Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AT4675

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-04-2005
Datum publicatie
27-04-2005
Zaaknummer
BK 570/04 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur de aftrek van de onder punt 2.4 bedoelde scholingsuitgaven terecht heeft geweigerd.

Wetsverwijzingen
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 26
Wet inkomstenbelasting 2001 6.27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-0893
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 570/04 22 april 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, vijfde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z (: de belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Noord (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan de belanghebbende is met dagtekening 26 maart 2004 voor het jaar 2002 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (: IB/PV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.697,-- en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.554,--.

1.2. Op het tijdig ingediende bezwaar van de belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 16 juni 2004 de aanslag gehandhaafd.

1.3. De belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een pro forma beroepschrift (met bijlage), dat op 6 juli 2004 bij het gerechtshof is ingekomen. Bij brief (met bijlagen), ingekomen bij het gerechtshof op 2 augustus 2004, heeft de belanghebbende zijn beroepschrift aangevuld met de gronden van het beroep.

1.4. Op 2 september 2004 heeft het gerechtshof van de inspecteur een verweerschrift ontvangen.

1.5. De belanghebbende heeft op 19 oktober 2004 een conclusie van repliek ingediend bij het gerechtshof. Van de inspecteur heeft het gerechtshof op 17 november 2004 een conclusie van dupliek ontvangen.

1.6. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof op 11 maart 2005, gehouden te Groningen, alwaar aanwezig waren de belanghebbende alsmede namens de inspecteur de heer A.

1.7. Ter voormelde zitting heeft de gemachtigde van de belanghebbende de door hem ter zitting voorgedragen pleitnota overgelegd. Tevens heeft de gemachtigde van de belanghebbende – zonder bezwaar van de zijde van de inspecteur – een tot de pleitnota behorende bijlage overgelegd.

1.8. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1. De belanghebbende, geboren op .. oktober 19.., was het gehele jaar 2002 in dienstbetrekking werkzaam bij A B.V. te L. In het jaar 2001 heeft dit bedrijf (opnieuw) een besluit tot reorganisatie genomen. De belanghebbende, die in 1999 was uitgeschakeld door een burnout, was toen nog niet op zijn werkplek/functie teruggekeerd. Belanghebbendes functie is bij de reorganisatie uiteindelijk komen te vervallen. Herplaatsing in een soortgelijke functie, waarbij de belanghebbende voor onbepaalde tijd in dienst kon blijven, bleek niet mogelijk. Per 1 januari 2003 is belanghebbendes arbeidscontract bij genoemde werkgever beëindigd.

2.2. In maart 2002 was het de belanghebbende duidelijk dat zijn arbeidscontract per 1 januari 2003 zou eindigen. Omdat hij bij zijn toenmalige werkgever geen aanspraak heeft gemaakt dan wel heeft kunnen maken op reïntegratiebegeleiding dan wel een vergoeding voor om-/bijscholing, heeft hij in maart/april 2002 besloten om zelf een loopbaanbureau in te schakelen met het doel om beter inzicht te verwerven in zijn sterke en minder sterke punten, zijn idealen en drijfveren. Hij heeft zich ter zake gewend tot B, adviesgroep voor loopbaanontwikkeling B.V. (hierna: B) Daarnaast heeft de belanghebbende in het jaar 2002 gebruik gemaakt en steun ontvangen van een supervisor op het gebied van levensvraagstukken. Verder heeft de belanghebbende een cursus (zijnde een praktijktraining) counseling gevolgd.

2.3. Drs. C., verbonden aan B, heeft in een brief (bijlage 6 bij de aanvulling op belanghebbendes beroepschrift) bevestigd dat de belanghebbende sinds april 2002 een outplacementtraject volgt bij genoemde organisatie. In deze brief is aangegeven dat de doelstelling van een dergelijk traject is om door middel van coaching het professioneel functioneren van de belanghebbende te verbeteren, teneinde in dit geval de kansen van de belanghebbende op de arbeidsmarkt te vergroten.

