Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AT9431

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
08-06-2005
Datum publicatie
15-07-2005
Zaaknummer
WAHV 05-00083
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De betrokkene doet een beroep op art. 8 WAHV. De enkele omstandigheid dat een kortlopende huurovereenkomst wordt verlengd verhindert niet dat er sprake kan zijn van een huurovereenkomst als bedoeld in art. 8, aanhef en onder b, WAHV. De betrokkene kan eventuele gebreken die hebben geleid tot een negatieve beslissing op het administratief beroep kan herstellen bij het instellen van beroep tegen de beslsising van de officier van justitie, indien voor het openbaar ministerie nog een reële mogelijkheid openstaat een administratieve sanctie aan de ander als bedoeld in art. 8 WAHV op te leggen. In casu in hoger beroep geen sprake van tardief verweer.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:18
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 8
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 10
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2005/77 met annotatie van JvdH
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 05/00083

8 juni 2005

CJIB 09072824499

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te 's-Hertogenbosch

van 27 december 2004

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Hertogenbosch ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van Euro 125,- opgelegd ter zake van "overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom (verkeersbord A1) meer dan 25 km/h en t/m 30 km/h", welke gedraging zou zijn verricht op 10 juni 2004 op de Boschdijk te Eindhoven.

3.2. De betrokkene ontkent niet dat de gedraging is verricht met bovenvermeld aan betrokkene toebehorend voertuig. De betrokkene is echter van mening dat de opgelegde inleidende beschikking vernietigd dient te worden, aangezien zich de situatie voordeed, als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder b, van de WAHV. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat er sprake is geweest van een huurovereenkomst voor bepaalde tijd omdat uit de huurovereenkomst en de in hoger beroep overgelegde factuur blijkt dat de huurperiode van 3 mei 2004 t/m 19 juni 2004 is geweest. Dat de huur een aantal keren verlengd is geweest op de bestaande huurovereenkomst heeft als oorzaak dat de bestuurder van de auto steeds beloofde om de auto in te leveren, maar dit vervolgens niet deed. Uiteindelijk heeft de betrokkene op 19 juni 2004 zelf de auto opgehaald toen hij de auto signaleerde in Eindhoven.

3.3. Art. 8 WAHV bepaalt, voor zover hier van belang, dat de officier van justitie in het geval van art. 5 WAHV de inleidende beschikking vernietigt, indien degene op wiens naam het kenteken in het kentekenregister is ingeschreven een voor een termijn van ten hoogste drie maanden schriftelijk bedrijfsmatig aangegane huurovereenkomst overlegt waaruit blijkt wie ten tijde van de gedraging de huurder van het motorrijtuig was.

3.4. Bij tweede nota van wijziging op het wetsontwerp dat heeft geleid tot de WAHV is art. 8 WAHV aangevuld in dier voege dat de kentekenhouder niet aansprakelijk is in het geval hij "een voor een termijn van ten hoogste drie maanden schriftelijke aangegane huurovereenkomst overlegt waaruit blijkt wie ten tijde van de gedraging de huurder van het motorrijtuig was.".

Blijkens de wetsgeschiedenis is deze bepaling op aandrang van de Tweede Kamer opgenomen met name met het oog op de belangen van autoverhuurbedrijven. De regering achtte deze uitzondering op het uitgangspunt van art. 5 WAHV aanvaardbaar. De nota naar aanleiding van het eindverslag (Kamerstukken II 1988-1989, 20329, nr. 9, pag. 6) houdt dienaangaande in:

"Wij menen bij nadere overweging eventuele problemen in de verhaalsfeer voor autoverhuurbedrijven te kunnen ondervangen door in art. 8 te bepalen dat de beschikking door de officier wordt ingetrokken indien - kort gezegd - de verhuurder van een auto aantoont wie ten tijde van de gedraging de huurder was. Dit laatste dient te geschieden door overlegging van de huurovereenkomst.".

