Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AT7561

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-06-2005
Datum publicatie
16-06-2005
Zaaknummer
24-000476-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gerechtshof te Leeuwarden heeft een man veroordeeld wegens uitlokking van poging tot moord. De man pleegde het misdrijf tijdens een proefverlof vanuit een tbs-inrichting. Hij zette een kennis aan een vrouw van het leven te beroven met messteken. De vrouw werd diep in de keel gestoken en liep onder meer een klaplong op. Als door een wonder heeft zij het leven behouden. Verdachte heeft zich niet gehouden aan de afspraak dat hij tijdens het verlof geen alcohol zou gebruiken en is er kennelijk in geslaagd zijn therapeuten te doen geloven dat een verlof zonder veel risico's kon worden verleend. Het hof acht om die reden een langdurige gevangenisstraf noodzakelijk om de samenleving tegen de veoordeelde te beschermen en heeft de in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf van vier jaren verhoogd tot acht jaren. Het hof heeft bepaald dat de man na het uitzitten van deze straf opnieuw ter beschikking wordt gesteld en bevolen dat hij dwangverpleging zal dienen te ondergaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000476-04

Arrest van 14 juni 2005 van het gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Groningen van 1 april 2004 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in Dr. S. van Mesdagkliniek te Groningen,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. N.A Heidanus, advocaat te Groningen.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank te Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, heeft maatregelen opgelegd en beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Het hof neemt uit het vonnis over de daar vermelde inhoud van de inleidende dagvaarding.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte veroordeelt tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren. Voorts heeft zij te kennen gegeven dat zij niet de terbeschikkingstelling van verdachte zal vorderen, omdat de reeds opgelegde terbeschikkingstelling herleeft nadat verdachte zijn gevangenisstraf heeft uitgezeten. Voor het geval het hof van oordeel mocht zijn dat de maatregel van terbeschikkingstelling wel opnieuw opgelegd dient te worden, vordert zij de gevangenneming van verdachte.

Daarnaast vordert zij de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vrijspraak

Het hof acht niet bewezen hetgeen primair en subsidiair aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Nadere bewijsoverweging

Het hof hecht meer geloof aan de lezing van het gebeurde die de toenmalige medeverdachte [medeverdachte] in zijn verklaringen bij de politie op 8 april en 10 april 2003 heeft gegeven dan aan de verschillende verklaringen die verdachte bij de politie en de zittingen van de rechtbank en hof heeft afgelegd. De verklaringen van [medeverdachte] vinden namelijk steun in andere verklaringen, vooral die van het slachtoffer, maar ook in de objectieve bevinding, dat op de borst van [medeverdachte] laesies zichtbaar waren, die erop duidden dat verdachte hem inderdaad een mes op het lichaam heeft gezet. Dit wordt als volgt toegelicht.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat zich op de avond van 5 april 2003 en de vroege ochtend van 6 april 2003 het volgende heeft afgespeeld.

Op de avond van 5 april 2003 gingen [verdachte], [medeverdachte] en diens vriendin, het latere slachtoffer [slachtoffer], naar een bar in Groningen, waar [verdachte] een grote hoeveelheid alcohol dronk. [verdachte] en [medeverdachte] hebben daar met elkaar gedanst en gezoend.

Rond 2.00 uur 's nachts zijn zij in het huis van [verdachte] teruggekeerd, waar allen zouden overnachten. [slachtoffer] is kort daarna naar boven gegaan om te gaan slapen. De beide mannen zijn beneden blijven praten. [verdachte] heeft een groot en een klein mes uit de keuken gepakt. [verdachte] duwde het grote mes tegen de borst van [medeverdachte] en zei tegen hem dat hij [slachtoffer] dood moest steken. Ook zette [verdachte] het kleine mes tegen de keel van [medeverdachte] en zei hem kapot te zullen maken, als [medeverdachte] niet deed wat [verdachte] hem opdroeg. Onder bedreiging van het kleine mes is [medeverdachte], vergezeld van [verdachte], naar boven gelopen, naar de kamer waar het slachtoffer lag te slapen. Daar heeft [verdachte] tegen [medeverdachte] gezegd dat hij het slachtoffer in het hart moest steken en hem weer met de dood bedreigd, als hij het niet meteen deed. Vervolgens stak [medeverdachte] het slachtoffer met het grote mes kennelijk zo diep in de halsstreek, dat zij een klaplong heeft opgelopen. Hierop werd zij wakker en zag de beide mannen staan.

