Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AT5602

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
13-05-2005
Datum publicatie
18-05-2005
Zaaknummer
BK 505/03 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de door belanghebbende opgevoerde kosten met betrekking tot de werkkamer en de computer als kosten in de zin van artikel 35 van de Wet aangemerkt moeten worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2005/40.1.4
FutD 2005-1013
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 505/03 13 mei 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, derde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van de heer X te Z tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Hoogeveen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2000.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Belanghebbende werd op 26 april 2002 over het jaar 2000 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (: hierna IB/PV) aangeslagen naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (: hierna: de Wet) van ƒ 111.080, -.

1.2 Op het op 29 april 2002 ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 28 mei 2003 de aanslag gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een pro-forma beroepschrift, hetwelk op 16 juni 2003 ter griffie van het hof is ingekomen. Op 10 juli 2003 heeft belanghebbende de gronden van zijn beroep (met bijlagen) ingezonden.

1.4 Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) op 1 september 2003 heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling van het beroep plaatsgevonden op 25 februari 2005 te Assen, alwaar aanwezig waren belanghebbende en namens de inspecteur de heer A. Ter zitting heeft belanghebbende een pleitnota overgelegd en voorgelezen.

1.5 Van alle vermelde (en hierna nog te vermelden) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting stelt het hof als tussen partijen niet in geschil dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast:

2.1 Belanghebbende, geboren op .. december 19.., genoot in het onderhavige jaar ƒ 96.723, - aan inkomsten uit vroegere arbeid. Daarnaast genoot hij – volgens zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (: IB/PV) – ƒ 28.614, - aan netto rente-inkomsten (na aftrek van kosten ad ƒ 46, -) en ƒ 3.160, - aan netto dividend (na aftrek van ƒ 4.167, - aan kosten). Een bedrag van ƒ 655, - is in de aangifte in aanmerking genomen als fictief rendement.

2.2 Volgens de aangifte IB/PV over het jaar 2000 bedraagt het saldo van belanghebbendes bank- en spaarrekeningen ultimo 2000 ƒ 403.902, -. De waarde van de effectenportefeuille is ultimo 2000 ƒ 1.210.003, -. In het jaar 2000 behelst deze portefeuille ongeveer 80 fondsen. Ter zake van zijn effectenportefeuille heeft belanghebbende in het jaar 2000 9 aankoop- en 14 verkooptransacties verricht. Belanghebbende houdt 9 bankrekeningen en 8 effectenrekeningen aan. Daarnaast heeft hij samen met een neef een woning in mede-eigendom, die wordt gebruikt voor de verhuur.

2.3 Tezamen met zijn echtgenote woont belanghebbende aan de a-straat 11 te Z. De woning op dit adres vormt voor belanghebbende een eigen woning in de zin van artikel 42a, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (: de Wet). In deze woning heeft belanghebbende een werkkamer voor het beheer van zijn vermogen ingericht, waarvan hij zeer intensief gebruikmaakt voor het beheer van zijn vermogen daarbij – naar hij stelt en de inspecteur betwist - niet beogend om onbelaste koersresultaten te behalen (zie daarvoor de motivering in het beroepschrift). Belanghebbende besteedt gemiddeld minimaal 15 uur per week aan het beheer van zijn vermogen. Hij volgt de effectenmarkt dagelijks in zijn werkkamer door middel van het bezoeken van diverse internetsites op zijn computer.

2.4 In een aanvulling op zijn aangifte wenst belanghebbende, naast de in zijn aangifte opgevoerde aftrekbare kosten, een deel van het huurwaardeforfait, dat betrekking heeft op de voormelde werkkamer, alsmede het daarop betrekking hebbende deel van de gas- en elektriciteitsrekening en verschuldigde onroerende-zaakbelastingen als kosten van vermogensbeheer aan te merken. In zijn bezwaarschrift wenst hij dit eveneens ter zake van de afschrijvingskosten van zijn computer, die hij op ƒ 780, - heeft berekend. Het totaal van deze door belanghebbende gestelde kosten van vermogensbeheer bedraagt ƒ 4.057, -.