2.4. In zijn aangifte IB/PV voor het jaar 2002 heeft de belanghebbende de volgende kosten als scholingsuitgaven opgevoerd:

B € 5.000,--

Cursus counseling 2 modules - 140,--

Supervisie, reiskosten - 291,--

Boeken - 34,--

Abonnement Psychologie - 50,--

Copy en portokosten - 35,--

Sollicitatiekosten - 42,--

Totale scholingsuitgaven € 5.592,--

In totaal heeft de belanghebbende aldus, rekeninghoudend met de drempel ad € 500,--, een bedrag van € 5.092,-- als scholingsuitgaven in aftrek gebracht.

2.5. Bij brief van 2 februari 2004 heeft de inspecteur de belanghebbende verzocht aanvullende informatie te verstrekken aangaande de onder punt 2.4 bedoelde scholingsuitgaven. Dit heeft de belanghebbende gedaan bij brief van 13 februari 2004. In de toelichting bij deze brief heeft de belanghebbende aangegeven dat de uitgaven voor het abonnement Psychologie in het jaar 2002 niet voor aftrek in aanmerking komen, nu de betreffende factuur eerst in het jaar 2003 is betaald. Verder heeft de belanghebbende de gevraagde aftrekpost gehandhaafd.

2.6. Na de onder punt 2.5 bedoelde briefwisseling heeft de inspecteur bij brief van 17 februari 2004 de belanghebbende te kennen gegeven dat de onderhavige scholingsuitgaven niet tot (aftrekbare) studiekosten kunnen worden gerekend. De inspecteur heeft de belanghebbende in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Dit heeft de belanghebbende telefonisch alsmede bij brief van 19 februari 2004 gedaan. De belanghebbende heeft hierbij aangegeven het niet eens te zijn met het standpunt van de inspecteur.

2.7. De inspecteur heeft vervolgens met dagtekening 26 maart 2004 de onderhavige aanslag aan de belanghebbende opgelegd. De aftrek ter zake van onder punt 2.4 bedoelde scholingsuitgaven heeft de inspecteur hierbij geweigerd. Het belastbare inkomen uit werk en woning heeft de inspecteur – in afwijking van belanghebbendes aangifte – vastgesteld op een bedrag van € 41.697,--.

2.8. Op het bezwaar van de belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak de aanslag gehandhaafd.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur de aftrek van de onder punt 2.4 bedoelde scholingsuitgaven terecht heeft geweigerd.

3.2. De belanghebbende stelt zich – kort weergegeven – op de volgende standpunten:

a. Alle opgevoerde scholingsuitgaven zijn gedaan in het kader van het verwerven van een andere baan. Deze uitgaven zijn dus gedaan om inkomen uit werk en woning te verwerven.

b. Outplacementkosten zijn aftrekbaar voor werkgevers en de kosten mogen onbelast vergoed worden aan werknemers. De wetgever heeft dus bedoeld dat aftrek van de belasting kan worden verkregen voor de belastingplichtige die het outplacementtraject betaald heeft.

c. De inspecteur heeft vóór het opleggen van de onderhavige aanslag niet meer gereageerd op de brief van de belanghebbende van 19 februari 2004. Deze vorm van handelen is niet in overeenstemming met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

d. Indien het antwoord op de onder punt 3.1 vermelde vraag bevestigend luidt, dient de gemiddelde rendementsgrondslag van box 3 voor het jaar 2002 naar rato verlaagd te worden, omdat de (ten onrechte ontvangen) voorlopige teruggaaf op 31 december 2002 ten onrechte op belanghebbendes spaar-/beleggingsrekening stond.

3.3. De inspecteur houdt vast aan het standpunt dat de onder punt 3.1 vermelde bevestigend dient te luiden. Met een latente belastingschuld wordt bij de bepaling van de rendementsgrondslag van box 3 geen rekening gehouden.

3.4. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die zij hebben aangevoerd in de van hen afkomstige stukken alsmede ter zitting. De gemachtigde van de belanghebbende heeft ter zitting zijn grieven gericht tegen de in rekening gebrachte heffingsrente laten varen.

4. De rechtsoverwegingen

4.1. Scholingsuitgaven zijn, ingevolge artikel 6.27 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (: de Wet), uitgaven voor het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning.