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij niet heeft willen voldoen aan de opdracht van verdachte het slachtoffer in het hart te steken. Het toebrengen van een zo diepe steek in de hals bracht evenwel naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans mede dat het slachtoffer ten gevolge van die halssteek zou overlijden en [medeverdachte] heeft zich aan die aanmerkelijke kans willens en wetens blootgesteld. Het hof stelt vast dat [medeverdachte] ook de tijd heeft gehad zich te beraden op het te nemen of voorgenomen besluit. Hij heeft zich immers nadat verdachte hem beneden had bedreigd en hem had gezegd dat hij [slachtoffer] dood moest maken, niet aan die opdracht onttrokken, terwijl niet of onvoldoende gebleken is of zelfs maar aannemelijk geworden, dat hij zich aan die opdracht niet kón onttrekken. Hij is integendeel naar boven gelopen en heeft [slachtoffer] de diepe messteek in de hals toegebracht. Aldus heeft hij (ruim) de gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en heeft hij zich daarvan rekenschap gegeven.

Samenvattend komt het erop neer dat het hof bewezen acht dat verdachte door middel van geweld, bedreiging en middelen [medeverdachte] - om hem moverende redenen die niet met zekerheid vastgesteld kunnen worden - ertoe heeft aangezet het slachtoffer [slachtoffer] te (proberen te) vermoorden.

Met deze op de bewijsmiddelen berustende reconstructie is onverenigbaar de verklaring van verdachte hierop neerkomende dat hij beneden is gebleven en niet wist wat [medeverdachte] boven ging doen. [medeverdachte] heeft juist verklaard dat verdachte boven bij het steken van het slachtoffer aanwezig is geweest en de verklaring van [slachtoffer] sluit daarbij aan. Zij heeft immers verklaard, dat zij, toen zij wakker werd en constateerde dat er een mes in haar keel zat, zag dat [medeverdachte] en verdachte beiden bij haar bed stonden.

Ten slotte geldt dat verdachte en [medeverdachte] volgens de eigen verklaring van verdachte na het gebeurde het licht in de woning waar het slachtoffer verbleef, hebben uitgedaan, deze woning hebben verlaten, zijn weggerend en geruime tijd zijn blijven rennen. Deze gang van zaken, gevoegd bij de omstandigheid dat verdachte aan het slachtoffer geen hulp heeft verleend of voor haar gezocht, maken zijn bewering dat hij met poging tot moord niets van doen heeft gehad, te meer ongeloofwaardig. Het hof acht bij dit alles onaannemelijk dat verdachte in paniek is geraakt, omdat hij veronderstelde dat hij als ter beschikking gestelde op proefverlof de schuld zou krijgen van het misdrijf.

Bewezenverklaring

Ten aanzien van verdachte acht het hof meer subsidiair bewezen dat:

P.J.P. [medeverdachte] op 6 april 2003 in de gemeente Groningen ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachte rad[slachtoffer] van het leven te beroven met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] met een mes in haar halsstreek heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welk misdrijf verdachte op 6 april 2003 in de gemeente Groningen opzettelijk heeft uitgelokt door middel van geweld, bedreiging en middelen, hebbende hij, verdachte

- die [medeverdachte] op 6 april 2003 messen getoond en die messen op het lichaam van die [medeverdachte] gezet en

- daarbij tegen [medeverdachte] gezegd dat hij [slachtoffer] moest doden en

- (daarbij) gedreigd [medeverdachte] te doden wanneer hij [slachtoffer] niet zou doden en

- [medeverdachte] een mes gegeven en (daarbij) aan [medeverdachte] gezegd hoe hij [slachtoffer] moest doden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

meer subsidiair:

uitlokking van poging tot moord.

Strafbaarheid

Omtrent verdachte is door R. Vriesema, psychiater, d.d. 11 februari 2005 een psychiatrisch rapport uitgebracht. Voorts is door G. de Jong, forensisch psycholoog, omtrent verdachte op 23 februari 2005 een psychologisch rapport uitgebracht.

In beide rapportages wordt geconcludeerd dat bij verdachte ten tijde van het plegen van het hem ten laste gelegde een narcistische persoonlijkheidsstoornis van dien aard bestond, dat het ten laste gelegde - indien bewezenverklaard - hem slechts in verminderde mate kan worden toegerekend.

