Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AT6447

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
27-05-2005
Datum publicatie
31-05-2005
Zaaknummer
BK 405/03 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is eerst de vraag of belanghebbende belang heeft bij het instellen van het onderhavige beroep.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 23
Algemene wet inzake rijksbelastingen 28a
Algemene wet inzake rijksbelastingen 28b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2005/46.3.8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 405/03 27 mei 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van de heer X te Z tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1999.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Belanghebbende werd op 26 juni 2002 over het jaar 1999 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (: hierna IB/PV) aangeslagen naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (: de Wet) van ƒ 13.256, -.

1.2 Op 5 september 2002 is de onder 1.1 vermelde aanslag door achterwaartse verliesverrekening vastgesteld naar een belastbaar inkomen van nihil. De aanslag is ook vastgesteld op nihil.

1.3 Op het bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 27 maart 2003 de aanslag van nihil gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift, hetwelk op 8 mei 2003 is ingekomen. Belanghebbende heeft de gronden van het beroep (met bijlagen) op 27 juni 2003 ingezonden.

1.5 Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) op 15 oktober 2003 heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 14 juli 2004, gehouden te Groningen, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende de heer A en namens de inspecteur de heer B. Ter voormelde zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende een pleitnota (met bijlagen) overgelegd en voorgelezen. Ter zitting heeft de gemachtigde ook de definitieve aanslag IB/PV over het jaar 2000, alsmede de verliesbeschikking over dat jaar overgelegd. Tegen overlegging van de bijlagen en voormelde stukken heeft de inspecteur geen bezwaar gemaakt. Nadat het onderzoek ter zitting was geschorst, heeft de inspecteur op 30 juli 2004 een aanvullend stuk ingediend. Vervolgens heeft de gemachtigde op 19 oktober 2004 zijn schriftelijke beantwoording van ter eerder vermelde zitting gestelde vragen (met bijlagen) ingestuurd. De inspecteur heeft vervolgens op 11 november 2004 zijn reactie daarop (met bijlagen) ingediend. De mondelinge behandeling van het beroep is hervat ter zitting van 24 januari 2005, gehouden te Groningen, alwaar aanwezig was de gemachtigde de heer A en namens de inspecteur B. De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgelezen.

1.6 Het hof heeft in deze zaak op 7 februari 2005 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 21 februari 2005, aan partijen is verzonden.

1.7 Bij schrijven, ingekomen op 15 april 2005, heeft de griffier van de Hoge Raad op de voet van artikel 28a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen het hof medegedeeld dat tegen de voormelde mondelinge uitspraak beroep in cassatie is ingesteld. De Hoge Raad heeft op de voet van artikel 28b, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak.

1.8 Van alle vermelde (en hierna nog te vermelden) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting stelt het hof als tussen partijen niet in geschil dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast:

2.1 Belanghebbende is ongehuwd en heeft tot en met 30 juni 2000 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet genoten. Vervolgens heeft hij een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening kunstenaars ontvangen.

2.2 Belanghebbende heeft in het verleden pogingen ondernomen om als beeldend kunstenaar en/of onderhoudsschilder ondernemer-schap in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (: de Wet) te verwerven. Deze pogingen zijn met betrekking tot bepaalde jaren voor het hof en ook met betrekking tot enige jaren voor de Hoge Raad gestrand (de jaren 1985, 1994 en 1995). Over het jaar 1989 heeft de inspecteur wel geaccepteerd dat belanghebbendes werkzaamheden als beeldend kunstenaar een bron van inkomen vormden aan welk standpunt het hof in een procedure over dat jaar de conclusie heeft verbonden dat er geen reden was om de daarmee verkregen opbrengsten niet als winst uit onderneming aan te merken.

2.3 Op de begane grond en op de eerste en tweede verdieping van het pand aan de a-straat 19 te Z verhuurt belanghebbende kamers. Hij woont op de benedenetage. Ongeveer 1/6 deel van het pand wordt door belanghebbende bewoond. Het overige deel is bestemd voor de kamerverhuur.

2.4 De gemachtigde van belanghebbende heeft over het jaar 1999 aangifte gedaan voor de IB/PV naar een belastbaar inkomen van ƒ 10.775, - (negatief). Deze aangifte is op verschillende punten door de inspecteur niet gevolgd, onder meer op het punt van ondernemerschap. De inspecteur heeft op 26 juni 2002 een aanslag IB/PV over het jaar 1999 opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 13.256, -. Tegen deze aanslag is bezwaar gemaakt.