4.2. Volgens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 260-261) betreffende artikel 6.27 van de Wet wordt met de term 'met het oog op het verwerven van inkomen uit arbeid en woning' beoogd aan te geven dat het doel van de opleiding bepalend is voor de aftrekbaarheid van de scholingsuitgaven. Het geobjectiveerde doel van het volgen van de opleiding of studie moet zijn hetzij het verbeteren van de financieel-economische positie van de belastingplichtige, hetzij het op peil houden of verbeteren van kennis en vaardigheden die de belastingplichtige nodig heeft voor het verwerven of behouden van inkomen uit tegenwoordige arbeid. Uitgaven voor een opleiding of studie die wordt gevolgd als hobby of uit persoonlijke interesse, kunnen dus niet als scholingsuitgaven in aanmerking komen, evenmin als dergelijke uitgaven in een te ver verwijderd verband staan met het verwerven van inkomen uit werk en woning.

4.3. Vaststaat (zie punt 2.2) dat de belanghebbende zich heeft gewend tot B met het doel om beter inzicht te verwerven in zijn sterke en minder sterke punten, zijn idealen en drijfveren. Voorts staat vast (zie punt 2.3) dat de belanghebbende bij B een outplacementtraject heeft gevolgd en dat de doelstelling van dit traject volgens genoemde organisatie is om door middel van coaching het professioneel functioneren van de belanghebbende te verbeteren, teneinde in dit geval de kansen van de belanghebbende op de arbeidsmarkt te vergroten. Gelet op deze vaststaande feiten is het gerechtshof van oordeel dat de belanghebbende het outplacementtraject slechts ten eigen nutte heeft gevolgd ter verbetering van zijn persoonlijke uitrusting. De voor het gevolgde outplacementtraject gemaakte kosten staan naar het oordeel van het gerechtshof derhalve in een te ver verwijderd verband met het verwerven van inkomen uit werk en woning, zodat deze kosten ad € 5.000,-- niet als scholingsuitgaven in aftrek kunnen worden gebracht. Om deze zelfde reden kunnen de door de belanghebbende gemaakte kosten ter zake van supervisie, nu vaststaat (zie punt 2.2) dat de door de belanghebbende ter zake gevolgde sessies zien op levensvraagstukken, evenmin in aftrek worden toegelaten.

4.4. De belanghebbende heeft aangaande de door hem opgevoerde outplacementkosten – naar het gerechtshof hem begrijpt – een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel door te stellen dat werkgevers deze kosten bij de bepaling van de winst wel als scholingsaftrek in mindering kunnen brengen. Hij verwijst daarbij naar het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 17 juli 2003, nr. CPP2003/1412M. In dit Besluit heeft de staatssecretaris aangegeven dat de kosten voor outplacement voor scholingsaftrek in aanmerking komen voor zover zij ook als scholingskosten kunnen worden gekwalificeerd. Uit het onder punt 4.3 overwogene volgt dat de onderhavige outplacementkosten niet als scholingsuitgaven kunnen worden aangemerkt, zodat een eventuele werkgever deze kosten ook niet als scholingsaftrek op zijn winst in mindering had kunnen brengen. Van een ongelijke behandeling ter zake van de aftrekbaarheid van de onderhavige outplacementkosten is derhalve geen sprake. De belanghebbende acht – naar het gerechtshof hem begrijpt – voorts schending van het gelijkheidsbeginsel aanwezig, gezien de omstandigheid dat werkgevers de kosten van outplacement onbelast aan werknemers mogen vergoeden. Het gerechtshof overweegt hieromtrent als volgt.

4.5. Op grond van het in de artikelen 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en 14 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, opgenomen discriminatieverbod moeten gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in zijn arrest van 22 juni 1999, nr. 46757/99, zaak Della Ciaja/Italië, BNB 2002/398, aangegeven dat op fiscaal gebied aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van de bedoelde EVRM-bepaling als gelijk moeten worden beschouwd, en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. De Hoge Raad heeft dit rechtsoordeel overgenomen in zijn arrest van 12 juli 2002, nr. 36 254, BNB 2002/400 en daarbij overwogen dat van een schending van de artikelen 26 IVBPR en 14 EVRM slechts sprake is bij een evidente disproportionaliteit tussen de ongelijke behandeling en het doel dat wordt nagestreefd.