Het hof neemt deze conclusie over en maakt die tot de zijne.

Gelet hierop en voorts in aanmerking genomen dat ten opzichte van verdachte overigens ook geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht, acht het hof verdachte strafbaar.

Strafmotivering

De rechtbank heeft verdachte ter zake van medeplegen van poging tot moord veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en heeft voorts de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opgelegd. Verdachte is tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen.

Het hof heeft - met bewezenverklaring ter zake van "uitlokking van poging tot moord"

- de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Het hof tilt zwaar aan dit door verdachte gepleegde feit. Dit getuigt van grove minachting voor het leven van een ander. Naar een algemeen hier te lande gebruikelijke maatstaf wordt het begaan van een dusdanig ernstig feit veelal bestraft met een langdurige gevangenisstraf.

Door het toedoen van verdachte is de psychische en lichamelijke integriteit van het slachtoffer aangetast. Zij had een wond in de hals van twee centimeter (breedte) en is gestoken net voor de luchtpijp langs vlakbij de grote vaten. Zij had een klaplong en is een week opgenomen geweest in het Academisch Ziekenhuis in Groningen.

Haar littekens zullen haar blijven herinneren aan deze traumatische gebeurtenis. Dat de gevolgen niet nog erger zijn, is in eerste instantie te danken aan adequaat optreden van het slachtoffer zelf. Zij trok het mes uit haar hals, drukte de wond dicht met een handdoek en liep naar buiten om hulp te halen, waarna zij met spoed is opgenomen in het ziekenhuis. Ze moet hebben gevreesd voor haar leven.

Verdachte heeft haar, nadat hij had gezien welke verwonding zij had opgelopen, aan haar lot overgelaten.

Bij de straftoemeting neemt het hof voorts in aanmerking dat het slachtoffer met een mes is gestoken, terwijl zij lag te slapen in bed, een plek waar een ieder zich veilig moet kunnen voelen. Zij heeft zich sinds die bewuste nacht niet meer veilig gevoeld en heeft geen vertrouwen meer in anderen. Te vrezen valt dat dit nog lang zo zal blijven.

Het hof neemt verdachte bovendien ernstig kwalijk dat hij een ander als instrument voor deze verwerpelijke daad heeft gebruikt, nota bene de vriend van het slachtoffer. Ook dit dient bij de bepaling van de strafmaat mee te wegen.

Bij dit alles komt nog, dat verdachte het bewezenverklaarde heeft gepleegd, terwijl voor hem een terbeschikkingstelling met dwangverpleging liep, welke maatregel hem in 1995 is opgelegd voor een soortgelijk delict. Verdachte heeft het feit waarvoor hij thans terecht staat gedurende een weekendverlof gepleegd. Verdachte mocht van de kliniek gedurende zijn proefverlof geen alcohol drinken en hij is zich kennelijk ervan bewust dat hij na het nuttigen van alcohol zichzelf niet meer in de hand heeft. Niet alleen heeft hij zijn alcoholgebruik voor de kliniek verzwegen, maar ook heeft hij - op de avond en nacht hier van belang - wederom een grote hoeveelheid alcohol genuttigd, waarna de door hem uitgelokte poging tot moord heeft plaatsgevonden.

De behandeling is bij verdachte kennelijk niet aangeslagen en hij wist dat voor zijn behandelaars zodanig te bemantelen dat hem verregaande vrijheden zijn toegestaan en hij ongehinderd kon terugvallen in agressief - grensoverschrijdend gedrag onder invloed van alcohol.

Geconcludeerd kan dan ook worden dat de maatschappij alleen voldoende tegen verdachte wordt beschermd, indien hem een zeer lange gevangenisstraf wordt opgelegd.

Tegenover deze strafverzwarende omstandigheden staat dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is.

Dat verdachte in de Dr. S. van Mesdagkliniek in afwachting van de uitkomst van deze strafzaak niet behandeld wordt, maar op een afdeling verblijft waar een regime overeenkomstig een Huis van Bewaring heerst, heeft niet, zoals door de raadsman bepleit, strafverminderende werking, omdat het hof van oordeel is dat verdachte door opnieuw een strafbaar feit te plegen zelf teweeg heeft gebracht dat de behandeling is gestopt.

