Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AT6906

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
03-06-2005
Datum publicatie
08-06-2005
Zaaknummer
BK 551/03 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de verzuimboetes terecht zijn opgelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67a
Algemene wet inzake rijksbelastingen 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2005/46.3.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 551/03 3 juni 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, vijfde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z

(: belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/ Noord/ Kantoor Leeuwarden (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde definitieve aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 1999, 2000 en 2001.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende is met dagtekening 13 november 2002 een definitieve aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (: IB/PV) over het jaar 1999 opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 30.516,--. Bij de aanslag is tevens een boete ter grootte van ƒ 250,-- opgelegd wegens het niet tijdig doen van aangifte.

Met dagtekening 13 november 2002 is aan belanghebbende een definitieve aanslag IB/PV over het jaar 2000 opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 31.562,--.

Aan belanghebbende is met dagtekening 7 maart 2003 een definitieve aanslag IB/PV over het jaar 2001 opgelegd waarbij het belastbaar inkomen uit werk en woning, overeenkomstig de aangifte, is vastgesteld op € 15.955,--. Bij de aanslag is tevens een boete ter grootte van € 68,-- wegens het niet tijdig doen van aangifte opgelegd.

Op de tijdig ingediende bezwaarschriften, voor de jaren 1999 en 2000 op 23 december 2002 en op 22 april 2003 voor het jaar 2001, heeft de inspecteur bij uitspraken d.d. 23 mei 2003 de opgelegde aanslagen gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraken in beroep gekomen bij een (pro forma) beroepschrift (met bijlagen), dat op 27 juni 2003 ter griffie van het hof is ingekomen en dat is aangevuld bij brief van 15 september 2003.

De inspecteur heeft op 19 februari 2004 een verweerschrift (met bijlagen) ingediend. Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 21 februari 2005, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren belanghebbende, bijgestaan door zijn echtgenote, alsmede de inspecteur.

Het gerechtshof heeft in deze zaak op 7 maart 2005 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven van 21 maart 2005 aan partijen is verzonden.

Bij brief d.d. 9 mei 2005 heeft de griffier van de Hoge Raad aan de griffier van het gerechtshof mededeling gedaan van het door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie, als bedoeld in artikel 28a lid 1 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

2.1 Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen het volgende vast:

2.2 Belanghebbende en zijn echtgenote hebben in 1996 in Z een pand gekocht. Dit pand bestaat uit drie delen, een voormalige supermarkt, een pizzeria en een woongedeelte.

2.3 Belanghebbende ontving in de onderhavige jaren een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Voorzover in de onderhavige jaren sprake was van een onderneming werd deze gedreven op naam van de echtgenote van belanghebbende.

2.4 Belanghebbende heeft, voorzover thans van belang, over de jaren 1999 en 2000 een hoger persoonlijk inkomen in zijn aangifte Inkomstenbelasting opgegeven dan zijn echtgenote, op grond waarvan aan belanghebbende de niet persoonlijke inkomensbestanddelen zijn toegerekend. Op de aangiften van de echtgenote over de jaren 1998 tot en met 2000 zijn door de inspecteur diverse correcties aangebracht. Deze correcties hebben geleid tot een hoger persoonlijk inkomen van de echtgenote in relatie tot het inkomen van belanghebbende. Deze gewijzigde verhouding van persoonlijke inkomens heeft ertoe geleid dat de inspecteur de hiervoor bedoelde inkomensbestanddelen bij belanghebbende heeft gecorrigeerd.

2.5 Aanslagregeling 1999

Aan belanghebbende is met dagtekening 13 november 2002 een definitieve aanslag IB/PV over het jaar 1999 opgelegd. Hierbij zijn correcties aangebracht ter grootte van ƒ 3.081,-- en het inkomen is vastgesteld als volgt:

Aangegeven belastbaar inkomen ƒ 27.435,--

Aan echtgenote toegerekende inkomens-

Bestanddelen (hoger pers. Inkomen) ƒ 3.081,--

Vastgesteld inkomen ƒ 30.516,--

Bij de aanslag is tevens een boete ter grootte van ƒ 250,--, wegens het niet tijdig doen van aangifte, opgelegd.

