Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AT7387

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-06-2005
Datum publicatie
15-06-2005
Zaaknummer
BK 872/04 Afvalstoffenheffing
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is of de onderhavige aanslag afvalstoffenheffing terecht aan de belanghebbende is opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2005/1268
Belastingblad 2005/878
FutD 2005-1210
JAF 2005/55
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 872/04 10 juni 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, zesde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z (: de belanghebbende) tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Westerveld (: de heffingsambtenaar), gedaan op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag afvalstoffenheffing voor het jaar 2004.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan de belanghebbende is voor het jaar 2004 een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd ten bedrage van € 262,20.

1.2. Op het tijdig ingediende bezwaar van de belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij de bestreden uitspraak van 27 augustus 2004, verzonden op 30 augustus 2004, de onder punt 1.1 bedoelde aanslag gehandhaafd.

1.3. De belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlage) dat op 4 oktober 2004 bij het gerechtshof is ingekomen.

1.4. Van de heffingsambtenaar heeft het gerechtshof op 19 november 2004 een verweerschrift (met bijlagen) ontvangen.

1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof op 22 april 2005, gehouden te Assen, alwaar aanwezig waren de belanghebbende alsmede namens de heffingsambtenaar mevrouw A.

1.6. Ter voormelde zitting hebben partijen de door hen ter zitting voorgedragen pleitnota’s overgelegd. De belanghebbende heeft ter zitting – zonder bezwaar van de zijde van de wederpartij – enige schriftelijke stukken overgelegd.

1.7. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1. De belanghebbende maakt geheel het jaar 2004 krachtens eigendom feitelijk gebruik van het perceel gelegen aan de a-weg 3 te L (: het perceel). Het perceel betreft een recreatiewoning, die alleen door de belanghebbende wordt gebruikt; er is sprake van een eenpersoonshuishouden.

2.2. De in het perceel ontstane afvalstoffen kunnen slechts door middel van een container ter inzameling worden aangeboden aan de gemeente Westerveld.

2.3. De belanghebbende beschikt ten aanzien van het perceel niet over een eigen afvalcontainer. De in het perceel (incidenteel) ontstane afvalstoffen worden door de belanghebbende zelf afgevoerd. Indien de belanghebbende de gemeente om uitreiking van een afvalcontainer had verzocht, had de gemeente direct gevolg gegeven aan dit verzoek.

2.4. Aan de belanghebbende is voor het jaar 2004 een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd ten bedrage van € 262,20.

2.5. Sinds de aankoop van het perceel in 1982 is aan de belanghebbende – behoudens de voor het jaar 2004 opgelegde aanslag – éénmaal omstreeks 1984 ten aanzien van het perceel een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd. De belanghebbende heeft destijds tegen die aanslag bezwaar gemaakt, waarbij hij dezelfde argumenten als in deze procedure heeft aangevoerd. Aan hem is sindsdien ten aanzien van het perceel nooit (tot 2004) meer een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd.

2.6. Vóór het jaar 2004 liet energiebedrijf B de invordering van de afvalstoffenheffing meeliften op de voorschotnota’s. Vanaf 2004 heeft de gemeente de inning van de afvalstoffenheffing zelf ter hand genomen.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1. In geschil is of de onderhavige aanslag afvalstoffenheffing terecht aan de belanghebbende is opgelegd.

3.2. De belanghebbende stelt zich op de volgende standpunten.

- In het perceel ontstaan geen geregelde afvalstromen.

- Het is verboden afval aan te bieden zonder afvalcontainer en op dagen en plaatsen waarop geen inzameling plaatsvindt, zodat het onmogelijk is om afval aan te bieden.

- Aan de onder punt 2.5 omschreven omstandigheden ontleende de belanghebbende het vertrouwen dat aan hem geen aanslag afvalstoffenheffing zou worden opgelegd.

3.3. De heffingsambtenaar houdt vast aan het standpunt dat de onderhavige aanslag terecht is opgelegd aan de belanghebbende. Ter zitting heeft de gemachtigde van de heffingsambtenaar onderkend dat sprake is van een eenpersoonshuishouden. Dit houdt in dat de aanslag dient te worden verminderd tot een bedrag van € 196,68.

3.4. Voor een uitgebreide weergave van de standpunten van partijen verwijst het gerechtshof naar de gedingstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de op de artikelen 216, 219 en

229, eerste lid, aanhef en de onderdelen a en b, van de Gemeentewet

en artikel 15.33 van de Wet milieubeheer berustende Verordening

reinigingsheffingen 2004 van de gemeente Westerveld (: de

Verordening) wordt onder de naam “afvalstoffenheffing” een directe

belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet

Milieubeheer (stb. 1994,80). Het tweede lid van artikel 3 van de

Verordening bepaalt dat de afvalstoffenheffing als bedoeld in de

Verordening en de daarbij behorende tarieventabel naar afzonderlijke

grondslagen wordt geheven ter zake van het feitelijk gebruik van een

perceel ten aanzien waarvan krachtens artikel 10.21 en 10.22 van de

Wet Milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van

huishoudelijke afvalstoffen geldt.

4.2 Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Verordening wordt de belasting geheven van degene die in de gemeente feitelijk gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge artikel 10.21 en 10.22 van de Wet Milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

4.3 Ingevolge artikel 10.21 van de Wet Milieubeheer draagt elke gemeente er, al dan niet in samenwerking met andere gemeenten, zorg voor dat ten minste eenmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen met uitzondering van grove huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan.