Gelet op het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd, is het hof van oordeel dat het vonnis van de rechtbank alsmede de eis van de advocaat-generaal in hoger beroep onvoldoende recht doen aan de ernst van het feit. Naar het oordeel van het hof is een gevangenisstraf van acht jaren passend en geboden.

Motivering van de op te leggen maatregel

In de eerdergenoemde rapporten van psychiater R. Vriesema en psycholoog G. de Jong werd geconcludeerd dat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten verminderd toerekeningsvatbaar was.

Voorts kwam R. Vriesema tot onder meer de volgende conclusies in zijn rapport - zakelijk weergegeven - :

Verdachte is behept met een ernstige narcistische persoonlijkheidsstoornis en een krenkbaar zelfbeeld met gevaar voor agressieve 'acting out' of 'acting in' onder invloed van alcohol. Een en ander is van dien aard dat hetgeen aan verdachte ten laste gelegd wordt hem in verminderde mate kan worden toegerekend. Het is niet te verwachten dat verdachte zich voortaan in de maatschappij zonder meer behoorlijk zal gedragen en zich niet aan verstoring van de openbare orde zal schuldig maken. Verdachte heeft nauwelijks contact met de onderliggende problematiek en ontkent ook de invloed van alcohol op zijn gedrag. Als vanzelfsprekend is hij in staat tot rondlopen met geheimen over zichzelf en splitst hij delen van zijn gevoelsleven af, terwijl hij een geïdealiseerd beeld van zichzelf aan anderen laat zien. Er is een verandering ten goede te verwachten indien verdachte verder klinisch psychiatrisch wordt behandeld. Alleen door middel van een langdurig klinisch psychiatrische behandeling zal verdachte in contact kunnen komen met de bovenbeschreven onderliggende problematiek. Pas dan zou hij in staat kunnen zijn zich beter te leren begrenzen. Een TBS-setting is de meest aangewezen plaats voor een dergelijke behandeling. Juist door zijn vanzelfsprekende charmante presentatie bestaat er een gevaar bij behandelaars voor het meegaan in de afweer alsof er eigenlijk niets aan de hand is. Door voortdurend vraagtekens te plaatsen bij zijn vanzelfsprekendheden kan hij worden geconfronteerd met meer kwetsbare delen van zichzelf. Dan kan een verdergaande TBS-behandeling leiden tot meer zelfbewustzijn en zelfbegrenzing

G. de Jong concludeerde onder meer - zakelijk weergegeven - :

Bij verdachte bestaat een ziekelijke storing in de zin van alcoholverslaving en een gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens in de zin van een narcistische persoonlijkheidsstoornis met kans op agressief-grensoverschrijdend gedrag met name onder invloed van alcoholmisbruik. Deze stoornis bestond ook ten tijde van het ten laste gelegde. De gebrekkige ontwikkeling en ziekelijk storing zijn van dien aard dat het ten laste gelegde hem in verminderde mate moet worden toegerekend. Niet is te verwachten dat verdachte zich voortaan in de maatschappij behoorlijk zal gedragen en zich niet aan verstoring der openbare orde zal schuldig maken. Een verandering ten goede is mogelijk bij een intensieve psychiatrische behandeling. Het afgelopen jaar is gebleken hoezeer de problematiek nog steeds onveranderd aanwezig is. Een verdere behandeling gericht op de alcoholafhankelijkheid en de persoonlijkheidsstoornis is noodzakelijk om de kans op recidive te verkleinen. Onverminderd blijft van kracht dat verdachte een sterke neiging tot schijnaanpassing vertoont. De verdere behandeling zal in het kader van een TBS met verpleging moeten worden uitgevoerd.

Gelet op deze rapporten en de indruk die het hof van verdachte ter terechtzitting heeft verkregen

alsmede diens persoon voor zover daarvan uit de stukken blijkt, kan het hof zich met de hierboven weergegeven conclusies en adviezen verenigen, zodat het hof deze overneemt en tot de zijne maakt.

Nu gebleken is dat bij verdachte ten tijde van het plegen van het hiervoor bewezen verklaarde feit een zodanige ziekelijke storing van de geestvermogens bestond dat dit feit hem slechts in verminderde mate kan worden toegerekend, het bewezenverklaarde feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, en er ook naar s' hofs oordeel groot recidivegevaar aanwezig is, is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen en/of de algemene veiligheid van personen, het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist.

