Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AT4677

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-04-2005
Datum publicatie
27-04-2005
Zaaknummer
BK 586/04 Leges
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is het antwoord op de volgende vragen in geschil:

- is het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk verklaard?

- is er terecht leges in rekening gebracht?

- is het in rekening gebrachte bedrag aan leges niet te hoog?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Gemeentewet 229b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2005/827
FutD 2005-0884
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 586/04 22 april 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwar-den, derde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd afdeling middelen en ondersteuning van de gemeente Aa en Hunze ( : de heffingsambtenaar respectievelijk: de gemeente), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aan-slag in de leges voor het jaar 2004.

Op 22 januari 2004 werd aan de belanghebbende een bouwvergunning verleend. Tevens werd medegedeeld dat door de belanghebbende “tegen deze beschikking” binnen zes weken na bekendmaking een bezwaarschrift kan worden ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente.

Tegen deze bouwvergunning heeft de belanghebbende op 26 maart 2004 een bezwaarschrift ingediend.

De heffingsambtenaar heeft vervolgens bij uitspraak van 1 juni 2004 de belanghebbende, wegens termijnoverschrijding, niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar.

Voor het verstrekken van de bouwvergunning werd op 2 maart 2004 aan de belanghebbende een factuur leges bouwvergunning toegestuurd, onder vermelding van het bouwvergunningnummer 00-000, met een factuurbedrag van € 1.665,03.

De leges zijn opgelegd met toepassing van de Verordening op de heffing en invordering van rechten 1998, met de daarbij behorende tarieventabel, van de gemeente Aa en Hunze, zoals deze Verordening voor het onderhavige jaar gold (: de Verordening).

Belanghebbende is tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar in beroep gekomen door middel van een beroepschrift (met bijlagen), dat op 9 juli 2004 bij het gerechtshof is ingekomen.

Nadat de heffingsambtenaar zijn verweerschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 21 januari 2005, gehouden te Assen, alwaar aanwezig waren de belanghebbende en zomede de gemachtigde van de heffingsambtenaar.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

Het gerechtshof heeft in deze zaak op 4 februari 2005 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekende brief, ter post bezorgd op 17 februari 2005, aan partijen is verzonden.

Bij brief van 6 april 2005 heeft de Hoge Raad der Nederlanden aan het gerechtshof te kennen gegeven dat tegen vorenbedoelde mondelinge uitspraak beroep in cassatie werd ingesteld.

Het gerechtshof werd verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1. Belanghebbende heeft op 1 juli 2003 aan de gemeente een bouwvergunning gevraagd voor de bouw van drie identieke recreatiewoningen. Na overleg tussen belanghebbende en de gemeente zijn daarop drie bouwvergunningen verleend. Voor het in behandeling nemen van de aanvraag tot het verkrijgen van elk der

bouwvergunningen is van belanghebbende steeds € 1.605,57, ofwel in totaal € 4.816,72, aan leges geheven.

2.2. Op 4 november 2003 heeft belanghebbende een aanvraag ingediend voor een bouwvergunning voor een vierde identieke recreatiewoning. Een bouwvergunning is daarop verleend op 22 januari 2004. Op de vergunning is vermeld dat een bedrag van

€ 1.665,03 aan leges verschuldigd is met de vermelding: “Voor het bovenvermelde legesbedrag zult u binnenkort een factuur ontvangen.”

2.3. Op het blad met de bij de bouwvergunning behorende voorwaarden is vermeld: “Bezwaarmogelijkheden: Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (: Awb.) kunnen belanghebbenden tegen deze beschikking binnen 6 weken na bekendmaking een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aa en Hunze. Uw reguliere bouwvergunning is pas onherroepelijk nadat de bezwaarperiode verstreken is en gedurende die periode geen bezwaarschrift is ingediend of voorlopige voorziening is ingesteld bij de afdeling bestuursrecht van de rechtbank. Zolang u binnen die periode bouwt, doet u dat op eigen risico.

2.4. Op 2 maart 2004 is aan belanghebbende een factuur gezonden met aangehechte acceptgiro voor de betaling van € 1.665,03 aan leges. Op deze factuur is geen rechtsmiddelverwijzing aangebracht.

3. Het geschil.

3.1. Tussen partijen is het antwoord op de volgende vragen in geschil:

- is het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk verklaard?

- is er terecht leges in rekening gebracht?

- is het in rekening gebrachte bedrag aan leges niet te hoog?

3.2. Belanghebbende is van mening dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend, zodat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Voorts is belanghebbende van mening dat, gelet op de eerdere bouwvergunningen de gemeente niet of nauwelijks enige

werkzaamheid voor het verlenen van de bouwvergunning heeft behoeven te verrichten, zodat de geheven leges tot een veel lager bedrag behoorde te worden vastgesteld. Tenslotte stelt belanghebbende dat, gezien het voorgaande, de gemeente winst heeft gemaakt op de geheven leges, hetgeen in strijd is met de wet, zodat de leges dient te worden teruggebracht tot nihil.

