Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AT7069

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
25-05-2005
Datum publicatie
09-06-2005
Zaaknummer
Rolnummer 0300059
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof overweegt het volgende. Ingevolge het hier nog toepasselijke artikel 191 Rv (oud), tweede lid, dat overeenkomt met artikel 165 Rv, tweede lid, komt aan diegenen die tot geheimhouding verplicht zijn uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking, omtrent hetgeen hun in die hoedanigheid is toevertrouwd, een verschoningsrecht toe indien zij opgeroepen worden als getuige een verklaring af te leggen. Dit verschoningsrecht -dat niet gelijk staat aan een verschoningsplicht- komt aan de getuige toe en niet aan een der partijen. De getuige die over een zodanig functioneel verschoningsrecht beschikt, dient zelf de afweging te maken of hij zich op dat verschoningsrecht wenst te beroepen of dat hij de vraag volledig wil beantwoorden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2005, 306
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 25 mei 2005

Rolnummer 0300059

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal en geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr T.H. Pasma,

tegen

Productschappen voor Vee, Vlees en Eieren,

gevestigd te Rijswijk,

geïntimeerde in het principaal en appellante in het voorwaardelijk incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: PVV,

procureur: mr V.M.J. Both.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 11 april 2001 en 6 november 2002 door de rechtbank te Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 30 januari 2003 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van de genoemde vonnissen met dagvaarding van PVV tegen de zitting van 12 februari 2003.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"bij Arrest te vernietigen de vonnissen van 11 april 2001 en 6 november 2002 door de Rechtbank te Leeuwarden gewezen in de procedure onder zaak-/rolnummer: 32589/HAZA 99-0009, tussen rekwirant als gedaagde en de geïntimeerde als eiseres, en opnieuw rechtdoende de vorderingen van de geïntimeerde op rekwirant alsnog af te wijzen met veroordeling van de geïntimeerde in de proceskosten in beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door PVV verweer gevoerd en voorwaardelijk incidenteel geappelleerd met als conclusie:

"In het principaal appel:

Tot niet-ontvankelijkheid van het beroep gericht tegen het tussenvonnis en tot verwerping van het beroep, zonodig met verbetering van gronden, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in beide instanties, met verklaring dat deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad zal zijn, zulks met bepaling dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van het te dezen te wijzen arrest.

In het voorwaardelijk incidenteel appel:

Tot vernietiging van het tussenvonnis waarvan beroep en bekrachtiging van het eindvonnis met verbetering van gronden met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in beide instanties, met verklaring dat deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad zal zijn, zulks met bepaling dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van het te dezen te wijzen arrest."

Door [appellant] is in het voorwaardelijk incidenteel appel geantwoord met als conclusie:

"de vorderingen van het PVV af te wijzen, hetzij door haar deze te ontzeggen, hetzij door haar niet-ontvankelijk te verklaren, met bekrachtiging van het eindvonnis voorzover het incidenteel appèl daartegen is gericht, met veroordeling van het PVV in de kosten van het incidenteel appèl."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft in het principaal appel zes grieven opgeworpen.

PVV heeft in het voorwaardelijk incidenteel appel drie grieven opgeworpen.

De beoordeling

IN HET PRINCIPAAL APPEL

Ten aanzien van de feiten

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 van genoemd tussenvonnis van 11 april 2001 is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

Kort weergegeven gaat het in deze zaak om het volgende.

1.1. PVV is onder meer belast met het verlenen van exportrestituties op grond van Europese regelgeving.

1.2. PVV heeft Maro international B.V. (in het vervolg: Maro) op haar verzoek in november 1992 voorschotten op exportrestituties verleend ten behoeve van de export van runderen, rond 11 september 1992, via Portugal naar Saoedi-Arabië, tot een totaalbedrag van ƒ 137.803,91.

1.3. [appellant] was tussen 6 maart 1992 en 24 februari 1993 enig aandeelhouder/ bestuurder van Maro.

1.4. Naar aanleiding van een onderzoek van de FIOD -waaruit bleek dat rond 11 september 1992 geen export van levende runderen vanuit Sétubal in Portugal naar Saoedi-Arabië had plaatsgevonden- heeft PVV bij besluit van 24 april 1998 de betaalde voorschotten van Maro teruggevorderd. Tegen dit besluit is geen beroep in gesteld.

1.5. PVV vordert in deze procedure genoemde voorschotten terug van Maro -die in eerste aanleg verstek heeft laten gaan en die op 15 december 2003 is ontbonden- en van [appellant].