Verdachte heeft het feit gepleegd gedurende zijn terbeschikkingstelling en deze maatregel, met de daarin vervatte behandeling herleeft op het moment dat verdachte de bij deze uitspraak opgelegde gevangenisstraf heeft uitgezeten, indien het hof niet opnieuw de terbeschikkingstelling zou gelasten.

De deskundigen in deze zaak zijn het erover eens en het hof sluit zich ook hierbij aan, dat een langdurige en intensieve klinisch-psychiatrische behandeling in het kader van een terbeschikkingstelling met dwangverpleging noodzakelijk is, voordat verdachte behoorlijk en zonder gevaar voor anderen in de maatschappij kan functioneren. Het hof acht het ter bescherming van de maatschappij van belang dat bij aanvang van de behandeling na het uitzitten van de gevangenisstraf opnieuw beoordeeld wordt welke behandeling verdachte op dat moment nodig heeft, met inachtneming wat omtrent verdachte door voornoemde deskundigen is geschreven in hun rapporten, omdat het bestaande behandelingsplan evident onvoldoende bescherming biedt. Het hof kiest er daarom voor een nieuwe terbeschikkingstelling op te leggen. In het voorgaande ligt tevens de motivering besloten voor het oordeel dat de veiligheid van anderen en/of de algemene veiligheid van personen meebrengen dat verdachte van overheidswege dient te worden verpleegd.

Gevangenneming

De bij arrest van het gerechtshof te Arnhem van 15 december 1995 opgelegde - en daarna verlengde - terbeschikkingstelling, die thans de titel van vrijheidsbeneming van verdachte vormt, komt bij het onherroepelijk worden van dit huidige arrest te vervallen (artikel 38 l van het Wetboek van Strafrecht). Ofschoon moet worden aangenomen dat de gevangenisstraf dan onmiddellijk ten uitvoer zal worden gelegd, zal het hof, om buiten elke twijfel te stellen dat verdachte niet in vrijheid zal worden gesteld, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, diens gevangenneming bevelen, opdat een titel voor voorlopige hechtenis ontstaat die zal gelden tot het begin van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf.

Gelet op al het bovenstaande bestaan er ernstige bezwaren tegen de verdachte als bedoeld in artikel 67, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Er bestaan gewichtige redenen van maatschappelijke veiligheid die het ononderbroken voortduren van de vrijheidsbeneming vorderen. Door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren is gesteld, is de rechtsorde ernstig geschokt. Voorts wijst het hof op hetgeen hierboven is overwogen omtrent de persoonlijkheid van verdachte, die meebrengt dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden, dat de verdachte een misdrijf zal begaan, waardoor de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht.

Het onderhavige bevel zal afzonderlijk worden geminuteerd om de tenuitvoerlegging te vergemakkelijken.

Benadeelde partij.

De benadeelde partij heeft zich in het geding in eerste aanleg gevoegd. De vordering in eerste aanleg is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van de gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

De vordering van de benadeelde partij behelst in totaal een schadepost van Euro 2000,- De hoogte van de schade is deugdelijk gesteld en onderbouwd, c.q. niet weersproken. Het hof is van oordeel dat de schade rechtstreeks is toegebracht door het meer subsidiair bewezenverklaarde feit en de vordering kan worden toegewezen, een en ander in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, de verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Aangezien de benadeelde partij kennelijk heeft bedoeld het gevorderde bedrag te vorderen bij wijze van eerste betaling op een grotere som gelds die niet nader wordt geconcretiseerd, zal het hof haar voor dit meerdere van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat zij die vordering in zoverre bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Het hof zal tevens voormeld bedrag toewijzen in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel.

Schadevergoedingsmaatregel

Vast staat, dat door het bewezen verklaarde feit aan het slachtoffer schade is toegebracht, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Het hof acht termen aanwezig verdachte de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van Euro 2000,- ten behoeve van het slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte meer subsidiair ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van acht jaren;

gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde

van overheidswege zal worden verpleegd;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

beveelt de gevangenneming van verdachte;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij[slachtoffer], [adres], tot een bedrag van tweeduizend euro;

met dien verstande, dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat zij die vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van tweeduizend euro ten behoeve van het slachtoffe[slachtoffer], [adres];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van veertig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

met dien verstande, dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door prof. mr. Hermans, vice-president als voorzitter, mrs. Koers en Van Beuge, raadsheren in tegenwoordigheid van mr. Bennen als griffier.