2.5 Op 5 september 2002 is de onder punt 2.4 vermelde aanslag door achterwaartse verliesverrekening van het verlies over het jaar 2000 vastgesteld naar een belastbaar inkomen van nihil. De aanslag is ook vastgesteld op nihil. Op 27 maart 2003 heeft de inspecteur uitspraak gedaan op het bezwaar tegen de onderhavige aanslag. Het belastbare inkomen is in die uitspraak vastgesteld op ƒ 9.734, - door alsnog rekening te houden met een bedrag van ƒ 3.522, - aan “financieringskosten van de onderneming”. Tegelijkertijd heeft de inspecteur de aanslag van nihil – zoals vastgesteld na de achterwaartse verliesverrekening - gehandhaafd. Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de voormelde uitspraak op bezwaar.

2.6 In het belastbare inkomen van ƒ 9.734, - vastgesteld na bezwaar heeft de inspecteur rekening gehouden met ƒ 6.092, - aan inkomsten uit kamerverhuur, te weten het in de aangifte opgenomen bedrag van ƒ 1.785, - aan inkomsten uit verhuur vermeerderd met ƒ 4.307, - als correctie op die inkomsten in de aanslagregeling.

2.7 Na de mondelinge behandeling van 14 juli 2004 is namens belanghebbende een nadere opstelling gemaakt van de inkomsten en kosten ter zake van de kamerverhuur in het jaar 1999:

Huurvergoedingen (inclusief vergoedingen servicekosten) ƒ 30.134,53

Kosten (waaronder ƒ 3.521,80 aan financieringskosten en

ƒ 6.465,07 aan accountantskosten) ƒ 21.936,80

Afschrijvingen ƒ 10.821,21

(negatief) ƒ 2.623,48

2.8 Naar aanleiding van de onder punt 2.7 weergegeven opstelling heeft de inspecteur geconcludeerd dat het belastbaar inkomen over het jaar 1999 (vóór verliesverrekening) in plaats van ƒ 9.734, -, ƒ 18.655, - moet bedragen. De daarin in aanmerking genomen inkomsten uit arbeid, inkomsten uit eigen woning, persoonlijke verplichtingen en giften zijn niet in geschil. De opstelling van de kant van inspecteur van de inkomsten en kosten ter zake van de kamerverhuur is als volgt:

Huurvergoedingen (inclusief vergoedingen servicekosten) ƒ 30.132, -

Kosten ƒ 11.950, -

Afschrijvingen ƒ 3.406, -

Hypotheekrente ƒ 4.583, -

ƒ 10.193, -

De onder punt 2.7 vermelde financieringskosten en accountantskosten heeft de inspecteur niet als kostenposten van de verhuur geaccepteerd.

2.8 Belanghebbende heeft voor de kamers op de eerste en tweede verdieping als kale huur en als servicekostenvergoedingen respectievelijk ƒ 17.228,03 en ƒ 5849,17 opgenomen. De verhuurde kamer op de benedenetage rekent hij tot zijn ondernemingsvermogen. De huurprijs die hierop ziet heeft belanghebbende gesteld op ƒ 5.486,65 - (inclusief omzetbelasting), de servicekostenvergoeding op ƒ 1.570,68. Deze bedragen heeft belanghebbende als resultaat uit zijn onderneming aangegeven. Het onder punt 2.7 vermelde bedrag aan afschrijvingen ad ƒ 10.821,21 heeft belanghebbende als volgt berekend:

40% kale huur kamers eerste, tweede verdieping ƒ 6.891,21

4% aanschafwaarde bedrijfsgedeelte ƒ 3.930, -.

3. Het geschil en standpunten van partijen

3.1 In geschil is eerst de vraag of belanghebbende belang heeft bij het instellen van het onderhavige beroep. De inspecteur vindt van niet omdat de aanslag op nihil is vastgesteld.

3.2 Verder is in geschil of belanghebbende een bedrag van ƒ 2.538, - aan accountantskosten, - naar zijn stelling gemaakt ter behoud van zijn onder punt 2.2 vermelde ondernemerschap - mag aftrekken als ondernemingskosten. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de inspecteur ontkennend.

3.3 Tenslotte houdt partijen verdeeld tot op welk bedrag de inkomsten uit kamerverhuur gesteld moeten worden. Dit geschil spitst zich toe op de hoogte van de afschrijving, de financieringskosten en de accountantskosten. Het punt van de premies volksverzekeringen is niet meer in geschil.