4.6. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet leidt het gerechtshof af dat de wetgever aan het niet opnemen van de mogelijkheid tot aftrek van kosten in de situatie dat wel vrije vergoedingen mogelijk zijn, ten grondslag heeft gelegd het inkomensbeleid en de verbetering van de werking van de arbeidsmarkt, alsmede de vereenvoudiging van de uitvoering van de belastingwet en het voorkomen van verzwaring van de lastendruk. Tevens heeft de wetgever daarbij tot uitdrukking gebracht dat als met betrekking tot die kosten sprake is van voor het vervullen van de dienstbetrekking noodzakelijke kosten, werkgevers bereid zullen zijn deze te vergoeden. In het verlengde van het voorgaande heeft de wetgever (kennelijk) geoordeeld dat dan een doelmatige belastingheffing meebrengt dat kan worden volstaan met het onbelast laten van bepaalde vergoedingen en het niet in aftrek toelaten van voor eigen rekening genomen kosten. Op grond hiervan en rekening houdend met de onder 4.5 besproken ruime beoordelingsvrijheid die de fiscale wetgever toekomt, is het gerechtshof van oordeel dat de wetgever alsdan heeft kunnen oordelen dat voor een ongelijke behandeling als hier aan de orde is gesteld, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel kan het gerechtshof derhalve niet honoreren.

4.7. Met betrekking tot de door de belanghebbende als scholingsuitgaven opgevoerde sollicitatiekosten overweegt het gerechtshof dat deze kosten niet kunnen worden aanmerkt als uitgaven voor het volgen van een opleiding of studie. Deze kosten kunnen om die reden dus niet als scholingsuitgaven in aanmerking worden genomen.

4.8. Uitgaven die verband houden met reizen behoren niet tot de aftrekbare scholingsuitgaven, aldus artikel 6.28 van de Wet. Derhalve heeft de inspecteur de aftrek ter zake van de door de belanghebbende als scholingsuitgaven opgevoerde reiskosten naar het oordeel van het gerechtshof terecht geweigerd.

4.9. Met betrekking tot de in de aangifte als scholingsuitgaven opgevoerde kosten voor het abonnement Psychologie heeft de belanghebbende zelf reeds (terecht) aangegeven (zie punt 2.5) dat deze in het jaar 2002 niet aftrekbaar zijn. De overige door de belanghebbende opgevoerde scholingsuitgaven komen niet uit boven het ter zake geldende drempelbedrag ad € 500,--, zodat een bespreking van de aftrekbaarheid van deze uitgaven naar het oordeel van het gerechtshof achterwege kan worden gelaten.

4.10. Ten aanzien van de omstandigheid dat de inspecteur vóór het opleggen van de onderhavige aanslag niet meer heeft gereageerd op de brief van de belanghebbende van 19 februari 2004, overweegt het gerechtshof dat – wat hier ook van zij – deze enkele omstandigheid niet zonder meer tot de conclusie kan leiden dat de inspecteur heeft gehandeld in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Het gerechtshof gaat derhalve voorbij aan de onder punt 3.2c weergegeven grief van de belanghebbende.

4.11. Het voorgaande leidt de slotsom dat de onder punt 3.1 vermelde vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Voor dat geval heeft de belanghebbende de onder punt 3.2d vermelde grief opgeworpen. Hieromtrent overweegt het gerechtshof dat, ingevolge artikel 5.3, derde lid, van de Wet, verplichtingen die voortvloeien uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen, uit een belastingwet waarop de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing is of uit de Invorderingswet 1990, niet als schulden in aanmerking worden genomen. Met de latente belastingschuld (betreffende de gedeeltelijke terugbetaling van de door de belanghebbende ontvangen voorlopige teruggaaf) van de belanghebbende kan derhalve geen rekening worden gehouden, zodat de belanghebbende de onder punt 3.2d vermelde grief tevergeefs heeft opgeworpen.

4.12. Belanghebbendes beroep treft derhalve geen doel.

5. De proceskosten

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 22 april 2005 door mr. J.W. Keuning, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde raadsheer-plaatsvervanger in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Hiemstra en ondertekend door voornoemde raadsheer-plaatsvervanger en door voornoemde griffier.

Op 27 april 2005 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.