Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AT9416

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
18-05-2005
Datum publicatie
15-07-2005
Zaaknummer
WAHV 04-01588
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maximumsnelheid bij wegwerkzaamheden. Snelheidsbeperking van 90 km per uur ingesteld zonder dat daarbij borden Werk in uitvoering (bord J16 van bijlage 1 van het RVV 1990) zijn geplaatst. Snelheidsbeperking is kennelijk bedoeld om de overgang van de geldende maximumsnelheid naar de ter plaatse van de werkzaamheden vereiste maximumsnelheid van 70 km per uur geleidelijk te doen verlopen. In zoverre is wel sprake van een snelheidsbeperking te behoeven van wegwerkzaamheden, maar nog niet van een beperking van de maximumsnelheid ter hoogte van het bedoelde wegvak met die wegwerkzaamheden.Ten onrechte opslag op de sanctie in verband met wegwerkzaamheden. Wijziging hoogte sanctie.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d, geldigheid: 2005-05-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 04/01588

18 mei 2005

CJIB 19069150627

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Amsterdam

van 12 november 2004

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van Euro 90,- opgelegd ter zake van "overschrijding van de maximumsnelheid op autosnelwegen, wegwerkzaamheden (bord A1) (gedragsregel) (feitcode S330B)", welke gedraging zou zijn verricht op 3 februari 2004 om 11:36 uur op de Rijksweg A27, Westbaan te Hilversum met het voertuig met kenteken [kenteken].

3.2. De betrokkene erkent dat hij op het moment dat hij geflitst werd met een hogere snelheid reed dan ter plaatse toegestaan. Zijns inziens is hem echter ten onrechte een sanctie opgelegd. Hij voert daartoe onder meer het volgende aan: "Bij Hilversum werden er geluidsschermen geplaatst langs de westelijke weghelft van kilometerpaal 95,4 tot 94,9 in de rijrichting (...). Op 03 februari 2004 werd ik geflitst bij kilometerpaal 95,5, dus 100 meter verder dan de werkzaamheden, evenwel waren er op die dag geen werkzaamheden op of aan die weghelft noch daarnaast. Het beste bewijs komt van de verbalisant, omdat als er gewerkt werd zou hij daar geen opstelling hebben kunnen maken van zijn apparaten. Daarnaast was de werkruimte adequaat afgeschermd door heel grote blokken. Deze vorm van opstelling van de politie is er een van uitlokking en het opstellen van een boobytrap". De betrokkene wijst in dit verband op art. 2 BABW. Het plaatsen van een bord A1 ter plekke was volgens hem niet zinvol. De betrokkene beklaagt zich voorts over de wijze waarop zijn zaak door de kantonrechter en de officier van justitie werd behandeld.

3.3. Uit de toelichting van de verbalisant in het zaakoverzicht van het CJIB volgt, zakelijk weergegeven, dat op de Rijksweg A 27 Westbaan ter hoogte van hectometerpaal 96,4 op een electronisch signaleringsbord een maximumsnelheid van 90 km/u werd aangegeven (bord A3), dat bij hectometerpaal 95,5 een bord 70 km (bord A1) en een bord Werk in uitvoering (bord J16) waren geplaatst aan beide zijden van de weg (het hof verstaat: rijbaan). De radaropstelling bevond zich eveneens ter hoogte van hectometerpaal 95,5. De verbalisant verklaart voorts onder meer: "De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting geteste, geijkte en op de voorgeschreven wijze gebruikte radarsnelheidsmeter. Gemeten (afgelezen) snelheid: 107 km per uur. Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 103 km per uur. Toegestane snelheid: 90 km per uur. Overschrijding met 13 km per uur. [...]. Er waren wel wegwerkzaamheden. Er werd wel gewerkt. Er waren wel gevaarscheppende elementen".

3.4. Het hof ziet in hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van de verbalisant. Uit deze verklaring blijkt dat de verweten gedraging is geconstateerd op het punt in het traject van snelheidbeperking waar de maximaal toegestane snelheid overging van 90 km/h naar 70 km/h.

3.5. Het hof overweegt, dat blijkens de toelichting van de verbalisant, zoals onder 3.3. weergegeven, een snelheidsbeperking van 90 km/u is ingesteld zonder dat daarbij borden Werk in uitvoering (bord J16) zijn geplaatst. Deze snelheidsbeperking is kennelijk bedoeld om de overgang van de geldende maximumsnelheid naar de ter plaatse van de werkzaamheden vereiste maximumsnelheid van 70 km per uur geleidelijk te doen verlopen. In zoverre is wel sprake van een snelheidsbeperking ten behoeve van wegwerkzaamheden, maar nog niet van een beperking van de maximumsnelheid ter hoogte van het bedoelde wegvak met die wegwerkzaamheden. In zoverre treft het verweer van de betrokkene doel.

3.6. Art. 62 RVV 1990 houdt in dat weggebruikers verplicht zijn gevolg te geven aan verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden, zonder dat onderscheid wordt gemaakt of de verkeerstekens al dan niet met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke voorschriften zijn geplaatst, dat wil zeggen - voor zover ten deze van belang - of het verkeersbord betrekking heeft op een situatie die beantwoordt aan hetgeen daaromtrent is voorgeschreven. Het staat dan ook niet ter beoordeling van de weggebruiker of een verkeersbord overeenkomstig de voorschriften en terecht is geplaatst. Ook op grond van eisen van verkeersveiligheid kan een dergelijke beoordeling niet worden overgelaten aan de weggebruiker, doch is het veeleer geboden dat deze, ook al mocht hij persoonlijk van oordeel zijn dat het bord ten onrechte is geplaatst, gevolg geeft aan dat verkeersteken, reeds omdat andere weggebruikers daarop mogen rekenen. Een uitzondering hierop zou gelden in het geval waarin de situatie klaarblijkelijk zo afwijkend is van die waarop het verkeersbord betrekking heeft dat bij het gevolg geven aan dat teken de veiligheid op de weg in gevaar zou worden gebracht. Gelet op de inhoud van de onder 3.3 vermelde verklaring van de verbalisant doet een dergelijke uitzondering zich in het onderhavige geval niet voor.

3.7. Gelet op het vorenoverwogene zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en met vernietiging van de beslissing van de officier van justitie in de inleidende beschikking de omschrijving van het feit en de feitcode wijzigen en de sanctie op het bij de andere feitcode behorende bedrag vaststellen.

3.8. Voor zover de betrokkene klaagt over de bejegening door de kantonrechter en over de opstelling van de officier van justitie geldt, dat voor zover de betrokkene wil betogen dat de beslissing onjuist is, het hoger beroep het aangewezen en door de betrokkene benutte middel is om dat aan de orde te stellen. Voor zover hij klaagt over de bejegening in engere zin geldt dat voor een beoordeling daarvan in hoger beroep geen plaats is.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter en de beslissing van de officier van justitie, voor zover daarbij de feitcode, de omschrijving van de gedraging en de hoogte van de sanctie in de inleidende beschikking in stand zijn gelaten;

wijzigt , met vernietiging van de inleidende beschikking in zoverre, de feitcode in: S300b en de omschrijving van de gedraging in: "overschrijding van de maximumsnelheid op autosnelwegen (gedragsregel); meer dan 10 km/h en t/m 15 km/h";

stelt het bedrag van de sanctie vast op Euro 45,-;

bepaalt dat een deel van hetgeen door de betrokkene op de voet van art. 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van Euro 45,-, door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd;

verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Weenink en Van Wagtendonk, in tegenwoordigheid van mr. Zomer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.