Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AT9412

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
15-07-2005
Datum publicatie
15-07-2005
Zaaknummer
Rekestnummer 0500133
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In het algemeen is het in het belang van een kind te achten dat het omgang heeft met de niet met het gezag belaste ouder. Dienovereenkomstig heeft de wetgever dan ook bepaald dat het kind en de niet met het gezag belaste ouder recht op omgang met elkaar hebben. Dat recht kan slechts worden ontzegd op de in artikel 1:377a lid 3 BW omschreven gronden.

De vrouw heeft gesteld dat zij thans niet bereid en in staat is [de minderjarige] in te lichten over haar status. In de visie van de vrouw is omgang tussen de man en [de minderjarige] niet in het belang van [de minderjarige] zolang zij [de minderjarige] niet heeft voorgelicht omtrent haar status. Daarnaast acht de vrouw omgang tussen de man en [de minderjarige] feitelijk onmogelijk nu de man woonachtig is in de Verenigde Staten.

Deze door de vrouw aangevoerde feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende om te oordelen dat zich een van de ontzeggingsgronden voordoet als bedoeld in artikel 1:377a lid 3 BW. Waar voorts geen andere feiten en/of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die tot een ander oordeel moeten leiden, is het hof met de rechtbank van oordeel dat een omgangsregeling als door de rechtbank omschreven dient te worden vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2005/97
JIN 2005/384

Uitspraak

Beschikking d.d. 15 juli 2005

Rekestnummer 0500133

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[appellante]

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

toevoeging,

procureur mr J.S. Bauer,

tegen

[geïntimeerde],

wonende in de Verenigde Staten op een onbekend adres,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

procureur mr F.H. Gart.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 22 december 2004 heeft de rechtbank te Leeuwarden een omgangsregeling vastgesteld tussen de man en de minderjarige [minderjarige], geboren [in] 1996, inhoudende dat [de minderjarige] met ingang van 7 mei 2005 gedurende één weekend per zes weken van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.30 uur - in Nederland - bij de man zal verblijven, met dien verstande dat de man en de vrouw - in goed overleg en gezamenlijk - van deze regeling kunnen afwijken.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 21 maart 2005, heeft de vrouw verzocht de beschikking van 22 december 2004 te vernietigen en opnieuw beslissende de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, dan wel dit verzoek af te wijzen.

Bij faxbericht van 27 april 2005 heeft de man bij monde van zijn procureur te kennen gegeven dat hij om hem moverende redenen geen verweer wenst te voeren tegen het beroepschrift van de vrouw.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van de raad voor de kinderbescherming van 12 april 2005 en een faxbericht van mr Gart van 7 juni 2005.

Ter zitting van 30 juni 2005 is de zaak behandeld.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Uit de relatie van partijen is [in] 1996 [de minderjarige] geboren. De man heeft [de minderjarige] erkend. De relatie van partijen is in [maand] 1998 verbroken. De vrouw is van rechtswege alleen belast met het gezag over [de minderjarige].

2. Bij inleidend verzoekschrift van 8 februari 1999 heeft de man verzocht een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en [de minderjarige], in die zin dat [de minderjarige] één weekend per veertien dagen bij de man zal verblijven en telkens zal worden gehaald en gebracht door de man.

3. Ter zitting van de rechtbank van 18 maart 1999 heef de man zijn verzoek aangevuld. De man heeft verzocht de omgangsregeling uit te breiden met de helft van de vakanties.

4. Ter zitting van de rechtbank van 29 maart 2001 heeft de man zijn verzoek wederom aangevuld. De man heeft verzocht de vrouw een informatieplicht jegens hem op te leggen.

5. Bij beschikking van 25 april 2001 heeft de rechtbank bepaald dat de vrouw de man éénmaal per kwartaal zo volledig mogelijk schriftelijk dient te informeren omtrent het leven/de ontwikkelingen van de minderjarige, in ieder geval onder toezending van een recente foto.

6. Ter zitting van 10 oktober 2002 heeft de man andermaal zijn verzoek aangevuld. De man heeft verzocht het gezag over [de minderjarige] te wijzigen en hem alleen met het gezag over haar te belasten. Bij beschikking van 15 oktober 2003 heeft de rechtbank dit verzoek van de man afgewezen.

7. Nadat de rechtbank diverse malen bij tussenbeschikking een voorlopige omgangsregeling had vastgesteld, dan wel had bepaald dat er proefcontacten dienden plaats te vinden tussen de man en [de minderjarige], heeft de rechtbank bij beschikking van 22 december 2004 een definitieve omgangsregeling tussen de man en [de minderjarige] vastgesteld.

8. Het hoger beroep van de vrouw is tegen deze beschikking gericht.

De standpunten

9. De vrouw heeft gesteld dat omgang tussen de man en [de minderjarige] niet in het belang van [de minderjarige] is. Daartoe heeft de vrouw aangevoerd dat zij [de minderjarige] tot op heden niet heeft voorgelicht omtrent haar status omdat [de minderjarige] naar de mening van de vrouw daar nog niet aan toe is. Voorts heeft de vrouw aangevoerd dat omgang tussen de man en [de minderjarige] praktisch onuitvoerbaar is aangezien de man in de Verenigde Staten van Amerika woont.

