Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AT8578

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
17-06-2005
Datum publicatie
01-07-2005
Zaaknummer
BK 329/04 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende voor het onderhavige jaar heeft voldaan aan het urencriterium voor de zelfstandigenaftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-1350
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 329/04 17 juni 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Noord/kantoor Assen (:de inspecteur) op het bezwaar van belanghebbende tegen de haar opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2000.

1. Ontstaan en loop van het geding

Belanghebbende werd voor het jaar 2000 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold, (hierna te noemen: de Wet), naar een belastbaar inkomen van f 36.296,-- waarbij geen rekening was gehouden met zelfstandigenaftrek.

Tegen deze aanslag heeft belanghebbende op 18 november 2003 een bezwaarschrift ingediend.

Op 3 maart 2004 heeft de inspecteur uitspraak gedaan op het bezwaarschrift, waarbij hij het bezwaar heeft afgewezen.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 15 april 2004 is ingekomen.

Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, alsmede een aanvulling daarop (met bijlage), heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 25 april 2005, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende zomede de inspecteur, die werd vergezeld door A.

Ter voormelde zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende de door hem ter zitting voorgedragen pleitnota overgelegd.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Belanghebbendes echtgenoot, B, exploiteerde in het verleden een snackbar te Z. Tengevolge van arbeidsongeschiktheid heeft hij de exploitatie moeten staken en de snackbar verkopen. Er resteerden daarna nog schulden.

2.2 In 1990 is de echtgenoot in loondienst gaan werken als verkoper van relatiegeschenken. In 1991 raakte hij opnieuw arbeidsongeschikt.

2.3 In 1992 is de echtgenoot begonnen met een eigen onderneming met als activiteit de handel in relatiegeschenken. Al snel is gebleken dat de echtgenoot toen niet in staat was de onderneming succesvol te exploiteren.

2.4 Belanghebbende, geboren in 19.., heeft in 1992 vervolgens de exploitatie ter hand genomen met behulp van de know-how van de echtgenoot. Zij behaalde een omzet die groeide van een waarde van € 34.835 in 1993 tot € 105.059 in 2003 en € 84.685 in 2004. Daarnaast bleef zij in ieder geval vanaf 1 januari 1996 voor twee dagen per week in loondienst werkzaam als assistente in een drogisterij. Deze werkzaamheden besloegen volgens een berekening van belanghebbende 97,5 uren per maand.

2.5 Belanghebbende hield aanvankelijk voor zichzelf bij hoeveel uren zij werkzaam was voor de onderneming, waarbij zij concludeerde dat werd voldaan aan de urennorm voor de zelfstandigenaftrek. Daarna heeft zij geen administratie van de gewerkte uren meer bijgehouden.

2.6 In de aangifte voor de inkomstenbelasting voor het jaar 1999 is meewerkaftrek gevraagd van 1,25% in verband met 750 uren door de echtgenoot in de onderneming meegewerkte uren.

2.7 Eind 2000 heeft Gak Nederland BV onderzoek verricht naar de werkzaamheden van de echtgenoot, die toen als verdachte is gehoord. Hij heeft toen verklaard dat hij gemiddeld 6 tot 8 uur per week werkzaam was in de onderneming en dat belanghebbende eveneens 6 tot 8 uur per week werkzaam was. Deze laatste uitspraak heeft de echtgenoot in een later stadium herroepen. Voorts verklaarde hij dat hij samen met belanghebbende de inkopen, de verkopen en het bezoeken van beurzen doet en dat hij hoofdzakelijk de klanten bezoekt en zorg draagt voor de aflevering van de bestelde goederen.

2.8 Nadat de belastingdienst over de bevindingen van Gak Nederland BV was geïnformeerd heeft de inspecteur op 20 juli 2001 kennisgevingen aan belanghebbende gezonden van het voornemen navorderingsaanslagen op te leggen voor de jaren 1996 tot en met 1999, met gelegenheid daarop te reageren vóór 3 augustus 2001.