Tijdens de mondelinge behandeling van het wetsontwerp in de Tweede Kamer (Hand. II, 15 februari 1989 49-4950) heeft de minister van justitie ten aanzien van verhuurbedrijven verklaard:

"(...) Daar heeft de betrokkene een schriftelijke huurovereenkomst waarin de gegevens van de huurder vermeld staan. Die zijn ook altijd geverifieerd aan de hand van een rijbewijs. De kans dat een onjuiste opgave wordt gedaan van de bestuurder is daar dus aanzienlijk geringer.".

3.5. De door de betrokkene overgelegde huurovereenkomst bevat zowel "gegevens huurder" als "gegevens bestuurder". Bij het beroep tegen de inleidende beschikking heeft de betrokkene vermeld, dat het voertuig was verhuurd aan de bestuurder. Blijkens het beroepschrift d.d. 3 augustus 2004 van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie, ingekomen op 4 augustus 2004, is er sprake geweest van een telefonische reservering door mevrouw [huurder] die derhalve is genoteerd als huurder. Toen zij echter de gereserveerde auto kwam afhalen had zij geen legitimatiebewijs bij zich. De heer Faria, die de auto zou gaan besturen beschikte wel over de juiste papieren. Daarom zijn diens paspoort en rijbewijs gekopieerd en heeft hij de overeenkomst getekend.

3.6. Het hof is van oordeel dat, gelet op de ratio van de regeling en de onder 3.4. vermelde wetsgeschiedenis de omstandigheid, dat onder "gegevens huurder" de niet geverifieerde gegevens van degene die de reservering heeft gepleegd, en bij "gegevens bestuurder" de geverifieerde gegevens van de daadwerkelijke huurder in het huurcontract zijn opgenomen geen reden is om het overgelegde contract niet te beschouwen als een overeenkomst als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder b, van de WAHV.

3.7. De door de betrokkene overgelegde fotokopieën van de huurovereenkomst zijn verschillend van elkaar. De eerste, bij het administratief beroep tegen de inleidende beschikking overgelegde huurovereenkomst houdt - voor zover in dit opzicht van belang - in, zakelijk weergegeven, dat de auto is opgehaald op 3 mei 2004 om 16.37 uur en is besproken tot 10 mei 2004. Voorts is weergegeven dat er is verlengd tot 19 mei 2004, hetgeen is doorgehaald en vervangen door daaronder: 2 juni 2004 en daarachter: 3 juni 2004. Voorts is bij 'bijzonderheden huur' aangegeven: "Huur loopt nog 16/6/2004". Het exemplaar dat is overgelegd bij het tegen de beslissing van de officier van justitie ingestelde beroep verschilt in zoverre van het eerder overgelegde exemplaar, dat de huur is verlengd tot 3 juni 2004, 21.00 en dat is aangegeven dat de auto is opgehaald op 19 juni 2004 te 22.05 uur. Bij 'bijzonderheden huur' is de opmerking "Huur loopt nog 16/6/2004" kennelijk weggelakt. Het in hoger beroep overgelegde exemplaar stemt met de hiervoor als laatste genoemde kopie overeen.

31.8. In hoger beroep is tevens overgelegd een fotokopie van een factuur, d.d. 2 augustus 2004, gericht aan R.L.M. [huurder] met als belangrijkste posten:

48 dagen autohuur, 15838 gereden kilometers en eigen risico i.v.m. schade van Euro 1250,--. Onder deze factuur is na en onder de teksten "AFGEWERKT D.D.", "HANDTEKENING VERHUURDER" en "HANDTEKENING KLANT" niets ingevuld.