2.6 Aanslagregeling 2000.

Met dagtekening 13 november 2002 is aan belanghebbende een definitieve aanslag IB/PV over het jaar 2000 opgelegd. Hierbij zijn correcties aangebracht ter grootte van

ƒ 6.979,-- zodat het inkomen is vastgesteld op:

Aangegeven belastbaar inkomen ƒ 24.583,--

Aan echtgenote toegerekende inkomens-

Bestanddelen (hoger pers. Inkomen) ƒ 6.979,--

Vastgesteld inkomen ƒ 31.562,--

2.7 Aanslagregeling 2001.

Aan belanghebbende is met dagtekening 7 maart 2003 een definitieve aanslag IB/PV over het jaar 2001 opgelegd. Hierbij is de aangifte gevolgd en het stipinkomen vastgesteld op

€ 15.955,--. Bij de aanslag is tevens een boete ter grootte van

€ 68,--, wegens het niet tijdig doen van aangifte, opgelegd.

2.8 De aangifte over 1999 is buiten de daarvoor gestelde termijn van artikel 9 Algemene Wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) ingediend. De termijn die in de aanmaning was opgenomen voor indiening van de aangifte verliep op 8 september 2000. De aangifte is op 3 oktober 2000 door de Belastingdienst ontvangen.

2.9 Voor indiening van het aangiftebiljet over 2001 was uitstel verleend tot 1 juli 2002. Op 12 juli 2002 is er een aanmaning verzonden. In de aanmaning is vermeld dat de aangifte binnen 10 werkdagen moest zijn ingediend. De aangifte is op 7 augustus 2002 ingediend.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de verzuimboetes terecht zijn opgelegd.

3.2 Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat geen boete verschuldigd is daar het bedrag van de aanslag nihil is en er een verzoek om uitstel van de indiening van het aangiftebiljet is ingediend.

3.3 De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de verzuimboetes terecht en tot een juist bedrag zijn opgelegd.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1 Op grond van artikel 67a van de AWR kan de inspecteur gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag een boete opleggen indien de aangifte niet tijdig binnen de hiervoor gestelde termijn is gedaan. In het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 wordt de hoogte van de boete enerzijds afhankelijk gesteld van het feit hoe vaak men reeds in verzuim is geweest en anderzijds of de aanslag op een positief dan wel op een nihil of negatief bedrag wordt vastgesteld. Er is sprake van verzuim indien de aangifte buiten de termijn die in de aanmaning is opgenomen, is ingediend.

4.2 Belanghebbende stelt terecht dat hij om uitstel van indiening van de aangifte heeft verzocht. Aan belanghebbende is hierop een nieuwe termijn gesteld waarbinnen hij de aangifte diende in te dienen. Noch de aangifte over het jaar 1999, noch de aangifte over het jaar 2001 zijn binnen deze termijn ingediend. De inspecteur heeft voorts onweersproken gesteld dat bij de bepaling van de hoogte van de boete een rol heeft gespeeld dat over 2001 sprake was van een nihil aanslag en voorts van een tweede verzuim.

4.3 Uit het vorenstaande volgt dat de inspecteur terecht en tot een juist bedrag aan belanghebbende een boete heeft opgelegd voor de jaren 1999 en 2001, die het hof ook overigens gepast en geboden acht.

4.4 De overige door belanghebbende opgeworpen geschilpunten aangaande de etikettering van de onroerende zaak in Z, de mogelijkheid tot het aanbrengen door de inspecteur van wijzigingen in de bezwaarfase en het moment van staking van de onderneming, hebben alle betrekking op de onderneming welke werd gedreven door de echtgenote van belanghebbende. Nu deze grieven eveneens naar voren zijn gebracht in de zaak, met het kenmerk BK 552/03, waarbij de echtgenote van belanghebbende partij is, heeft het hof omtrent voormelde geschilpunten in de hiervoor bedoelde zaak beslist. Dit is geschied bij mondelinge uitspraak van 7 maart 2005.

Nu het hof in de zaak betreffende de echtgenote heeft geoordeeld dat de inspecteur het inkomen over de jaren 1999 en 2000 correct heeft vastgesteld en dit persoonlijk inkomen hoger is dan belanghebbendes persoonlijk inkomen, staat hiermee eveneens

vast dat de hieruit voortvloeiende gewijzigde toerekening van niet persoonlijke inkomensbestanddelen over die jaren, op juiste wijze is gecorrigeerd.

5. De conclusie.

Het beroep van belanghebbende is derhalve ongegrond.

6. De proceskosten.

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing.

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 3 juni 2005 door mr. G.M. van der Meer, raadsheer, lid van de vijfde enkelvoudige belastingkamer, en op die dag in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden door voornoemde raadsheer in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. de Jong en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier.

Afschrift aangetekend aan beide partijen verzonden

op: 8 juni 2005