2.5 De inspecteur heeft de onderhavige aanslag IB/PV vastgesteld overeenkomstig de aangifte. De door belanghebbende geclaimde kosten van vermogensbeheer heeft hij, ook in de bezwaarfase, als aftrekpost geweigerd.

3. Het geschil en standpunten van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de door belanghebbende opgevoerde kosten met betrekking tot de werkkamer en de computer als kosten in de zin van artikel 35 van de Wet aangemerkt moeten worden.

3.2 Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat gelet op de omvang en op de rijk gevarieerde samenstelling van zijn vermogen en op het feit dat circa 26% van zijn belastbare inkomen in het jaar 2000 bestaat uit inkomsten uit vermogen de door hem opgevoerde kosten als kosten van vermogensbeheer in aftrek moeten worden gebracht. Verder stelt hij dat hij met het beheer van zijn vermogen niet tot doel heeft om belastingvrije koersresultaten te behalen. Hij verwijst daarvoor naar het geringe aantal transacties binnen zijn effectenportefeuille in het jaar 2000. Hij is van mening dat het doel is van zijn vermogenbeheer de verwerving, de inning of het behoud van de als inkomsten uit vermogen aan te merken voordelen (zie zijn brief gedagtekend 14 mei 2003).

3.3 De inspecteur is van mening dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in redelijkheid heeft kunnen besluiten een werkkamer in zijn woning uitsluitend of nagenoeg uitsluitend te gebruiken voor vermogensbeheer. Subsidiair bestrijdt hij de hoogte van de aftrek van de door belanghebbende opgevoerde kosten.

3.4 Voor een nadere onderbouwing van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken.

4. De rechtsoverwegingen omtrent het geschil

4.1 Artikel 35, eerste lid, van de Wet bepaalt dat – voor zover hier van belang – aftrekbare kosten de op de inkomsten drukkende kosten zijn voor zover zij zijn gemaakt tot verwerving, inning en behoud van die inkomsten.

4.2 Vaststaat dat belanghebbende in het jaar 2000 ƒ 28.660, - aan bruto rente-inkomsten alsmede ƒ 7.327, - aan bruto dividend heeft genoten. Bovendien is een bedrag van ƒ 655, - aan fictief rendement voor het jaar 2000 in aanmerking genomen. Kosten die zijn gemaakt tot verwerving, inning en behoud van de voormelde inkomsten – welke inkomsten, naar het oordeel van het hof, inkomsten vormen in de zin van artikel 24, eerste lid, van de Wet - kunnen in aftrek worden gebracht op die inkomsten. Onder die kosten kunnen worden gerangschikt kosten van een werkkamer of van een computer. Aangezien belanghebbende aftrek van deze kosten claimt, ligt het naar het oordeel van het hof op zijn weg om feiten en/of omstandigheden te stellen – en bij betwisting – aannemelijk te maken, op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat van kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Wet sprake is.

4.3 In zijn arrest van 22 maart 2000, nr. 35.093, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat uit de algemene regel van artikel 35 van de Wet voortvloeit dat indien een belastingplichtige in redelijkheid heeft kunnen besluiten een werkkamer in zijn woning uitsluitend of nagenoeg uitsluitend te gebruiken voor vermogensbeheer, zodat deze aan het persoonlijk leven van die belastingplichtige en zijn gezin is onttrokken, de aan het gebruik van die kamer verbonden kosten als kosten van vermogensbeheer tot de aftrekbare kosten behoren. In het arrest van de Hoge Raad van 25 april 2003, nr. 37.880, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de inhoud van het begrip vermogensbeheer wordt bepaald door het doel van de werkzaamheden, te weten de verwerving, de inning of het behoud van als inkomsten uit vermogen aan te merken voordelen. Het met de aankoop en de verkoop van effecten behaalde resultaat behoort niet tot de inkomsten uit vermogen als bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de Wet. Dat brengt mee, volgens de Hoge Raad, dat met het oog daarop verrichte werkzaamheden niet kunnen worden aangemerkt als vermogensbeheer.

