Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AT6538

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-05-2005
Datum publicatie
01-06-2005
Zaaknummer
BK 1469/02 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoorden op de vraag of de inspecteur de onder 2.3 vermelde correcties terecht heeft aangebracht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-1102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 1469/02 23 mei 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van de heer X te Z

(: belanghebbende) tegen het hoofd van de eenheid Ondernemingen van de Belastingdienst te Groningen (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (: IB/PV) over het jaar 2000.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 12 oktober 2001 over het jaar 2000 ambtshalve een aanslag IB/PV opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 200.000, -.

1.2. Op 16 november 2001 heeft belanghebbende alsnog de aangifte IB/PV over het jaar 2000 naar een belastbaar inkomen van ƒ 22.707, -(negatief) ingediend, welke de inspecteur heeft aangemerkt als een bezwaarschrift. Bij de bestreden uitspraak van 21 mei 2002 heeft de inspecteur belanghebbendes bezwaar ten dele toegewezen en de aanslag IB/PV over het jaar 2000 verminderd naar een belastbaar inkomen van ƒ 76.000, -.

1.3. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), dat op 26 juni 2002 bij het hof is ingekomen.

1.4. De inspecteur heeft op 27 augustus 2002 een verweerschrift (met bijlagen) bij het hof ingediend.

1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van de tweede meervoudige belastingkamer op 28 februari 2005, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren belanghebbende en namens de inspecteur de heer A. De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

1.6. Van alle vermelde (en hierna nog te vermelden) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting stelt het hof als tussen partijen niet in geschil dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast:

2.1. Belanghebbende, geboren op .. september 19.., heeft op 5 juli 1995 van zijn moeder alle aandelen in een besloten vennootschap in eigendom verworven. Voor deze besloten vennootschap zijn nimmer aangiften in de vennootschapsbelasting ingediend. Belanghebbende heeft evenmin ooit in zijn aangiften IB/PV ontvangen looninkomsten van deze vennootschap opgegeven. Op 18 maart 1997 is de besloten vennootschap failliet verklaard, waarna op 19 maart 2002 het faillissement wegens gebrek aan baten is opgeheven. Op 22 april 1997 is belanghebbende failliet verklaard. Dit faillissement is op 16 januari 2001 eveneens opgeheven wegens gebrek aan baten. Bij die beslissing is het salaris van de in belanghebbendes faillissement optredende curator op ƒ 71.976,84 (exclusief BTW) vastgesteld. In mindering daarop strekken de voorschotten van ƒ 49.000, - (exclusief BTW) en de verschotten van die curator ten bedrage van ƒ 2.510,91 (exclusief BTW).

2.2. Sinds 1 mei 1997 is belanghebbende in loondienst bij derden. Door zijn werkgever is aan belanghebbende in het onderhavige jaar in verband met het verrichten van arbeid een personenauto ter beschikking gesteld. Door zijn faillissement is belanghebbendes loon ten bedrage van ƒ 71.538, - in het onderhavige jaar als boedelbijdragen ten gunste van de faillissementsboedel gekomen. Een deel daarvan is besteed aan betalingen van de salariskosten van de curator. Belanghebbende had van zijn loon slechts de vrije beschikking over een bedrag van ƒ 1.400, - per maand.