3.3. Namens de heffingsambtenaar is ter zitting erkend dat het bezwaar mogelijk toch ontvankelijk was. Voorts heeft de gemachtigde van de heffingsambtenaar verklaard dat ter zake van het verlenen van de bouwvergunning wel diverse werkzaamheden zijn verricht. Het tarief van de geheven leges is, volgens de gemachtigde, vastgesteld zonder winstoogmerk.

4. Rechtsoverwegingen:

4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken, welke termijn ingevolge het bepaalde in artikel 6:8, eerste lid, van de Awb aanvangt met ingang van de dag waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

4.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 6 van de Verordening, worden de rechten geheven bij wege van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, zegel, nota of andere schriftuur.

4.3. Op de op 22 januari 2004 verleende bouwvergunning is, overeenkomstig onder 2.2 geciteerd, het bedrag van de te betalen leges vermeld, onder toevoeging van de mededeling dat belanghebbende daarvoor binnenkort een factuur zou ontvangen. Deze factuur is op 2 maart 2004 aan belanghebbende gezonden.

4.4. Gelijk onder 2.3 geciteerd is bij de bouwvergunning tevens meegedeeld dat “tegen deze beschikking” binnen zes weken na bekendmaking een bezwaarschrift kan worden ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente. Nog

daargelaten dat ten aanzien van de te betalen leges deze rechtsmiddelverwijzing onjuist is, laat zich uit de verdere toevoegingen, zoals geciteerd onder 2.3, afleiden dat deze rechtsmiddelverwijzing ziet op de verleende bouwvergunning zelf en niet op de leges.

4.5. Nu namens belanghebbende binnen zes weken na toezending van de eerder genoemde factuur een bezwaarschrift is ingediend bij de gemeente moet het bezwaar worden geacht tijdig te zijn gemaakt. Weliswaar is het bezwaarschrift gezonden naar het college van burgemeester en wethouders en niet naar de heffingsambtenaar, doch zulks doet aan de ontvankelijkheid van het bezwaar niet af, nu blijkens de uitspraak op het bezwaar het bezwaarschrift de heffingsambtenaar wel heeft bereikt en door of namens hem is behandeld.

4.6. Ingevolge het bepaalde in artikel 2 en artikel 6 van de Verordening, in samenhang met het bepaalde in hoofdstuk 5 onder 5.4 van de bij de Verordening behorende tarieventabel, is bij de eerder genoemde factuur het bedrag van € 1.665,03 aan belanghebbende in rekening gebracht. Tussen partijen is niet in geschil, en ook overigens is niet gebleken, dat dit bedrag niet in overeenstemming zou zijn met deze bepalingen, zodat het hof van de juistheid van dit bedrag uitgaat. Hieraan doet niet af belanghebbendes stelling – die door de heffingsambtenaar gemotiveerd ter zitting is bestreden - dat door de gemeente met de behandeling van de aanvraag voor de bouwvergunning in dit geval minder kosten zijn gemaakt of behoefden te worden gemaakt dan het geheven bedrag.

4.7. Belanghebbende heeft tevens gesteld dat door de gemeente, gelet op hetgeen onder 4.2. is vermeld, met het in rekening brengen van het onderhavige bedrag aan leges winst is gemaakt, hetwelk – naar het hof belanghebbende begrijpt – in strijd moet worden geacht met het bepaalde in artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet.

4.8. Bij de berekening van het in artikel 229b van de Gemeentewet

vermelde maximum van de geraamde baten van de op basis van de Verordening geheven rechten dient te worden gelet op alle geraamde baten die op basis van de Verordening worden geheven en alle geraamde lasten die daarop betrekking hebben (Hoge Raad 7 mei 2004, nr. 37.375). De vraag of ter zake van de verlening van de onderhavige bouwvergunning de geheven leges de daarvoor door de gemeente bestede kosten zouden overtreffen is derhalve niet bepalend voor het antwoord op de vraag of sprake is van strijd met het bepaalde in artikel 229b van de Gemeentewet.

4.9. Tegenover de ontkenning ter zitting door de gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft belanghebbende echter niet het begin van een vermoeden kunnen vestigen dat het bepaalde in artikel 229 b van de Gemeentewet is geschonden in bovenvermelde zin.

4.10. Gelet op het voorgaande is de leges terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende in rekening gebracht.

4.11. Al het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond is in zoverre het betreft de ontvankelijkheid van het bezwaar en dat het bedrag aan in rekening gebrachte leges dient te worden gehandhaafd. In verband daarmee acht het gerechtshof geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

5. De beslissing.

Het gerechtshof

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

verklaart het bezwaar ontvankelijk;

handhaaft het bedrag van de geheven leges;

verstaat dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht ad € 37,-- aan hem vergoedt en

wijst de gemeente Aa en Hunze aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te dragen.

Gedaan op 22 april 2005 te Leeuwarden door mr. Drion, raadsheer en voorzitter, in tegenwoordigheid van de griffier dhr. Gerrits en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier.

Op 27 april 2005 afschrift

aangetekende verzonden aan beide partijen.