Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AT6904

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
03-06-2005
Datum publicatie
08-06-2005
Zaaknummer
BK 703/04 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of en in hoeverre de onder punt 2.3 genoemde kosten aftrekbaar zijn als buitengewone lasten ter zake van een opleiding of een studie voor een beroep in de zin van artikel 46, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-1159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 703/04 3 juni 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, vijfde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/ Noord/ Kantoor Groningen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1998.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Belanghebbende werd voor het jaar 1998 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold, (hierna te noemen: de Wet) van ƒ 50.003,--.

1.2 Op het tijdig ingediende bezwaar van de belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 22 juni 2004 de aanslag gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een pro forma beroepschrift (met bijlage), hetwelk op 3 augustus 2004 bij het gerechtshof ingekomen en is aangevuld bij schrijven d.d. 30 augustus 2004. Het verweerschrift (met bijlagen) van de inspecteur is op 30 september 2004 bij het gerechtshof ingekomen.

1.4 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof op 11 mei 2005, gehouden te Leeuwarden, alwaar belanghebbende en de inspecteur aanwezig waren.

1.5 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Belanghebbende, geboren op .. mei 19.., is van echt gescheiden. In de periode vóór 1979 was belanghebbende werkzaam als accountant bij A. Door diverse oorzaken is belanghebbende uitgevallen met een depressief syndroom. Sinds 1979 geniet hij een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Belanghebbendes bruto jaarinkomen bedroeg in 1998 ƒ 61.881,--.

2.2 In 1992 heeft belanghebbende zich laten inschrijven bij B te Z. Daar heeft hij sindsdien via het Hoger Onderwijs voor Ouderen (: HOVO) verschillende vakken gevolgd binnen de terreinen rechtsgeleerdheid, psychologie en geneeskunde.

2.3 In zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1998 heeft belanghebbende ter zake van de door hem in het onderhavige jaar gevolgde studies de volgende kosten als buitengewone lasten aangegeven:

? B:

- kosten basiscursus journalistieke vaardigheden ƒ 275,--

- kosten cursus strafrechtelijke actualiteiten - 275,--

? Rijksuniversiteit Groningen

- cursus arbeid en organisatiepsychologie - 150,--

- cursus verbintenissenrecht Capita Selecta - 215,--

- congres: Rechtspraak op Tijd - 150,--

- afschrijving RC computer t/m oktober 1998 - 600,--

- afschrijving nieuwe Pentium II computer nov/dec 1998 - 200,--

? Teleac: cursus Multimedia-computer - 199,--

- Abonnement internet - 396,--

- Studieboeken - 542,--

- Schrijfbehoeften - 165,--

Totaal: - 3.167,--

Belanghebbende is ter zake van bovenstaande kosten in zijn aangifte uitgegaan van een bedrag van in totaal ƒ 3.167,--.

2.4 De inspecteur heeft de door belanghebbende aangegeven aftrekpost buitengewone lasten ter zake van studiekosten ad

ƒ 2.367,-- (na aftrek drempel) in het geheel niet aanvaard en heeft aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van

ƒ 50.003,--. Op het bezwaar van de belanghebbende heeft de inspecteur de aanslag gehandhaafd.

2.5 De door belanghebbende in zijn aangiften inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen voor de jaren 1988 tot en met 1990 aangegeven studiekosten ter zake van de bij de Stichting C (: C) gevolgde opleiding, heeft de inspecteur destijds in aftrek toegelaten.

2.6 Het hof heeft met het kenmerk BK 00/8 op 30 augustus 2002 uitspraak gedaan in een zaak van belanghebbende over het belastingjaar 1997. In deze zaak stond dezelfde vraag centraal, namelijk of de door belanghebbende gemaakte kosten –in dat jaar- konden worden aangemerkt als kosten als bedoeld in artikel 46, eerste lid, aanhef en onderdeel c van de Wet. Het beroep in deze procedure is ongegrond verklaard. Tegen deze ongegrondverklaring heeft belanghebbende cassatie aangetekend. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie met het nummer 38.852 op 9 januari 2004 ongegrond verklaard.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of en in hoeverre de onder punt 2.3 genoemde kosten aftrekbaar zijn als buitengewone lasten ter zake van een opleiding of een studie voor een beroep in de zin van artikel 46, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet.

3.2 Belanghebbende is – kort gezegd – van opvatting dat de onderhavige kosten geheel als buitengewone lasten aftrekbaar zijn, omdat de door hem verworven kennis beroepshalve zal worden aangewend.

