Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AT9217

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
08-07-2005
Datum publicatie
13-07-2005
Zaaknummer
BK 433/03 Loonbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of

a. de inspecteur terecht de onder 2.16 genoemde correctie heeft toegepast; en

b. de onder 2.17 genoemde verhoging terecht is opgelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 47
Algemene wet inzake rijksbelastingen 49
Algemene wet inzake rijksbelastingen 52
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-1413
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 433/03 8 juli 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X Engineering BV te Z (: belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen voor het tijdvak 1 januari 1996 t/m 31 december 1996 met aanslagnummer 00.00.000.A.01.650.0.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende werd genoemde naheffingsaanslag, bestaande uit f 82.611,- enkelvoudige belasting en f 41.305,- verhoging, opgelegd met dagtekening 24 december 2001. Naar aanleiding van een controlerapport van 4 juli 2002 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag bij ambtshalve genomen beschikking van 21 maart 2003 verminderd tot een naheffingsaanslag, bestaande uit f 57.701,- aan enkelvoudige belasting en f 28.850,- verhoging.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 7 april 2003 de naheffingsaanslag gehandhaafd zoals deze luidde na de ambtshalve vermindering.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlage), dat op 16 mei 2003 is ingekomen en is aangevuld bij brief van 11 juli 2003.

De inspecteur heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingezonden. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het hof van 18 mei 2005. Aldaar zijn verschenen en gehoord de inspecteur, vergezeld van drs. A, B en C. Namens belanghebbende is (met bericht van verhindering) niemand verschenen. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Over de jaren 1995 t/m 1999 is een boekenonderzoek ingesteld bij belanghebbende. Zij maakt onderdeel uit van de D-groep, gevestigd te Z. Deze groep kent twee hoofdactiviteiten: enerzijds de productie en montage van luchttechnische systemen (D-vennootschappen) en anderzijds de productie van en handel in weeg- en verpakkingsmachines en verpakkingsmaterialen voor de agri-industrie (X-vennootschappen in Nederland en in de Verenigde Staten).

2.2 De structuur van de groep is in de gecontroleerde periode veelvuldig gewijzigd. Deze wijzigingen betreffen de onderlinge aandeelhoudersrelaties binnen de groep, de namen van de vennootschappen en de activiteiten daarvan en wijzigingen van het boekjaar van de meeste vennootschappen.

2.3 De aandelen van de twee topholdings binnen de groep, D Belegging BV en X Holding BV, zijn in het bezit van de heer E.

2.4 Hij geeft als directeur dagelijks leiding aan de groep en is verantwoordelijk voor de wijze waarop door de diverse vennootschappen wordt omgegaan met de fiscale verplichtingen.

2.5 Het in 2000 opgestarte boekenonderzoek kende een uiterst moeizaam verloop. E maakte voor de aanvang van het onderzoek al kenbaar dat de medewerking zijnerzijds en van de zijde van het bedrijf tot het hoogst noodzakelijke zou worden beperkt. Bij de aanvang van de controle werd tevens meegedeeld dat de heer F, financieel adjunct-directeur, niet met de controlerende ambtenaren wenste te praten en geen vragen wilde beantwoorden. Tijdens het onderzoek heeft E meerdere malen uitgesproken dat hij weigerde om (verder) inlichtingen en informatie te verstrekken. Evenmin heeft uitwisseling van de digitale gegevens op een voor de belastingdienst leesbare/benaderbare wijze plaatsgevonden. De bejegening van de controlerende ambtenaren door E blijkt uit de chronologische verslagen die door twee van de controlerende ambtenaren (C RA en B) zijn opgesteld (zie bijlagen 6 en 7 bij het verweerschrift).

2.6 Omdat beantwoording van vragen en informatieverstrekking in de vorm van stukken en bestanden uitbleef, is de heer E en later zijn gemachtigde, de heer G, schriftelijk meegedeeld dat men daardoor niet voldeed aan de op hen rustende verplichtingen ingevolge de artikelen 47 en 49 AWR. Uiteindelijk is slechts ten dele gereageerd op de naar aanleiding van de controle gestelde vragen en verzoeken om nadere toelichting en stukken.

2.7 In het in juli 2002 uitgebrachte controlerapport (bijlage 8 bij het verweerschrift) is het standpunt van de controlerende ambtenaren opgenomen met betrekking tot de verschillende onderwerpen. Voor zover er een reactie van belastingplichtige is ontvangen, is dat bij het betreffende onderwerp vermeld.

2.8 E heeft op 10 mei 2000 aangegeven geen prijs te stellen op een mogelijkheid tot reactie op een concept van het controlerapport; het onderzoek moest maar worden afgemaakt en dan zou hij zijn standpunt over de inhoud van het rapport wel kenbaar maken. Resultaat van het boekenonderzoek is een controlerapport van 97 pagina's (inclusief een niet openbaar intern memo) met een veelheid aan correcties voor de vennootschaps-, omzet- en loonbelasting.

2.9 De controlerende ambtenaren hebben daarbij (voor de loonbelasting) 1998 als basisjaar genomen en de uitkomsten naar de overige jaren geëxtrapoleerd.

Voor de loonbelasting is slechts de S&O-correctie in geding.