3.9. Naar het oordeel van het hof verhindert de enkele omstandigheid, dat een kortlopende huurovereenkomst wordt verlengd, niet dat er sprake kan zijn van een huurovereenkomst als bedoeld in art. 8, aanhef en onder b, WAHV. Wel is het zo, dat uit de huurovereenkomst, zoals door de betrokkene overgelegd bij het administratief beroep tegen de inleidende beschikking, zonder nadere uitleg, die daarbij door de betrokkene niet werd gegeven, niet kon worden afgeleid, dat er sprake was van een voor termijn van ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst, gelet op de mededeling, dat op 16 juni 2004 de huur nog liep. Evenmin kan uit de in hoger beroep overgelegde factuur worden afgeleid dat er sprake is geweest van een huurovereenkomst voor de duur van 48 dagen of van enige andere periode, nu deze factuur door geen van beide partijen is ondertekend.

3.10. De beslissing van de officier van justitie, waarbij het beroep ongegrond is verklaard, is als motivering van de beslissing gegeven: "Uit de overgelegde huurovereenkomst blijkt niet dat deze is aangegaan voor een termijn van ten hoogste drie maanden, zodat de uitzondering van artikel 8 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften in dit geval niet van toepassing is.". Uit de kopie van de overeenkomst, zoals die is overgelegd bij het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie kan in ieder geval worden afgeleid, dat de auto op 19 juni 2004 weer in het bezit is gekomen van de betrokkene.

3.11. Blijkens het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg heeft de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie geadviseerd het beroep ongegrond te verklaren, louter op de omstandigheid dat er twee verschillende exemplaren van een huurcontract in het geding zijn gebracht: "Indien er verschillende huurcontracten circuleren kan daaraan geen waarde worden toegekend.". Uit de beslissing van de kantonrechter blijkt niet, dat hij de tweede kopie van het huurcontract in zijn beoordeling heeft betrokken.

3.12. Uit het hoger beroepschrift volgt, dat de relatie van de verhuurder met de bestuurder elementen in zich draagt van enerzijds een huurovereenkomst voor bepaalde tijd, korter dan drie maanden en anderzijds van een situatie, waarin de betrokkene mogelijk een beroep toekomt op de disculpatiegrond als vervat in art. 8, aanhef en onder a, WAHV.

3.13. Aan de betrokkene kan worden tegengeworpen, dat hij pas in hoger beroep een nadere verklaring heeft afgelegd omtrent de gang van zaken met betrekking tot de huurovereenkomst. Dit geldt te meer, nu op het moment waarop het beroep tegen de inleidende beschikking is gedateerd, te weten 25 juni 2004, de auto reeds weer in het bezit was van de betrokkene. Daar staat tegenover dat in hoger beroep wordt aangevoerd: "Er zijn veel overtredingen tijdens de huurperiode met dit kenteken begaan waar wij steeds bezwaar tegen gemaakt hebben en die ook nietig verklaard zijn (beschikkingsnrs: 73355681+73338325+73352324+73337427). Met deze bezwaarschriften is steeds dezelfde kopie van de huurovereenkomst als in beschikkingsnr. 09072824499 meegezonden, en deze zijn wel geaccepteerd door justitie.". Nu voor deze beweringen de inhoud van het dossier aanwijzingen bevat en het openbaar ministerie het hoger beroep niet heeft weersproken gaat het hof van de juistheid van het gestelde uit. Voorts volgt uit het dossier dat in de door de betrokkene in hoger beroep genoemde andere zaken met de daar vermelde beschikkingsnummers de betrokkene een brief is gezonden door het arrondissementsparket te Amsterdam, waarop is aangegeven: "Dit contract is onvolledig: geboortedatum huurder.". Het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie d.d. 3 augustus 2004, waarin in het hoofd van de brief naast het beschikkingsnummer in deze zaak ook die andere staan vermeld, reageert kennelijk voornamelijk op de inhoud van die brieven. De daarbij overgelegde kopie van het huurcontract geeft de op 19 juni 2004 ingetreden situatie weer.

3.14. Bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel gaat het hof er van uit dat de betrokkene gelet op hetgeen in 3.13. is vermeld, heeft kunnen menen, dat hij - na de voor hem negatieve beslissing van de officier van justitie op het door hem ingestelde beroep tegen de inleidende beschikking - met het uitleggen van de reden waarom het contract door de bestuurder en niet door de huurder is ondertekend en met het overleggen van een gecorrigeerde overeenkomst zou hebben voldaan aan de eisen, die artikel 8 WAHV in dit opzicht stelt.

