Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AT7073

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-05-2005
Datum publicatie
09-06-2005
Zaaknummer
Rolnummer 0400048
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Familieruzie. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep expliciet een beroep op matiging als bedoeld in lid 1 van artikel 6: 94 BW gedaan. De rechter dient de in bedoeld artikel gegeven (dicretionaire) bevoegdheid met terughoudendheid te hanteren. Matiging is alleen toegestaan indien de billijkheid dat klaarblijkelijk eist. De familiereleatie tussen partijen en de overige omstandigheden van het geval brengen ook naar het oordeel van het hof mee dat de bedongen boete klaarblijkelijk billijkheidshalve moet worden gematigd. Een bedrag van Euro 12.000,-- als door de rechtbank toegewezen, komt neer op ruim hfl. 26.000,--, oftewel ruim drie keer de waarde van de kast zoals die door partijen is overeengekomen en vastgelegd. Naar het oordeel van het hof wordt met toekenning van een dergelijk bedrag niet alleen voldoende rekening gehouden met alle omstandigheden van het geval, maar ook in voldoende mate recht gedaan aan hetgeen partijen - blijkens hun onderscheiden stellingen - bij het sluiten van hun desbetreffende vaststellingsovereenkomst klaarblijkelijk voor ogen heeft gestaan. Daarbij tekent het hof nog aan dat de grote emotionele waarde die [appellant], ook blijkens de toelichting op zijn grief 2, beweerdelijk aan de kast toekende, hem er niet van heeft weerhouden de levering van de kast, toen [geïntimeerde] daar uiteindelijk toe in staat was, te weigeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 11 mei 2005

Rolnummer 0400048

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr P. van der Sluis,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats].

2. La Cave Dominique B.V.,

gevestigd te [woonplaats]

geïntimeerden in het principaal en appellanten in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

procureur: mr J.V. van Ophem.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 26 februari 2003 en 24 september 2003 door de rechtbank Assen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 23 december 2003 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 24 september 2003 met dagvaarding van [geïntimeerden] tegen de zitting van 21 januari 2004.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt

"Het Gerechtshof te leeuwarden dient het door de Rechtbank Assen op 24 september 2003 tussen partijen gewezen vonnis te vernietigen, en opnieuw recht doende in hoger beroep het in eerste instantie bij de Rechtbank Assen gevorderde toe te wijzen, met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van beide instanties."

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"Voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. Het vonnis van de Rechtbank Assen van 24 september 2003 te vernietigen en opnieuw rechtdoende;

2. Het door [appellant] in eerste instantie gevorderde bij de Rechtbank te Assen toe te wijzen;

3. [geïntimeerden] daarnaast te veroordelen tot betaling, des dat de een betalende, de ander zal zijn bevrijd, van een bedrag van Primair: Euro 48.000,-; Subsidiair: Euro 998,-

4. [geïntimeerden] te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties alsmede advocaatkosten."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerden] verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie:

"(zonodig onder verbetering en/of aanvulling der gronden) zal vernietigen de vonnissen van de Rechtbank te Assen, op 26 februari 2003 en 24 september 2003 tussen partijen gewezen onder rolnummer 34343, en opnieuw rechtdoende de vorderingen van appellant zal afwijzen als zijnde ongegrond en onbewezen, althans de vordering slechts tot een bedrag ad NLG 5.000,- zal toewijzen, met veroordeling van appellant in de kosten van beide instanties, en voorts appellant te veroordelen aan geïntimeerden te betalen al hetgeen zij uit hoofde van het eindvonnis van de Rechtbank te Assen d.d. 24 september 2003 al hebben voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2003."

Door [appellant] is in het incidenteel appel een memorie van antwoord. tevens akte uitlating producties genomen, met als conclusie:

"[appellant] handhaaft zijn conclusie zoals in de memorie van grieven en concludeert tot verwerping van het incidenteel appèl, met veroodeling van [geïntimeerden] in de kosten in beide instanties en zowel in het principaal als in het incidenteel appel."

Voorts heeft [geïntimeerden] een akte in het incidenteel appel genomen, waarna [appellant] een antwoordakte in het incidenteel appel heeft genomen.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft in het principaal appel vijf grieven opgeworpen.

[geïntimeerden] heeft in het incidenteel appel twee grieven opgeworpen.

De beoordeling

Met betrekking tot de vaststaande feiten:

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten onder overweging 1 (1.1 t/m 1.16) van het vonnis van 26 februari 2003 is geen grief ontwikkeld, zodat ook in dit hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

Met betrekking tot de grieven:

2. Alhoewel het appel blijkens de appeldagvaarding enkel is gericht tegen het eindvonnis d.d. 24 september 2003, zijn de grieven in het incidenteel appel en grief 1 in het principaal appel (mede) gericht tegen het tussenvonnis van 26 februari 2003, zodat ook dat vonnis aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Met betrekking tot het incidenteel appel:

3. Grief A in het incidenteel appel richt zich tegen de verwerping door de rechtbank van het door [geïntimeerden] gedane beroep op misbruik van omstandigheden. Grief B is gericht tegen de beslissing van de rechtbank om de door partijen in hun overeenkomst van 1 november 2000 gehanteerde waarde van de onderhavige kast (hfl. 8.000,--) tot uitgangspunt te nemen, in plaats van de door [geïntimeerden] bepleite waarde in het economische verkeer (hfl. 5.000,--).