4.4 Belanghebbende stelt in zijn beroepschrift dat zijn streven naar hogere (belastbare) inkomsten gepaard gaat met meer risico’s. Een brede spreiding van beleggingen en een alert beleggingsbeleid behoren deze risico’s te beperken. Belanghebbende wil een aanvaardbare balans tussen risico en rendement. Met het oog daarop volgt hij de effectenmarkt dagelijks in zijn werkkamer door middel van het bezoeken van diverse internetsites op zijn computer. In zijn pleitnota herhaalt hij dit in andere bewoordingen. Met het vorenstaande heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de werkkamer in zijn eigen woning uitsluitend of nagenoeg uitsluitend te gebruiken voor vermogensbeheer, te weten uitsluitend of nagenoeg uitsluitend voor werkzaamheden die betrekking hebben op de in het onderhavige jaar ontvangen inkomsten uit vermogen. De door belanghebbende omschreven werkzaamheden kunnen namelijk eveneens betrekking hebben op de onbelaste resultaten behaald met de aankoop en verkoop van effecten. Het geringe aantal in het onderhavige jaar verrichte transacties zegt niets over de hoeveelheid werkzaamheden verricht in de werkkamer die zien op de onbelaste verkoopresultaten van de effecten. Alhoewel de stelling dat om inkomsten te behouden de bron in stand moet worden gehouden voor juist moet worden gehouden, kan ook deze stelling niet leiden tot de conclusie dat belanghebbende in redelijkheid heeft kunnen besluiten zijn werkkamer uitsluitend of nagenoeg uitsluitend te gebruiken voor vermogensbeheer zoals bedoeld in 4.3.. Zijn stelling dat in het onderhavige jaar circa 26% van zijn belastbare inkomen uit zijn vermogen wordt verworven geeft evenmin inzicht in de mate waarin van de werkkamer voor vermogensbeheer gebruik wordt gemaakt, waarbij het hof de omvang van de effectenportefeuille evenzeer in aanmerking neemt. Ook anderszins slaagt belanghebbende niet in de op hem rustende bewijslast, zodat er onzekerheid blijft bestaan ter zake van de mate waarin van de werkkamer gebruik wordt gemaakt voor vermogensbeheer zoals bedoeld onder 4.3 of voor het behalen van onbelaste koersresultaten. Het vorenstaande heeft ook te gelden voor de door belanghebbende geclaimde aftrek van de kosten van zijn computer. Bovendien kan aftrek ter zake van de computer niet aan de orde komen in verband met het niet overschrijden van het drempelbedrag van artikel 36, tweede lid, aanhef, onder letter h, van de Wet.

4.5 In het kader van zijn beroep op toepassing van het gelijkheidsbeginsel en het – door belanghebbende geopperde – “redelijkheidsbeginsel en/of billijkheidsbeginsel” doet belanghebbende een beroep op de uitspraak van Hof Amsterdam, 17 november 1999, nr. 97/20065, waarin aftrek van kosten van een werkkamer in het kader van vermogensbeheer door het hof werd toegestaan. Het hof ziet niet in dat de inspecteur door zich op een andere standpunt te stellen dan het hof in voormelde zaak voormelde beginselen geschonden heeft. Met betrekking tot het gelijkheidsbeginsel heeft de inspecteur zich zelfs op hetzelfde standpunt gesteld als de inspecteur in de zaak van voormelde uitspraak. Gelet op het arrest van de Hoge Raad nr. 37 880, gewezen ten aanzien van belanghebbende op 25 april 2003 over het jaar 1999, heeft de inspecteur, naar het oordeel van het hof, in redelijkheid tot de onderhavige uitspraak op bezwaar kunnen komen. Overigens acht het hof zich niet gebonden aan de vorengenoemde uitspraak van Hof Amsterdam.

4.6 Het vorenstaande leidt ertoe dat het beroep van belanghebbende ongegrond zal worden verklaard.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. F.J.W. Drion, raadsheer en voorzitter, lid van de derde enkelvoudige belastingkamer van het Gerechtshof Leeuwarden en uitgesproken door voormelde voorzitter ter openbare zitting van het gerechtshof Leeuwarden op 13 mei 2005 in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier en ondertekend door voornoemde raadsheer en griffier.

Op 18 mei 2005 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.