2.9 Op 15 augustus 2001 heeft de behandelend ambtenaar de navorderingsaanslagen vastgesteld. Op dezelfde datum ontving de inspecteur een reactie op de kennisgevingen van de gemachtigde van belanghebbende.

2.10 In de bezwaarschriften tegen de navorderingsaanslagen, waarnaar belanghebbende in het bezwaarschrift tegen de onderhavige aanslag verwijst, werd het totaal aantal in de onderneming gewerkte uren per jaar geschat op 2.230, waarvan de echtgenoot 20% tot 30% zou hebben gewerkt.

2.11 Op 23 juli 2004 is bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld voor de jaren 2001 en 2002, waarbij de aannemelijkheid van de zelfstandigenaftrek werd beoordeeld. Er bleek geen vastlegging van de gewerkte uren en ook werden geen kopieën van gedane offertes bewaard. Belanghebbende kon toen eveneens niet aangeven wanneer zij voor het laatst een potentiële klant had bezocht. Ook voor het jaar 2000 heeft belanghebbende, volgens haar verklaring, geen vastlegging van de gewerkte uren bijgehouden.

2.12 In 2005 hebben belanghebbende en haar echtgenoot een drietal schulden tot een totaalbedrag van € 32.000 en een negatief zakelijk vermogen van € 10.000. Zij bezitten slechts een auto ter waarde van € 7.000. Hun netto maandinkomen bedraagt € 1.274,-- terwijl zij aan vaste lasten per maand circa € 900,-- betalen.

2.13 Bij het vaststellen van de onderhavige aanslag heeft de inspecteur het bedrag van de door belanghebbende bij de aangifte in mindering gebrachte zelfstandigenaftrek bij het aangegeven belastbare inkomen geteld.

2.14 Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraken dit standpunt gehandhaafd.

3. Het geschil.

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende voor het onderhavige jaar heeft voldaan aan het urencriterium voor de zelfstandigenaftrek.

4. Het standpunt van belanghebbende.

Namens belanghebbende is - voor zover te dezen van belang, kort samengevat - gesteld in het beroepschrift en mondeling ter zitting:

De echtgenoot van belanghebbende heeft, voortkomend uit zijn zwakke psychische gesteldheid, bij zijn verhoor een onjuiste verklaring afgelegd. Hij heeft daarbij het tijdsbeslag van belanghebbende veel te laag aangegeven. Naast de werkzaamheden in loondienst is belanghebbende op de overige dagen in de onderneming werkzaam, ook veelal in de avonduren. In het verleden is wel een urenspecificatie bijgehouden waaruit bleek dat ruimschoots aan het urencriterium was voldaan, maar wegens de administratieve rompslomp is dit later achterwege gelaten. De inspecteur heeft bij de regeling van de primitieve aanslagen steeds de aangifte gevolgd op het punt van de zelfstandigenaftrek zonder nader onderzoek in te stellen. Het boekenonderzoek in 2001 heeft belanghebbende zo overstuur gemaakt dat zij niet in staat was gedegen antwoorden te geven op de gestelde vragen. Belanghebbende en haar echtgenoot hebben een zwaar negatief vermogen.

5. Het standpunt van de inspecteur.

De inspecteur heeft daartegenover -voor zover te dezen van belang, kort samengevat- aangevoerd in het verweerschrift en mondeling ter zitting:

De verklaring van belanghebbendes echtgenoot tijdens het verhoor bij GAK Nederland BV vormde een nieuw feit dat navordering mogelijk maakte. De aangifte van belanghebbende voor het onderhavige jaar gaf daardoor ook aanleiding te twijfelen aan de gevraagde zelfstandigenaftrek. De door belanghebbendes gemachtigde geproduceerde urenopstellingen zijn achteraf op basis van schattingen opgesteld en te globaal om daarmee het gewerkte aantal uren aannemelijk te maken. Ook het op 23 juli 2004 ingestelde boekenonderzoek heeft geen duidelijkheid kunnen verschaffen over het aantal gewerkte uren. De in de administratie aangetroffen aantekeningen waren veelal in het handschrift van belanghebbendes echtgenoot. Hoewel de omvang van de dienstbetrekking in de drogisterij de mogelijkheid open laat dat aan het urencriterium is voldaan is zulks daarmee nog niet aannemelijk geworden. De echtgenoot van belanghebbende heeft, volgens zijn verklaring minder in de onderneming gewerkt dan 525 uren op jaarbasis, in welk geval het aantal werkzame uren van belanghebbende tenminste 1170 zou moeten hebben bedragen om in aanmerking te komen voor zelfstandigenaftrek. Nu dit niet het geval is, ligt voor belanghebbende de ondergrens op 1225 uren.