4. Het hof leest in hetgeen [geïntimeerden] in de incidentele grieven heeft aangevoerd geen andere stellingen en verweren dan dewelke reeds in eerste aanleg door hem waren aangevoerd.

5. De rechtbank heeft in het vonnis van 26 februari 2003 duidelijk en gemotiveerd aangegeven op grond waarvan zij het beroep op misbruik van omstandigheden heeft verworpen en waarom zij de door partijen zelf vastgestelde waarde van de kast (hfl. 8.000,--) tot uitgangspunt heeft genomen. Het hof verenigt zich ten volle met deze overwegingen en neemt die hierbij over. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.

6. [geïntimeerden] heeft, zoals ook de rechtbank in het vonnis van 26 februari 2003 heeft overwogen (zie onder 4.9), ten aanzien van de noodzaak om de kast te verkopen niet voldaan aan zijn stelplicht zodat aan bewijs terzake - dat overigens niet voldoende gespecificeerd is aangeboden - niet kan worden toegekomen.

7. Het stond partijen vrij, in onderling overleg, de waarde van de kast forfaitair vast te stellen en daarbij de omstandigheden van het geval mede bepalend te doen zijn. Slechts onder bijzondere omstandigheden - welke in casu niet zijn gesteld of gebleken en waarvan al helemaal geen gespecificeerd bewijs is aangeboden - staat het de rechter vrij om van een dergelijke, overeengekomen, waarde af te wijken. Het hof zal derhalve uitgaan van de door partijen overeengekomen waarde van hfl 8.000,--.

Met betrekking tot de grieven in het principaal appel:

8. De grieven hebben de kennelijke strekking de bestreden beslissing d.d. 24 september 2003 en hetgeen daaraan door de rechtbank aan rechtsoverwegingen (zie in dat verband ook de rechtsoverwegingen 4.18 en 4.19 van het tussenvonnis van 26 februari 2003) ten grondslag is gelegd in volle omvang aan het oordeel van het hof te onderwerpen. Het hof zal de grieven daarom gezamenlijk behandelen.

9. Het hof leest ook in hetgeen [appellant] in de principale grieven heeft aangevoerd geen wezenlijk andere stellingen en verweren dan dewelke reeds in eerste aanleg door hem waren aangevoerd.

10. De rechtbank heeft in de beroepen vonnissen duidelijk en gemotiveerd aangegeven op grond waarvan zij heeft gemeend de overeengekomen schadevergoeding te moeten matigen en op grond waarvan zij van oordeel is dat het beroep van [appellant] op artikel 6:94 lid 2 BW moet worden afgewezen. Het hof verenigt zich ook met deze overwegingen en neemt die hierbij over. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.

11. [geïntimeerden] heeft in hoger beroep expliciet een beroep op matiging als bedoeld in lid 1 van artikel 6: 94 BW gedaan. De rechter dient de in bedoeld artikel gegeven (dicretionaire) bevoegdheid met terughoudendheid te hanteren. Matiging is alleen toegestaan indien de billijkheid dat klaarblijkelijk eist. De familiereleatie tussen partijen en de overige omstandigheden van het geval, als blijkend uit de vaststaande feiten, brengen ook naar het oordeel van het hof mee dat de bedongen boete klaarblijkelijk billijkheidshalve moet worden gematigd. Een bedrag van Euro 12.000,-- als door de rechtbank toegewezen, komt neer op ruim hfl. 26.000,--, oftewel ruim drie keer de waarde van de kast zoals die door partijen is overeengekomen en vastgelegd. Naar het oordeel van het hof wordt met toekenning van een dergelijk bedrag niet alleen voldoende rekening gehouden met alle omstandigheden van het geval, maar ook in voldoende mate recht gedaan aan hetgeen partijen - blijkens hun onderscheiden stellingen - bij het sluiten van hun desbetreffende vaststellingsovereenkomst klaarblijkelijk voor ogen heeft gestaan. Daarbij tekent het hof nog aan dat de grote emotionele waarde die [appellant], ook blijkens de toelichting op zijn grief 2, beweerdelijk aan de kast toekende, hem er niet van heeft weerhouden de levering van de kast, toen [geïntimeerden] daar uiteindelijk toe in staat was, te weigeren.

Slotsom

12. Zowel de grieven in het principaal appel als die in het incidenteel appel falen. De beroepen vonnis zullen worden bekrachtigd. [appellant] zal worden veroordeeld in de kosten van het principaal appel (salaris procureur: 1 punt tarief III). [geïntimeerden] zal worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel appel (2 x 1/2 punt tarief III).

De beslissing

Het gerechtshof:

wijst zowel het principaal als het incidenteel beroep af;

bekrachtigt de vonnissen d.d. 26 februari 2003 en d.d. 24 september 2003 waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in het principaal appel en begroot die aan de zijde van [geïntimeerden] tot aan deze uitspraak op Euro 755,-- aan verschotten en Euro 1.158,-- aan salaris voor de procureur;

veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het geding in hoger beroep in het incidenteel appel en begroot die aan de zijde van [appellant] tot aan deze uitspraak op nihil aan verschotten en Euro 1.158,- aan salaris voor de procureur;

wijst hetgeen meer of anders is gevorderd af.

Aldus gewezen door mrs Mollema, voorzitter, Meijeringh en Kuiper, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Visser als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 11 mei 2005.