3.15. De disculpatiegronden van artikel 8 WAHV gaan uit van de situatie waarin de officier van justitie op grond van de hem aangereikte gegevens, na vernietiging van de aan de kentekenhouder uitgereikte beschikking een sanctie kan opleggen aan degene die de gedraging heeft verricht of die in de plaats van de kentekenhouder de verantwoordelijkheid voor de gedraging kan worden toegerekend. Teneinde de officier van justitie daartoe in staat te stellen dient de betrokkene in beginsel te zorgen voor een tijdig en eenduidig beroep op het bepaalde in art. 8 WAHV. Van het beroep van de betrokkene op disculpatie in de zin van dit artikel in de onderhavige zaak kan worden vastgesteld, dat daaraan het nodige heeft ontbroken. Daar staat tegenover, dat de termijn waarbinnen de officier van justitie de bevoegdheid tot het opleggen van een sanctie aan de ander als bedoeld in artikel 8 WAHV kan uitoefenen acht maanden bedraagt na de datum van de gedraging.

3.16. Bij de wet van 15 mei 1997 (Stb. 1997, 212) is in art. 9 van de WAHV bepaald dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie in afwijking van art. 6:4, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht wordt ingediend bij de officier van justitie die op het administratief beroep heeft beslist. De toelichting op art. 11, tweede lid, WAHV houdt in dit verband in: "Bijkomend voordeel van de voorgestelde wijzigingen van de artikelen 9 en 10 is dat de officier van justitie, voordat hij de stukken naar de kantonrechter stuurt, de gelegenheid heeft nogmaals de zaak te beoordelen. De officier van justitie heeft immers, als ieder ander bestuursorgaan, de bevoegdheid om ook hangende een beroep een beschikking in te trekken (artikel 6:18 van de Awb)." (Kamerstukken II, 1995-1996, nr. 6, blz. 12). Een en ander brengt mee, dat de betrokkene eventuele gebreken, die hebben geleid tot een negatieve beslissing op het administratief beroep kan herstellen bij het instellen van het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie, indien voor het openbaar ministerie nog een reële mogelijkheid openstaat een administratieve sanctie aan de ander als bedoeld in art. 8 WAHV op te leggen.

3.17. Gezien de reactie van de officier van justitie ter zitting zoals weergegeven in 3.11. blijkt niet, dat de door de betrokkene bij gelegenheid van het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beschikbaar gestelde gegevens hebben geleid tot een heroverweging als onder 3.16 aangegeven. Gelet hierop en in aanmerking nemende hetgeen in 3.10. en 3.14. is overwogen, wordt het verweer van de betrokkene, zoals dat is gevoerd in hoger beroep, niet als tardief beschouwd, nog daargelaten, dat de advocaat-generaal nog binnen de termijn van acht maanden, zij het nipt, namelijk op 7 februari 2005, van de inhoud van het beroepschrift heeft kunnen kennisnemen.

3.18. Het hof gaat uit van de juistheid van de door de betrokkene in hoger beroep aangevoerde feiten en omstandigheden, nu deze niet zijn weersproken. In het midden kan blijven of er sprake is van een huurcontract voor een periode van

48 dagen, zoals de betrokkene stelt, of van een kortere, enige malen verlengde huurperiode, gevolgd door onvrijwillig bezitsverlies. Immers, in beide gevallen komt de betrokkene een beroep toe op het bepaalde in artikel 8 WAHV.

3.19. Het hof zal derhalve de beslissing van de kantonrechter vernietigen en het ingestelde beroep gegrond verklaren. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking zouden kunnen komen is het hof niet gebleken.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het ingestelde beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 4 augustus 2004, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nr. 09072824499 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van art. 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van

Euro 125,-, door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Poelman en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Meijering als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.