4.4 Vaststaat dat de belanghebbende geheel het jaar 2004 feitelijk gebruik maakt van het perceel. Nu sprake is van een recreatiewoning, die naar moet worden aangenomen objectief bezien voor bewoning geschikt is, acht het gerechtshof aannemelijk dat in het perceel geregeld huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan. Alsdan bestaat – gelet op het onder punt 4.3 overwogene – voor de gemeente Westerveld de verplichting tot het inzamelen van die afvalstoffen. Het gerechtshof merkt hierbij op dat niet van belang is of daadwerkelijk (geregeld) huishoudelijke afvalstoffen ontstaan. Het gerechtshof is van oordeel dat in casu niet gezegd kan worden dat de gemeente niet voldoet aan de op haar rustende inzamelverplichting. Het gerechtshof ziet namelijk niet in dat de door de gemeente ter zake opgestelde voorschriften het de belanghebbende onmogelijk maken om huishoudelijke afvalstoffen aan te bieden. Hierbij acht het gerechtshof van belang dat een verzoek van de belanghebbende om uitreiking van een afvalcontainer direct zou zijn ingewilligd (zie punt 2.3). Dat de belanghebbende een dergelijk verzoek niet heeft gedaan, komt voor zijn eigen rekening en risico. Ditzelfde geldt voor de omstandigheid dat de belanghebbende niet aanwezig is op de dagen waarop de afvalstoffen ingezameld worden. Het gerechtshof overweegt verder dat de omstandigheid dat de belanghebbende de in het perceel (incidenteel) ontstane afvalstoffen zelf afvoert, onverlet laat dat de gemeente ten aanzien van het perceel een inzamelverplichting heeft.

4.5 Het onder punt 4.4 overwogene leidt – gelet op hetgeen onder de punten 4.1 tot en met 4.3 is overwogen – tot de conclusie dat de belanghebbende geheel het jaar 2004 belastingplichtig is voor de afvalstoffenheffing en dat de onderhavige aanslag op die grond terecht – zij het tot een te hoog bedrag (zie punt 3.3) – aan hem is opgelegd. In zoverre is het gelijk aan de heffingsambtenaar.

4.6 De belanghebbende heeft gemotiveerd gesteld dat hij aan de onder punt 2.5 omschreven omstandigheden het vertrouwen ontleende dat hij ten aanzien van het perceel verschoond zou blijven van de afvalstoffenheffing. De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft hier tegenover gesteld dat de inning van de afvalstoffenheffing vóór het jaar 2004 geschiedde door meelifting op de voorschotnota’s van energiebedrijf B (zie punt 2.6). Deze stelling kan het gerechtshof evenwel niet volgen. Weliswaar werd vóór het jaar 2004 de inning van de afvalstoffenheffing uitgevoerd door genoemd energiebedrijf, doch de bevoegdheid tot heffing (het opleggen van de aanslagen) bleef – naar de gemachtigde van de heffingsambtenaar ter zitting zelf heeft verklaard – bij de heffingsambtenaar (of diens rechtsvoorganger). Aangelegenheden omtrent de heffing van de afvalstoffenheffing dienen dan ook uitsluitend voor rekening en risico te komen van de heffingsambtenaar. Nu de heffingsambtenaar (dan wel diens rechtsvoorganger) na een door de belanghebbende omstreeks 1984 ingediend bezwaar, waarbij de belanghebbende dezelfde argumenten als in deze procedure heeft aangevoerd, jarenlang van de belanghebbende geen afvalstoffenheffing heeft geheven, is het gerechtshof van oordeel dat de heffingsambtenaar bij de belanghebbende de indruk heeft kunnen wekken dat deze door hem gevolgde gedragslijn berustte op een weloverwogen standpuntbepaling. De belanghebbende heeft er aldus in rechte op mogen vertrouwen dat ook voor het jaar 2004 aan hem geen aanslag afvalstoffenheffing zou worden opgelegd. Namens de heffingsambtenaar zijn verder geen, althans onvoldoende, omstandigheden gesteld die een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel zouden kunnen pareren. Belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel treft dus doel.

4.7 Uit het voorgaande volgt dat aan de belanghebbende volgens de juiste wetstoepassing (zie punt 4.5) terecht een aanslag afvalstoffenheffing is opgelegd, doch dat deze aanslag op grond van het door de heffingsambtenaar bij de belanghebbende opgewekte in rechte te beschermen vertrouwen dient te worden vernietigd.

4.8 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat belanghebbendes beroep

gegrond is.

5. De proceskosten

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, nu de belanghebbende ter zitting heeft verklaard geen aanspraak te maken op een vergoeding van proceskosten.

6. De beslissing

Het gerechtshof

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

vernietigt de onderhavige aanslag afvalstoffenheffing;

gelast dat de Staat der Nederlanden het door de belanghebbende betaalde griffierecht ad € 37,-- aan hem vergoedt.

Aldus vastgesteld op 10 juni 2005 door mr. G.M. van der Meer, raadsheer, en op die dag in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden door voornoemde raadsheer in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Hiemstra en ondertekend door voornoemde raadsheer en voornoemde griffier.

Op 15 juni 2005 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.