2.10 Diverse vennootschappen binnen het concern hebben gebruik gemaakt van de S&O-faciliteit in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: WVA). (Zie het overzicht in onderdeel 4.9.4 op blz. 84 e.v. van het controlerapport.)

2.11 In dit onderdeel is voorts omschreven wat er volgens de controlerende ambtenaren mis is met de S&O-administratie binnen het concern, gelet op de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 24 van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering (hierna: URAV) naast de meer algemene verplichtingen die voortvloeien uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen (: AWR), met name artikel 52, lid 4.

2.12 Ter berekening van de S&O-loonsom past belanghebbende in afwijking van artikel 21, lid 1, WVA onder toepassing van artikel 22 URAV het vereenvoudigde S&O-loon toe.

2.13 Bij de aanvang van de controle van de S&O-afdrachtvermindering is door de controlerende ambtenaren de volledige S&O-administratie over 1998 opgevraagd, bestaande uit de urenstaten, de loonkostenoverzichten, de S&O-aanvragen en de S&O-beschikkingen. De voortgangsrapportage van de diverse projecten was volgens mededeling van belanghebbende niet (meer) aanwezig.

2.14 Samengevat waren van de 26 werknemers die in 1998 S&O-werkzaamheden verrichtten, 21 personen te controleren en van hun uren was minder dan 1/3 deel te controleren.

2.15 De resultaten van de controle leverden voorts op dat wat betreft werknemers die aan werkorders werkten alle geclaimde S&O-uren ten onrechte in aanmerking waren genomen en wanneer gekeken werd naar alle werknemers tezamen, ruim 40% (1598,5 van totaal 3.913,5 controleerbare, als S&O geboekte uren) ten onrechte als S&O-uren was aangemerkt. De controlerende ambtenaren hebben uiteindelijk 30% van de in aftrek gebrachte S&O-afdrachtvermindering laten staan en dus 70% gecorrigeerd.

2.16 Voor 1996 betekende dit een correctie op de afdrachtvermindering ter zake van S&O van f 57.701,-.

2.17 Ter zake van deze correctie heeft de inspecteur een verhoging van per saldo 50 percent opgelegd, ofwel f 28.850,-.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of

a. de inspecteur terecht de onder 2.16 genoemde correctie heeft toegepast; en

b. de onder 2.17 genoemde verhoging terecht is opgelegd.

Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en de inspecteur bevestigend.

3.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Op belanghebbende rust de last om de grootte van de S&O-afdrachtvermindering ingevolge de WVA aannemelijk te maken.

4.2 Gelet op het vermelde onder 2.5 tot en met 2.15 kan het hof er niet van uitgaan dat de S&O-administratie van belanghebbende over het onderhavige jaar hiervoor toereikend is. Weliswaar hebben de controlerende ambtenaren deze administratie voor het onderhavige jaar niet gecontroleerd, maar de bevindingen over 1998 zijn van dien aard dat aannemelijk is dat ook over het onderhavige jaar de S&O-administratie onvoldoende is. Een constatering over het ene jaar kan immers ook iets zeggen over een ander jaar (vergelijk HR 12 juli 2002, nr. 37 209, BNB 2002/324).

4.3 Belanghebbende heeft met het gestelde in haar beroepschrift tegenover de gemotiveerde weerspreking door de inspecteur in zijn verweerschrift onder punt 7 ook niet aannemelijk gemaakt dat of in hoeverre de door haar geclaimde S&O-afdrachtvermindering ingevolge de WVA juist is.

4.4 De inspecteur heeft over de S&O-correctie een verhoging opgelegd van per saldo 50%.

Naar het oordeel van het hof had belanghebbende moeten beseffen dat voor de gevraagde S&O-afdrachtvermindering een deugdelijke administratieve onderbouwing noodzakelijk is. Nu aangenomen moet worden dat belanghebbende hiervoor geen zorg heeft gedragen, heeft belanghebbende zich naar het oordeel van het hof willens en wetens blootgesteld aan de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans dat zij bij controle niet aannemelijk zou kunnen maken dat of in hoeverre de door haar geclaimde S&O-afdrachtvermindering ingevolge de WVA juist is. Naar het oordeel van het hof is het derhalve aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven. Het hof acht de opgelegde verhoging (zie 1.17) dan ook in beginsel passend en geboden. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr 37 984, V-N 2005/22.6, overweegt het hof ambtshalve dat sinds de oplegging van de verhoging bij de naheffingsaanslag (24 december 2001) tot de onderhavige uitspraak ongeveer 3 jaar en 6,5 maanden zijn verstreken. De overschrijding van de termijn van in beginsel twee jaar dient voor 17 maanden te worden toegerekend aan belanghebbende (uitstel voor motivering bezwaar 11 maanden (lange duur van deze termijn is mede het gevolg van de vertraging in de afdoening van het boekenonderzoek door het toedoen van belanghebbende); uitstel motivering beroep 2 maanden; uitstel voor zitting 4 maanden). Gelet hierop en de ingewikkeldheid van de zaak is er naar het oordeel van het hof toch geen sprake van schending van de redelijke termijn.

4.5 Gelet op het voorgaande dient te worden beslist als hierna te vermelden.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing.

Het hof

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 8 juli 2005 door mr. J. Huiskes, raadsheer en voorzitter, mr. F.J.W. Drion, raadsheer, en mr. J.W. Keuning, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Hiemstra en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 13 juli 2005 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.