3.3 De inspecteur bestrijdt belanghebbendes standpunt en is – kort gezegd – van mening dat belanghebbende de onderhavige studies om persoonlijke redenen heeft gevolgd. Primair stelt de inspecteur zich op het standpunt dat de door belanghebbende opgevoerde studiekosten geheel niet aftrekbaar zijn, subsidiair betoogt de inspecteur dat deze kosten slechts deels in aftrek kunnen worden toegelaten.

3.4 Ter zitting hebben partijen hun standpunten gehandhaafd zonder daartoe nadere gronden aan te voeren.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Ingevolge artikel 46, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet kunnen uitgaven ter zake van de opleiding of studie voor een beroep als buitengewone lasten op het onzuivere inkomen in aftrek worden gebracht.

4.2 Van uitgaven ter zake van een opleiding of studie voor een beroep in de zin van voornoemd artikel is volgens vaste jurisprudentie slechts sprake indien de belastingplichtige in redelijkheid kon verwachten dat hij de na voltooiing van de studie of opleiding verworven kennis productief kan maken en aldus zijn maatschappelijke positie in financieel-economisch opzicht kan verbeteren. Is een studie of opleiding uit liefhebberij of ter verbetering van de persoonlijke uitrusting gevolgd, dan kunnen de daaraan verbonden kosten niet als buitengewone lasten ter zake van studiekosten in aftrek worden gebracht.

4.3 Op belanghebbende rust – bij gemotiveerde weerspreking door de inspecteur – de last aannemelijk te maken dat de door hem opgevoerde kosten (zie punt 2.3) kunnen worden aangemerkt als uitgaven in de zin van artikel 46, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet. In zijn beroepschrift, alsmede ter zitting heeft belanghebbende aangegeven tot welk inzicht de door hem gevolgde studies en opleidingen hebben geleid. Daarbij is belanghebbende voornamelijk ingegaan op de door hem opgedane kennis omtrent de psychische gesteldheid van hem en zijn ex-echtgenote en de daaruit voortvloeiende gevolgen. Belanghebbende heeft onder meer gesteld dat hij tot het inzicht is gekomen dat het huwelijk van hem en zijn voormalige echtgenote nimmer had mogen worden ontbonden en dat er met betrekking tot de echtscheidingsprocedure diverse schadeclaims zijn te realiseren. Ook heeft belanghebbende aangegeven dat hij zijn opgedane kennis met anderen wil delen.

4.4 Met al hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, heeft hij naar het oordeel van het gerechtshof niet aannemelijk gemaakt dat hij in redelijkheid kon verwachten dat hij de na voltooiing van zijn studies en opleidingen verworven kennis productief kan maken en dat hij aldus zijn maatschappelijke positie in financieel-economisch opzicht kan verbeteren. Het door belanghebbende gestelde leidt veeleer tot de conclusie dat hij de onderhavige studies en opleidingen, die overigens zeer divers van aard zijn, heeft gevolgd met de intentie kennis op te doen omtrent persoonlijke aangelegenheden. Voor zover belanghebbende zich beroept op het vertrouwensbeginsel door te stellen dat de inspecteur bij het opleggen van de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 1988 tot en met 1990 de aangegeven studiekosten ter zake van de bij de C gevolgde opleiding wel in aftrek heeft toegelaten, is het gerechtshof van oordeel dat dit beroep dient te falen. Voor het in rechte te beschermen vertrouwen is namelijk meer vereist dan de enkele omstandigheid dat een bepaalde aftrekpost in de aangifte in het verleden bij het vaststellen van de aanslag is gevolgd. Daargelaten de omstandigheid dat de belanghebbende in zijn aangiften betreffende de jaren 1992 tot en met 1996 geen studiekosten heeft opgevoerd, is het gerechtshof van oordeel dat belanghebbende geen feiten en omstandigheden heeft aangedragen en aannemelijk gemaakt die bij hem de indruk hebben kunnen wekken dat de door de inspecteur gevolgde gedragslijn heeft berust op een bewuste standpuntbepaling.

4.5 Belanghebbendes overige grieven kunnen – wat daar ook van zij – niet leiden tot vermindering van de onderhavige aanslag dan wel tot vernietiging van de bestreden uitspraak.

4.6 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de inspecteur de door belanghebbende opgevoerde studiekosten terecht geheel niet als buitengewone lasten ter zake van studiekosten in aftrek heeft toegelaten. Belanghebbendes beroep treft derhalve geen doel.

5. De proceskosten

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 3 juni 2005 door mr. J.W. Keuning, raadsheer-plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van de griffier mevrouw mr. H. de Jong en op die dag in het openbaar uitgesproken en ondertekend door voornoemde raadsheer-plaatsvervanger en door voornoemde griffier.

Op 8 juni 2005 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.