1.6. De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 11 april 2001 overwogen dat [appellant] slechts dan aansprakelijk is voor de onrechtmatige gedragingen van Maro, indien [appellant] van dat onrechtmatig handelen op de hoogte was dan wel behoorde te zijn en heeft PVV terzake met het bewijs belast. Bij eindvonnis heeft de rechtbank PVV in dit bewijs geslaagd geacht en heeft zij [appellant], hoofdelijk met Maro, veroordeeld tot betaling van de gevorderde hoofdsom, met de wettelijke rente c.a.

Met betrekking tot het tussenvonnis

2. [appellant] heeft tegen het tussenvonnis geen als zodanig aangeduide grieven opgeworpen. Wel heeft het hof in de toelichting op de eerste grief (pagina 6 alinea 3) een verholen grief ontwaard, gericht tegen de vaststelling door de rechtbank in het tussenvonnis dat op of omstreeks 11 september 1992 geen export van runderen vanuit Sétubal in Portugal naar Saoedi-Arabië heeft plaatsgevonden.

Het hof verenigt zich met de motivering die de rechtbank op dit punt in r.o. 5 van het tussenvonnis heeft gegeven en neemt die als de zijne over. In appel beperkt [appellant] zich tot de ongemotiveerde stelling dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat Maro nimmer vee naar Saoedi-Arabië heeft geëxporteerd. [appellant] geeft niet aan op welke punten en waarom het rapport van de FIOD niet zou kloppen noch biedt hij gemotiveerd aan te bewijzen dat de gewraakte export van runderen naar Saoedi-Arabië waarvoor Maro de in geding zijnde voorschotten op exportrestituties heeft ontvangen, wel degelijk hebben plaatsgevonden.

3. De verholen grief treft dan ook geen doel.

Met betrekking tot grief II

4. In deze grief betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte de verklaring van de als getuige gehoorde voormalig FIOD-inspecteur Johannes Koster als bewijs heeft laten meewegen, omdat uit het proces-verbaal van zijn getuigenverklaring niet blijkt dat de verhorende rechter hem op zijn functioneel verschoningsrecht heeft gewezen.

5. Het hof overweegt het volgende. Ingevolge het hier nog toepasselijke artikel 191 Rv (oud), tweede lid, dat overeenkomt met artikel 165 Rv, tweede lid, komt aan diegenen die tot geheimhouding verplicht zijn uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking, omtrent hetgeen hun in die hoedanigheid is toevertrouwd, een verschoningsrecht toe indien zij opgeroepen worden als getuige een verklaring af te leggen. Dit verschoningsrecht -dat niet gelijk staat aan een verschoningsplicht- komt aan de getuige toe en niet aan een der partijen. De getuige die over een zodanig functioneel verschoningsrecht beschikt, dient zelf de afweging te maken of hij zich op dat verschoningsrecht wenst te beroepen of dat hij de vraag volledig wil beantwoorden.

6. Daarbij is voorts van belang dat aan de belastingambtenaar geen algemeen verschoningsrecht toekomt, doch dat per vraag moet worden bezien of een verschoningsrecht bestaat alsmede dat het aan redelijk twijfel onderhevig is of de beantwoording van de vraag naar waarheid zou kunnen geschieden zonder dat door de getuige geopenbaard wordt wat verborgen dient te blijven (vgl. HR 21 februari 1997, NJ 1997, 305). In dit geval heeft de getuige Koster alle hem gestelde vragen beantwoord.

7. Anders dan de grief veronderstelt, schrijft de wet niet voor dat de rechter de getuige op het eventuele bestaan van een verschoningsrecht dient te wijzen, zodat het feit dat dit niet is gebeurd, niet tot nietigheid van het verhoor van deze getuige of tot bewijsuitsluiting dient te leiden (vgl. HR 8 november 1977, NJ 1978, 536).

De rechtbank heeft dan ook terecht de verklaring van de getuige Koster in de bewijswaardering betrokken.

