoofd. Het hof gaat er daarom vanuit dat verdachte het slachtoffer één stomp tegen het hoofd heeft gegeven.

De ex-vriendin van verdachte, getuige [getuige 3], heeft verklaard dat zij de indruk had dat het slachtoffer "bezopen en lam" was en dat hij nog net op zijn benen kon staan. Volgens haar murmelde het slachtoffer wat zonder echt iets te zeggen. Verdachte heeft in zijn eerste bij de politie afgelegde verklaring gezegd dat hij de indruk had dat het slachtoffer behoorlijk wat drank op had en dat hij het slachtoffer verbaal niet kon bereiken. Verdachte omschreef dit met de woorden: "wat ik ook zei, het drong niet tot hem door". In een latere verklaring gaf verdachte aan dat het slachtoffer zeker niet nuchter was, waterige ogen had en hem niet strak aankeek. Toen hij dat constateerde stonden ze op minder dan 1 meter van elkaar verwijderd.

Gelet op de aangehaalde verklaringen is het hof van oordeel dat voor verdachte waarneembaar is geweest en dat hij ook daadwerkelijk heeft waargenomen dat het slachtoffer behoorlijk dronken was en dat hij gelet daarop met een kwetsbaar persoon

te maken had.

Het is immers een feit van algemene bekendheid dat een mens, afhankelijk van de mate van dronkenschap, daardoor in meer of mindere mate onvast ter been wordt. Door dit slachtoffer een stomp tegen het hoofd (onderkaak) te geven, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer met zijn hoofd op het verharde trottoir zou vallen en daarmee op de koop toegenomen de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer als gevolg daarvan zwaar lichamelijk letsel zou bekomen. Dat ditzelfde gevolg bij gebruikmaking van een zelfde mate van geweld in veel andere gevallen uitblijft doet daar niet aan af.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 30 april 2004 in de gemeente Groningen aan [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht (een breuk van het achterhoofdbeen, een onder de harde hersenvliezen gelegen bloeduitstorting, een kneuzing van de rechterhersenhelft, een kneuzing met bloeduitstorting in het achterste deel van de hersenstam, een verplaatsing van de hersenen, het inklemmen aan de hersenbasis, een afgevlakt hersenoppervlak) door opzettelijk (terwijl die [slachtoffer] –voor verdachte- kenbaar onder invloed was van alcohol en onvast ter been was die [slachtoffer] een stomp tegen het hoofd te geven, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en met zijn hoofd op de bestrating is gevallen, terwijl het feit de dood tengevolge heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich op 30 april 2004, na een avondje stappen, schuldig gemaakt aan zware mishandeling met een fatale afloop. Verdachte werd door het onder invloed van alcohol verkerende slachtoffer lastig gevallen en heeft het slachtoffer meermalen verzocht om weg te gaan. Toen dit niet gebeurde heeft hij het slachtoffer een stomp tegen de onderkaak gegeven. Het slachtoffer is daardoor gevallen en met zijn hoofd op de bestrating terechtgekomen. Het slachtoffer heeft dit niet overleefd. Hoewel het gedrag van het dronken slachtoffer uitermate hinderlijk zal zijn geweest, had van verdachte verwacht mogen worden dat hij voor een andere, niet gewelddadige aanpak had gekozen om het gesprek met zijn ex-vriendin ongestoord te kunnen voortzetten. Dergelijk gewelddadig optreden in het openbaar leidt tot gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte - blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 15 april 2005 - niet eerder is veroordeeld ter zake van geweldsdelicten.

Ook heeft het hof kennis genomen van de inhoud van het omtrent verdachte opgemaakte voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland d.d. 15 september 2004.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat aan verdachte een werkstraf van het maximaal aantal uren dient te worden opgelegd. Omdat dit onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit en voorkomen moet worden dat verdachte zich opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten, zal het hof verdachte daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur opleggen. Het hof acht het tevens gepast en aangewezen dat aan verdachte de leerstraf 'Dader - Slachtoffer - Leerprogramma' wordt opgelegd om te bewerkstelligen dat verdachte een beter inzicht krijgt in zijn gedrag.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte subsidiair ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

veroordeelt [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van zes maanden;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit een combinatie van werkstraf, voor de duur van tweehonderdveertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van honderdtwintig dagen zal worden toegepast, en de leerstraf 'Dader-Slachtoffer-Leerprogramma' voor de duur van veertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de leerstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van twintig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de voormelde werkstraf geheel in mindering wordt gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Dit arrest is aldus gewezen door mrs. Deuring, voorzitter, Koolschijn en De Roos, in tegenwoordigheid van mr. Lok als griffier, zijnde mr. De Roos voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.