Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AT6445

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
27-05-2005
Datum publicatie
31-05-2005
Zaaknummer
BK 374/04 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de correcties die de inspecteur heeft aangebracht correct zijn. Eveneens is in geschil of de verzuimboete terecht is.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2005/46.3.3
FutD 2005-1110
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 374/04 27 mei 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van de heer X te Z tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2001.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Belanghebbende werd op 5 februari 2003 voor het jaar 2001 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (: hierna IB/PV) ambtshalve aangeslagen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning als bedoeld in de Wet inkomstenbelasting 2001 van € 35.000, -.

1.2 Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 26 maart 2004 de aanslag gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift, hetwelk op 5 mei 2004 is ingekomen. Belanghebbende heeft de gronden van het beroep (met bijlagen) op 7 juni 2004 ingezonden.

1.5 Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) op 13 augustus 2004 heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 24 januari 2005, gehouden te Groningen, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende de heer A en namens de inspecteur de heer B. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende een pleitnota (met bijlagen) overgelegd en voorgelezen. Tegen overlegging van de bijlagen heeft de inspecteur geen bezwaar gemaakt.

1.6 Het hof heeft in deze zaak op 7 februari 2005 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 21 februari 2005, aan partijen is verzonden.

1.7 Bij schrijven, ingekomen op 15 april 2005, heeft de griffier van de Hoge Raad op de voet van artikel 28a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen het hof medegedeeld dat tegen de voormelde mondelinge uitspraak beroep in cassatie is ingesteld. De Hoge Raad heeft op de voet van artikel 28b, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak.

1.8 Van alle vermelde (en hierna nog te vermelden) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting stelt het hof als tussen partijen niet in geschil dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast:

2.1 Belanghebbende was in het jaar 2001 in loondienst werkzaam bij de Stichting C. Tot 31 augustus 1991 heeft hij een rijwielhandel geëxploiteerd. In de loop van het jaar 1994 is belanghebbende een assurantie-adviesbureau gestart. De resultaten daarvan zijn in de afzonderlijke jaren 1995 ( in de mondelinge uitspraak staat abusievelijk 1994) tot en met 2001 altijd negatief geweest.

2.2 Belanghebbende heeft drie kinderen. Twee daarvan, respectievelijk geboren op 31 juli 1986 en 5 januari 1988, staan volgens de gemeentelijke basisadministratie in het onderhavige jaar ingeschreven op het adres van belanghebbende. Eén kind, geboren 3 april 1983, staat ingeschreven op het adres van belanghebbendes ex-echtgenote.

2.3 Naar aanleiding van de bezwaren tegen de aanslagen voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (: IB/PV) over de jaren 1996 en 1997 en naar aanleiding van de aangiften IB/PV over de jaren 1998 tot en met 2000 heeft in het jaar 2001 een boekenonderzoek plaatsgevonden. Hiervan is op 25 april 2002 een rapport uitgebracht (zie bijlage 6 van het verweerschrift).

2.4 De aangiften IB/PV van belanghebbende over de jaren 1996, 1998 en 1999 zijn niet tijdig ingediend.

2.5 Belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar geen aangifte gedaan voor de IB/PV, ondanks daartoe door de inspecteur bij brieven van 30 augustus 2002 en 26 november 2002 te zijn aangemaand. Op 5 februari 2003 heeft de inspecteur aan belanghebbende ambtshalve een aanslag IB/PV over het onderhavige jaar opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.000, -. Tevens is een verzuimboete vastgesteld van € 794, -. Deze boete heeft betrekking op het niet dan wel niet tijdig indienen van de aangiften IB/PV. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. Alsnog is namens belanghebbende bij bezwaar een aangifte IB/PV over het jaar 2001 toegevoegd. Het belastbare inkomen uit werk en woning (tevens verzamelinkomen) bedraagt in deze aangifte ƒ 27.682, - en na verliesverrekening ƒ 102.481, - (negatief).

2.6 Naar aanleiding van het onder punt 2.5 vermelde bezwaar heeft opnieuw een boekenonderzoek bij belanghebbende plaatsgevonden. Onderzocht is de aanvaardbaarheid van het voormelde bezwaarschrift. Het rapport van het boekenonderzoek is van 2 maart 2004. Als resultaat van het boekenonderzoek heeft de inspecteur het belastbare inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 28.440, -. Dit bedrag is gebaseerd op de bij bezwaar ingediende aangifte IB/PV. De inspecteur heeft in het bedrag van € 28.440, - geen rekening gehouden met het negatieve resultaat uit de rijwielhandel en uit het assurantie-adviesbureau van in totaal ƒ 21.759, -, met het totaal van de door belanghebbende ten aanzien van zijn kinderen opgevoerde uitgaven van levensonderhoud van ƒ 11.492, - met de door belanghebbende opgevoerde ziektekosten tot een bedrag van ƒ 1.741, - en met de geclaimde verliesverrekening.