8. De grief faalt.

Met betrekking tot grief I

9. De eerste grief richt zich tegen de waardering door de rechtbank van het door PVV bijgebrachte bewijs.

10. Het hof constateert dat [appellant] op dit punt geen andere argumenten aanvoert dan hij reeds in zijn conclusie na getuigenverhoor in eerste aanleg heeft gedaan, welke argumenten door de rechtbank zijn beoordeeld en verworpen. Het hof neemt op het punt van de bewijswaardering het oordeel van de rechtbank als het zijne over. Dat de kroongetuige en voormalig compagnon van [appellant], [naam voormalige compagnon] een crimineel verleden heeft, maakt niet dat zijn verklaring alleen om die reden terzijde zou moeten worden geschoven. [appellant] merkt op zich terecht op dat aan zijn eigen getuigenverklaring de normale bewijskracht toekomt en niet de beperkte bewijskracht van de verklaring van een partijgetuige (op wie de bewijslast rust). De rechtbank heeft hem overigens ook niet als zodanig aangemerkt. De rechtbank heeft evenwel op juiste gronden de verklaring van [appellant] niet van doorslaggevend gewicht geacht in het licht van de overige bijgebracht bewijsmiddelen.

11. De grief faalt.

Met betrekking tot grief III

12. In deze grief wordt betoogd dat aan PVV geen vorderingsrecht toekomt, omdat zij niet zelf schade heeft geleden, doch de Europese Gemeenschap.

13. Het hof overweegt dat de exportrestituties bij de export van levend vee naar landen buiten de Europese landen zijn geregeld in artikel 33 en volgende van de verordening 1254/1999 (EG), als opvolger van diverse tevoren bestaande regelingen en dat de financiering van deze regeling geschiedt volgens Verordening (EG) 1258/99, als opvolger van Verordening (EEG) nr. 729/70. Verordening (EG) 1258/99 betreft het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (in het vervolg: het Fonds), voor wiens rekening de exportrestituties komen (artikel 2, lid 1). De feitelijke betaling vindt evenwel plaats door daartoe aangewezen nationale diensten en instanties, de zogeheten "betaalorganen".

In Nederland is voor de in geding zijnde export van vee als betaalorgaan aangewezen PVV (artikel 1 van de Overdrachtsregeling bevoegdheden Landbouwwet 1966 in samenhang met hoofdstuk V van de Regeling in- en uitvoer landbouwgoederen). In die hoedanigheid is PVV ook gerechtigd namens het Fonds de door het Fonds geleden schade op [appellant] te verhalen.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en sub c van Verordening 1258/99, treffen de lidstaten, overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, de nodige maatregen om de ingevolge onregelmatigheden of nalatigheden verloren gegane bedragen terug te vorderen.

Uit het samenstel van deze bepalingen volgt dat PVV als betaalorgaan bevoegd is de schade die het Fonds lijdt ten gevolge van de bij Maro gepleegde uitvoerfraude, op eigen naam terug te vorderen ten behoeve van het Fonds.

14. De grief treft geen doel.

Met betrekking tot grief IV

15. Deze grief heeft betrekking op de ingangsdatum van de wettelijke rente. [appellant] betoogt dat deze eerst verschuldigd is vanaf het moment dat in rechte is vastgesteld dat sprake is van een onrechtmatige gedraging.

16. Deze grief faalt. Uit artikel 6:83 BW sub b volgt, naar de rechtbank terecht heeft overwogen, dat in geval sprake is van een verbintenis voortvloeiend uit onrechtmatige daad, deze terstond opeisbaar is en dat verzuim zonder ingebrekestelling intreedt. De schadevergoeding verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat uit de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. De wettelijke rente begint derhalve te lopen op het moment dat de primaire schade geacht wordt te zijn geleden. De andersluidende opvatting van [appellant] vindt geen steun in het recht.

17. Ook deze grief is eenzelfde lot beschoren als de vorige.

Met betrekking tot de grieven V en VI

18. Deze grieven richten zich respectievelijk tegen het dictum en de proceskostenveroordeling van het eindvonnis en bevatten geen zelfstandige klachten, zodat zij geen verdere bespreking behoeven. Ook deze grieven leiden niet tot vernietiging van de beroepen vonnissen.

IN HET VOORWAARDELIJK INCIDENTEEL APPEL

19. Aangezien alle in het principaal appel opgeworpen grieven falen, is de voorwaarde waaronder het voorwaardelijk incidenteel appel is ingesteld niet in vervulling gegaan, zodat het hof aan de beoordeling daarvan niet toekomt.

De slotsom.

20. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (1 punt naar tarief IV)

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van PVV tot aan deze uitspraak op Euro 1.870,-- aan verschotten en Euro 1.631 aan salaris voor de procureur.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs Meijeringh, voorzitter, De Bock en Kuiper, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 25 mei 2005.