2.3. Aan belanghebbende is op 12 oktober 2001 ambtshalve een aanslag IB/PV over het jaar 2000 opgelegd. Op 16 november 2001 heeft belanghebbende alsnog de aangifte IB/PV over het jaar 2000 ingediend naar een belastbaar inkomen van ƒ 22.707, - (negatief). Onder buitengewone lasten heeft belanghebbende een bedrag van ƒ 84.571, - en van ƒ 2.950, - opgevoerd als “salariskosten curator”, respectievelijk “verschotten”. Eveneens heeft hij een bedrag van in totaal ƒ 6.000, - als alimentatie ten behoeve van zijn dochters B en C als buitengewone lasten opgevoerd. In zijn uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur voormelde posten niet als buitengewone lasten (of als andere aftrekposten) geaccepteerd, waardoor het gehele geclaimde bedrag aan buitengewone lasten als aftrekpost is geweigerd. Tevens heeft de inspecteur als correctie op de aangifte een bedrag van ƒ 8.000, - wegens een ter beschikking gestelde personenauto tot belanghebbendes inkomsten uit arbeid gerekend. De inspecteur heeft het belastbare inkomen IB/PV over het jaar 2000 bij uitspraak op bezwaar nader vastgesteld op ƒ 76.000, -, rekening houdend met belanghebbendes aangifte.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1. In geschil is het antwoorden op de vraag of de inspecteur de onder 2.3 vermelde correcties terecht heeft aangebracht.

3.2. Belanghebbende is van mening dat de correcties niet correct zijn. Belanghebbende is het niet eens met de bijtelling privé-gebruik personenauto. Volgens hem is een bedrag van 20% van zijn gehele bruto salaris als bijtelling privé-gebruik personenauto te hoog. Ter zake van de alimentatie geeft hij aan dat hij de alimentatiebedragen contant heeft betaald aan zijn ex-echtgenote. Met betrekking tot de als buitengewone lasten opgevoerde salariskosten van de curator is hij van mening dat kosten van zijn curator, advocaat van beroep, aftrekbaar zijn. De curator heeft naar zijn stelling een vorm van dienstverlening aan hem verricht.

3.3. De inspecteur volhardt in zijn standpunt dat de correcties terecht zijn aangebracht.

3.4. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting heeft belanghebbende daaraan toegevoegd dat de voor belanghebbende bestemde post zoals de aangifte IB/PV over het jaar 2000 aan zijn curator is toegezonden. Het is volgens hem aan de curator te wijten dat de aangifte IB/PV over het jaar 2000 niet tijdig is ingediend.

4. De rechtsoverwegingen

4.1 Ingevolge artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (: AWR) - voor zover hier van belang – verklaart het gerechtshof, indien de vereiste aangifte niet is gedaan, het beroep ongegrond, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. In het onderhavige geval is bij bezwaar alsnog de aangifte toegevoegd. Deze aangifte kan naar het oordeel van het hof niet meer als de vereiste aangifte gelden. De ter zitting door belanghebbende opgeworpen stelling dat het aan zijn curator te wijten valt dat de vereiste aangifte niet tijdig is gedaan, doet evenmin af aan het feit dat de vereiste aangifte niet is gedaan.

4.2 Door toepassing van artikel 27e van de AWR verkeert belanghebbende in de situatie dat hij voor het hof overtuigend dient aan te tonen dat de door de inspecteur in punt 2.3 vermelde correcties niet juist zijn. Naar het oordeel van het hof is belanghebbende in geen enkel opzicht in de op hem rustende bewijslast geslaagd. Van de - naar zijn stelling - contante betalingen van de alimentatie in het jaar 2000 heeft hij geen bewijsstukken overgelegd. Ter zake van de correctie privé-gebruik personenauto heeft belanghebbende niet aangetoond dat de hoogte daarvan niet correct is. Het standpunt van belanghebbende ter zake van de aftrek van de salariskosten van de curator vindt geen steun in het recht. Dit geldt ook voor zover hij in beroep bedoelt te stellen dat de salariskosten als kosten in de zin van artikel 35 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 aangemerkt moeten worden. Immers, niet aangetoond is dat die kosten in enig verband staan met inkomsten uit zijn dienstbetrekking in het onderhavige jaar. Belanghebbendes beroep treft derhalve geen doel.

5. De conclusie

Het beroep is ongegrond.

6. De proceskosten:

He hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 23 mei 2005 door mr. H.S. Pruiksma, vice-president en voorzitter, mr. Drion, raadsheer, mr. J.W. Keuning, en op die dag in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. de Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde voorzitter en griffier.

Op 1 juni 2005 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.