2.7 In zijn uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur het bedrag van € 28.440, - als het belastbare inkomen uit werk en woning gehandhaafd, alsmede de verzuimboete. Tegen de door de inspecteur aangebrachte correcties en de verzuimboete richt zich het beroep.

3. Het geschil en standpunten van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de correcties die de inspecteur heeft aangebracht correct zijn. Eveneens is in geschil of de verzuimboete terecht is. De gemachtigde van belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend, de inspecteur bevestigend.

3.2 Kort samengevat is de gemachtigde van mening dat er met betrekking tot de rijwielhandel sprake is van nagekomen accountantskosten en rente over die accountantskosten, welke volgens hem als liquidatiekosten in aftrek moeten worden gebracht. Het assurantie-adviesbureau is een bron van inkomen, zodat het geclaimde verlies aftrekbaar is. Voorts stelt hij dat belanghebbende recht heeft op aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van zijn kinderen en op aftrek van ziektekosten. Bovendien is er sprake van een bedrag van ƒ 130.481, - aan nog te verrekenen verliezen. De verzuimboete is ten onrechte opgelegd omdat belanghebbende geen dan wel niet tijdig de aangifte IB/PV over het onderhavige jaar en over de jaren 1996, 1998 en 1999 heeft ontvangen.

3.3 De inspecteur is van mening dat met betrekking tot de rijwielhandel niet aannemelijk is geworden dat er in of met betrekking tot het onderhavige jaar accountantskosten zijn gemaakt. De rente over de accountantskosten zijn evenmin aftrekbaar. Het assurantie-adviesbureau is geen bron van inkomen. Verder heeft belanghebbende geen recht op aftrek in verband met levensonderhoud van zijn kinderen, geen recht op aftrek in verband met ziektekosten en zijn de door belanghebbende naar voren gebrachte verliezen al verrekend in het verleden. Zijns inziens is de verzuimboete eveneens terecht opgelegd.

3.4 Voor een nadere onderbouwing van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken.

4. De rechtsoverwegingen omtrent het geschil

4.1 Ingevolge artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (: AWR) - voor zover hier van belang – verklaart het gerechtshof, indien de vereiste aangifte niet is gedaan, het beroep ongegrond, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Deze bepaling geldt ook voor de aan belanghebbende opgelegde verzuimboete.

4.2 In het onderhavige geval is bij bezwaar alsnog de aangifte toegevoegd. Deze aangifte kan naar het oordeel van het hof niet meer als de vereiste aangifte gelden. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting aangegeven dat de brievenbus wel eens is gelicht waardoor waarschijnlijk belanghebbende de aangiften IB/PV over de jaren 1996, 1998, 1999 en 2001 niet tijdig dan wel niet heeft ontvangen. Gelet op het feit dat deze stelling verschillende aangiften betreft die op verschillende data zijn verzonden en op het tweemaal versturen van aanmaningen met betrekking tot de aangifte over het onderhavige jaar acht het hof deze stelling van de gemachtigde zonder nadere onderbouwing zeer ongeloofwaardig. Het hof is van oordeel dat artikel 27e van de AWR onverkort van toepassing is.

4.3 Door toepassing van artikel 27e van de AWR verkeert belanghebbende in de situatie dat hij voor het hof overtuigend dient aan te tonen dat de door de inspecteur in punt 2.6 vermelde correcties en de verzuimboete niet terecht zijn. Naar het oordeel van het hof is belanghebbende tegenover de door de inspecteur naar voren gebrachte onderbouwing van de correcties en van de verzuimboete – zie voor de motivering de vaststaande feiten en de gedingstukken - in geen enkel opzicht in de op hem rustende zware bewijslast geslaagd. Zo heeft belanghebbende geen nota’s of iets dergelijks overgelegd of steekhoudende argumenten, gestaafd met bewijsstukken, aangevoerd. De door de gemachtigde van belanghebbende ter zitting overgelegde kopie van een salarisspecificatie van de maand december van het jaar 2001 met daarop een bedrag van ƒ 80,58 aan collectieve ziektekostenverzekering kan niet tot een ander oordeel dan voormeld leiden. Immers, door dit bedrag in aanmerking te nemen wordt het drempelbedrag van de buitengewone uitgaven niet overschreden.

4.4 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat belanghebbendes beroep geen doel treft.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door prof. mr. E. Aardema, vice-president en voorzitter, lid van de eerste enkelvoudige belastingkamer van het gerechtshof Leeuwarden en ondertekend door voormelde voorzitter en door mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

Op 31 mei 2005 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.

De griffier van het Gerechtshof

te Leeuwarden.