3.4 Voor een nadere onderbouwing van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken.

4. De rechtsoverwegingen omtrent het geschil

4.1 De onderwerpelijke aanslag IB/PV over het jaar 1999 is in de bezwaarfase door achterwaartse verliesverrekening vastgesteld op nihil. Gegrondbevinding van zijn grieven kan niet tot een voor belanghebbende gunstiger resultaat leiden, zodat het hof bij gebrek aan belang het beroep van belanghebbende ongegrond zal verklaren. Het gelijk is aan de inspecteur.

4.2 Ten overvloede gaat het hof in op de overige geschilpunten:

Belanghebbende wil kosten ten behoud van zijn onder 2.2 vermelde ondernemerschap in aftrek brengen. Artikel 6, eerste lid, van de Wet bepaalt onder meer dat hij voor wiens rekening een onderneming wordt gedreven winst uit onderneming geniet. Daar belanghebbende een beroep op het ondernemerschap doet, rust op hem, naar het oordeel van het hof, de last om zodanige feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken, dat daaruit de conclusie kan worden getrokken dat ter zake van zijn activiteiten als beeldend kunstenaar of van andere activiteiten voor zijn rekening in de voorgaande jaren en/of in het onderhavige jaar een onderneming werd gedreven. Belanghebbende voert te weinig feiten en/of omstandigheden aan dan wel maakt de aangevoerde feiten niet aannemelijk zodat bij gebrek aan ondernemerschap de door hem geclaimde accountantskosten niet als ondernemingskosten kunnen worden aangemerkt. Dat belanghebbende nog steeds ondernemer voor de Wet op de omzetbelasting 1968 is of dat er door zijn gemachtigde bedrijfsrapporten zijn opgemaakt maakt het vorenstaande niet anders. Hetgeen hiervoor is overwogen heeft ook tot gevolg dat van ondernemingsvermogen, in welke vorm dan ook, geen sprake is.

4.3 Uit de door belanghebbende overgelegde stukken ter zake van de kamerverhuur blijkt niet dat de verhuurde in gemeubileerde toestand worden verhuurd. Gelet hierop ziet het hof geen reden om een afschrijvingspercentage toe te passen dat hoger is dan het in artikel 7, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 juncto artikel 35, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet genoemde percentage van 15. Voor zover belanghebbende een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel of vertrouwensbeginsel ter onderbouwing van een afschrijvingspercentage van 40 voldoet hij naar het oordeel van het hof niet aan zijn stelplicht ter zake daarvan. Bij gebrek aan ondernemingsvermogen – zie punt 4.2 – kan het door belanghebbende toegepaste percentage van 4 op de aanschafwaarde van het bedrijfsgedeelte niet aan de orde komen. Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de inspecteur volgt in zijn bedrag aan afschrijving met betrekking tot de kamerverhuur.

4.4 Met betrekking tot de inkomsten uit kamerverhuur voert belanghebbende onder meer als kosten op “financieringskosten”. Daarvoor neemt hij een bedrag van ƒ 3.521,80 in aanmerking. Dit bedrag heeft de inspecteur onder de noemer van “financieringskosten van de onderneming” in de bezwaarfase al in aftrek toegelaten op het belastbare inkomen – zie punt 2.5 -. Wat daarvan ook zij, aftrek van deze “financieringskosten” kan niet tweemaal plaatsvinden.

4.5 Gelet op het vorenoverwogene onder 4.3 en 4.4 en op de feiten onder 2.6 en 2.8 behoeft het geschilpunt met betrekking tot de als kosten van de kamerverhuur opgevoerde accountantskosten geen bespreking. Van de door belanghebbende opgevoerde netto inkomsten uit verhuur – zie 2.7 -resteert namelijk na toepassing van de onder de punten 4.3 en 4.4 vermelde correcties een bedrag dat hoger is dan de door de inspecteur in zijn uitspraak op bezwaar in aanmerking genomen inkomsten uit kamerverhuur van ƒ 6.092, -.

4.6 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat belanghebbendes beroep geen doel treft.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door prof. mr. E. Aardema, vice-president en voorzitter, lid van de eerste enkelvoudige belastingkamer van het gerechtshof Leeuwarden en ondertekend door voormelde voorzitter en door mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

Op 31 mei 2005 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.

De griffier van het Gerechtshof

te Leeuwarden.