10. De medewerker van de raad voor de kinderbescherming heeft ter zitting in hoger beroep aangegeven dat de raad er alles aan heeft gedaan om de vrouw te bewegen tot het geven van statusvoorlichting aan [de minderjarige] en tot medewerking aan proefcontacten tussen de man en [de minderjarige]. De vrouw is echter al geruime tijd niet bereid tot medewerking. Dan zijn - aldus de medewerker van de raad - de mogelijkheden van de raad voor de kinderbescherming uitgeput. Indien de vrouw in de (nabije) toekomst bereid zou zijn haar medewerking te verlenen aan enige vorm van omgang tussen de man en [de minderjarige], is de raad van harte bereid deze omgang te begeleiden. De omstandigheid dat de man in de Verenigde Staten van Amerika woont hoeft volgens de medewerker van de raad geen belemmering te vormen voor omgang c.q. contact tussen de man en [de minderjarige]. Daarbij kunnen hulpmiddelen als de telefoon, het Internet en een webcam uitkomst bieden.

De raad voor de kinderbescherming refereert zich ten slotte aan het oordeel van het hof ten aanzien van de weg waarlangs omgang tussen de man en [de minderjarige] zou moeten plaatsvinden.

De overwegingen

11. In haar beschikking van 22 december 2004 heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:

Sinds 1999 zijn er in deze zaak door de raad onderzoeken verricht. Uitentreuren is daarbij gepoogd de vrouw ertoe te bewegen mee te werken aan proefcontacten tussen de man en de minderjarige ten behoeve van genoemde onderzoeken. Daarbij is meerdere malen in heldere bewoordingen, zowel door onderzoekers van de raad als door de rechtbank - tijdens behandelingen ter zitting en in haar tussenbeschikkingen - aan de vrouw duidelijk gemaakt dat uitgangspunt is dat de minderjarige en de man recht hebben op omgang met elkaar en dat dit recht behoort te worden geëerbiedigd. Uitgelegd is dat het voor de minderjarige om evenwichtig te kunnen opgroeien van groot belang is te weten wie haar vader is en evenzeer dat haar vader een plaats krijgt in haar leven. Indien de huidige situatie, waarin de minderjarige onwetend is van het bestaan van haar vader en waarbij zij geen enkel contact met hem heeft, blijft voortduren, wordt de kans groter dat zij hiervan nadelig gevolgen zal ondervinden als zij ouder wordt.

12. Aangezien de vrouw tegen deze overweging geen grief heeft gericht, staat de juistheid ervan mitsdien vast en zal ook het hof van het daarin overwogene uitgaan.

13. Evenmin heeft de vrouw een grief gericht tegen de vaststelling van de rechtbank dat de vrouw niet heeft meegewerkt aan het doen plaatsvinden van proefcontacten, zodat ook dit in rechte vaststaat en ook het hof van dit gegeven zal uitgaan.

14. In het algemeen is het in het belang van een kind te achten dat het omgang heeft met de niet met het gezag belaste ouder. Dienovereenkomstig heeft de wetgever dan ook bepaald dat het kind en de niet met het gezag belaste ouder recht op omgang met elkaar hebben. Dat recht kan slechts worden ontzegd op de in artikel 1:377a lid 3 BW omschreven gronden.

15. De vrouw heeft gesteld dat zij thans niet bereid en in staat is [de minderjarige] in te lichten over haar status. In de visie van de vrouw is omgang tussen de man en [de minderjarige] niet in het belang van [de minderjarige] zolang zij [de minderjarige] niet heeft voorgelicht omtrent haar status. Daarnaast acht de vrouw omgang tussen de man en [de minderjarige] feitelijk onmogelijk nu de man woonachtig is in de Verenigde Staten.

16. Deze door de vrouw aangevoerde feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende om te oordelen dat zich een van de ontzeggingsgronden voordoet als bedoeld in artikel 1:377a lid 3 BW. Waar voorts geen andere feiten en/of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die tot een ander oordeel moeten leiden, is het hof met de rechtbank van oordeel dat een omgangsregeling als door de rechtbank omschreven dient te worden vastgesteld.

17. Aan het vorenstaande doet niet af dat de raad in zijn rapport van 10 juni 2003 heeft geadviseerd om de omgangsregeling op te schorten totdat [de minderjarige] van haar biologische status op de hoogte is. Immers, het staat de rechter vrij om van een advies van de raad af te wijken.

Daartoe is in het licht van al het vorenoverwogene voldoende grond, om reden dat het enkele feit dat de vrouw niet bereid en in staat is [de minderjarige] omtrent haar status voor te lichten, met als logisch gevolg onbekendheid van [de minderjarige] daarmee, geen ontzeggingsgrond(en) oplevert als bedoeld in artikel 1:377a lid 3 BW.

18. Daarnaast overweegt het hof nog het volgende. Weliswaar geniet het ook naar het oordeel van het hof de voorkeur dat [de minderjarige] voorafgaand aan het starten van een omgangsregeling wordt voorgelicht omtrent haar status, maar wanneer de visie van de vrouw zou worden gevolgd (geen omgang zolang geen statusvoorlichting heeft plaatsgevonden) zou zulks tot het ongewenste gevolg leiden dat de vrouw het in haar macht zou hebben om de totstandkoming van omgang tussen de man en [de minderjarige] te verhinderen, terwijl er van enige ontzeggingsgrond geen sprake is.

De slotsom

19. Gelet op het vorenstaande dient de beschikking waarvan beroep te worden bekrachtigd.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank van 22 december 2004, waarvan beroep.

Aldus gegeven door mrs Melssen, voorzitter, en Wachter en Laagland, en uitgesproken door mr Melssen, raadsheer, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Bons als griffier ter bijzondere openbare terechtzitting van dit hof van vrijdag 15 juli 2005.