De penibele financiële situatie van belanghebbende kan geen reden zijn de aanslagen te vernietigen.

6. De overwegingen omtrent het geschil.

6.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 44m van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals deze wet voor het onderhavige jaar luidde (nader: de Wet), wordt een zelfstandigenaftrek toegepast ten aanzien van de belastingplichtige die winst uit onderneming geniet en bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar, doch nog niet die van 65 heeft bereikt, indien –onder meer- gedurende het kalenderjaar de tijd die in totaal wordt besteed aan het voor eigen rekening feitelijk drijven van een onderneming en het verrichten van arbeid als bedoeld in artikel 22 van de Wet, grotendeels, doch voor tenminste 1225 uren, in beslag wordt genomen door het drijven van die onderneming. Dit aantal uren wordt op grond van het bepaalde in lid 7 van genoemd artikel 44m verlaagd tot 875

6.2 De bewijslast betreffende de feiten en omstandigheden die redengevend zijn voor het toepassen van de aftrek rust in beginsel op degene die toepassing van de aftrek verzoekt. Derhalve dient belanghebbende aannemelijk te maken dat haar aan werkzaamheden besteedde tijd voor tenminste 50%, ofwel gelet op de omvang van haar dienstbetrekking tenminste 1170 uren (ingeval de echtgenoot tenminste 525 uren heeft meegewerkt), dan wel 1225 uren, dienen te zijn besteed aan het drijven van de onderneming.

6.3 Nu de echtgenoot, naar uit zijn verklaring, dat hij 6 tot 8 uren per week besteedde aan werkzaamheden voor de onderneming, volgt, minder dan 525 uren op jaarbasis heeft meegewerkt, dient belanghebbende derhalve aannemelijk te maken dat zij in het onderhavige jaar tenminste 1225 uren heeft besteed aan het drijven van de onderneming.

6.4 Bij ontstentenis van een vastlegging van de gewerkte uren in het onderhavige jaar en de daaraan voorafgaande jaren heeft belanghebbende aan de hand van de omvang van de omzet en de daarvoor te verrichten handelingen geschat hoeveel uren zij in de onderneming werkzaamheden heeft verricht. Daar deze schatting op geen enkele wijze nader kan worden onderbouwd, gelijk namens belanghebbende ter zitting is toegegeven, en gelet op de verklaring van de echtgenoot dat ook belanghebbende 6 tot 8 uren per week besteedde aan werkzaamheden voor de onderneming, welke verklaring hij overigens later heeft herroepen, acht het hof die schatting te globaal van karakter en te onzeker om daarmee te voldoen aan vorenmelde bewijslast. Dientengevolge heeft de inspecteur terecht bij de onderhavige aanslag het aangegeven belastbare inkomen ten aanzien van de toegepaste zelfstandigenaftrek gecorrigeerd.

6.5 Het door belanghebbende gestelde financiële onvermogen kan geen reden zijn de aanslag te verminderen of te vernietigen. Slechts in de fase van de invordering is de ontvanger der belastingen bevoegd een regeling te treffen.

6.6 Het beroep is derhalve ongegrond.

6.7 Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing.

Het hof

verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 17 juni 2005 door mr. H.S. Pruiksma, vice-president, mr. F.J.W. Drion en mr. G.M. van der Meer, raadsheren, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. de Jong en op die dag in het openbaar uitgesproken en ondertekend door voornoemde raadsheer mr. Drion, zijnde voornoemde griffier buiten staat te ondertekenen.

Op 1 juli 2005 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.