Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AT4460

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-03-2005
Datum publicatie
22-04-2005
Zaaknummer
WAHV 04-00909
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inleidende beschikking opgelegd aan rechtspersoon als kentekenhouder. De feitelijk bestuurder, de enig aandeelhouder van de rechtspersoon, is overleden. Nu de rechtspersoon niet is ontbonden blijft sanctieoplegging aan deze rechtspersoon op grond van art. 5 WAHV mogelijk.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2005, 65
Jwr 2005/57 met annotatie van JvdH
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 04/00909

16 maart 2005

CJIB 69061094010

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Utrecht

van 24 mei 2004

betreffende

[E.B.H. B.V.] (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [adres],

voor wie als gemachtigde optreedt mr. drs. M.J.G. Schroeder, wonende te [adres].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Voorts heeft de gemachtigde verzocht om een vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

1.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van euro 86,- opgelegd ter zake van "niet stoppen voor rood licht bij driekleurig verkeerslicht", welke gedraging zou zijn verricht op 28 maart 2003 om 14:13 uur op de Europalaan te Utrecht met het voertuig met kenteken [nummer].

3.2. De gemachtigde van de betrokkene heeft onder meer aangevoerd dat de heer [K] de bestuurder is geweest van het voertuig met kenteken [nummer]. De heer [K] was bestuurder en enig aandeelhouder van [E.B.H. B.V.] Hij is op [dag, maand] 2003 overleden en dit feit blokkeert volgens de gemachtigde de sanctieoplegging ingevolge art. 5 WAHV. De gemachtigde wijst in dit verband op het arrest van de Hoge Raad van 14 januari 2003, VR 2003, 18 en op het arrest van dit hof van 22 mei 2002, WAHV 01/00479. Voorts heeft hij onder verwijzing naar het genoemde arrest van de Hoge Raad aangevoerd dat de kantonrechter had dienen te reageren op het door de gemachtigde gevoerde verweer dat de verklaringen van de bestuurder van het voertuig omtrent de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden, onmisbaar zijn bij de sanctieoplegging, terwijl zich de absolute onmogelijkheid voordoet dat de betrokkene beschikt over die verklaringen.

3.3. De advocaat-generaal heeft in zijn verweerschrift d.d. 6 oktober 2004 de vraag opgeworpen of de gemachtigde bevoegd is namens de betrokkene hoger beroep in te stellen nu de machtiging is verleend door mevrouw [C], weduwe van de heer [K]. Uit de stukken blijkt echter niet dat mevrouw [C], bijvoorbeeld als erfgenaam, bevoegd is [E.B.H. B.V.] te vertegenwoordigen. De advocaat-generaal heeft dit ook niet kunnen achterhalen bij het Handelsregister van de Kamer van Koophandel te [adres]. Hij concludeert derhalve primair tot het geven van een nadere termijn aan mevrouw [C], binnen welke termijn zij kan aantonen dat zij bevoegd is de betrokkene te vertegenwoordigen. Subsidiair concludeert de advocaat-generaal tot bevestiging van de beslissing van de kantonrechter op grond van de overweging dat de sanctie conform art. 5 WAHV aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd. Derhalve is niet vastgesteld wie de bestuurder van de auto is geweest, en of dat inderdaad de overleden heer [K] is geweest. Met uitzondering van de in art. 8 WAHV genoemde gevallen blijft de kentekenhouder op grond van de wet aansprakelijk. De Hoge Raad heeft op 15 juli 1993, NJ 1994, 177, geoordeeld dat art. 5 WAHV niet onverenigbaar is met het in art. 6 EVRM vervatte vermoeden van onschuld.

3.4. Uit een afschrift uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel te [adres] d.d. 11 oktober 2004 blijkt dat de betrokkene, [E.B.H. B.V.], niet ontbonden is. De heer [K] was in zijn hoedanigheid van directeur/bestuurder bevoegd de vennootschap te vertegenwoordigen. Hij was tevens enig aandeelhouder van de vennootschap. Blijkens een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente [adres] d.d. 24 juli 2003 is de heer [K] op [dag, maand] 2003 overleden. Tevens blijkt dat mevrouw [C] op [dag, maand] 1991 te [adres] gehuwd is met de heer [K] en dat dit huwelijk door diens overlijden is ontbonden. Voorts is er blijkens voornoemd uittreksel sprake van vier kinderen die de naam van de heer [K] dragen en waarvan het oudste kind op [dag, maand] 1987 is geboren. Op grond van art. 15, zesde lid sub c, in samenhang met art. 14, eerste lid, van de Statuten kunnen bij overlijden van de, in dit geval enig, aandeelhouder de aandelen van de vennootschap overgaan op uitsluitend de echtgenoot en/of een of meer van zijn bloed- en aanverwanten in de rechte neerdalende lijn. De statuten komen in dit opzicht overeen met het bepaalde in art. 2:195, eerste lid, BW. Bij de oprichting van de vennootschap op 14 februari 2001 heeft de heer [K] echter verklaard dat hij ongehuwd was en niet geregistreerd was als partner in de zin van het geregistreerd partnerschap of als zodanig geregistreerd is geweest. Het hof zal echter uitgaan van de juistheid van de gegevens van de gemeentelijke basisadministratie.

3.5. Uit de toelichting op het hoger beroep blijkt dat mevrouw [C] de onder 3.3. bedoelde machtiging d.d. [dag, maand] 2003 heeft verleend in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar, onder 3.4. vermelde, kinderen die zij kennelijk als erfgenaam heeft aangemerkt van haar overleden echtgenoot. Ten tijde van het verlenen van de machtiging waren deze kinderen minderjarig. Nu de aandelen van de vennootschap op grond van het overwogene onder 3.4 geacht kunnen worden te zijn overgegaan op mevrouw [C] en haar kinderen, en zij daardoor bevoegd is de bestuurder/vertegenwoordiger van de vennootschap te benoemen, acht het hof haar tevens bevoegd tot het verlenen van een machtiging tot vertegenwoordiging van de betrokkene in de onderhavige zaak. De betrokkene is derhalve ontvankelijk in het hoger beroep.

3.6. Art. 5 WAHV bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven.

3.7. Voor zover de gemachtigde het arrest van dit hof van 22 mei 2002 (WAHV 01/00479) van toepassing acht op de onderhavige casus en op grond daarvan wil stellen dat met het overlijden van de heer [K] de rechtsgrond is komen te ontvallen aan de sanctieoplegging, berust deze stelling op een onjuiste opvatting. In de onderhavige casus is de betrokkene, de rechtspersoon, immers blijven voortbestaan ondanks het overlijden van de heer [K]. Art. 25, derde lid, WAHV is dan ook niet van toepassing.

3.8. Het verweer van de gemachtigde is mede gebaseerd op de veronderstelling dat de heer [K] degene is die de gedraging feitelijk heeft verricht. Het feit dat de heer [K] nadien is overleden blokkeert zijns inziens de sanctieoplegging op grond van art. 5 WAHV. Daargelaten dat de veronderstelling van de gemachtigde niet meer geverifieerd kan worden, miskent de gemachtigde de betekenis van art. 5 WAHV. Op grond van deze bepaling dient, buiten de gevallen van art. 8 WAHV, de kentekenhouder aansprakelijk te worden gesteld voor de gedraging die met het voertuig is verricht. Uit het door de gemachtigde aangehaalde arrest van de Hoge Raad volgt dat de rechtsgang van de WAHV slechts openstaat voor degene aan wie een administratieve sanctie is opgelegd. Nu de vennootschap, die als kentekenhouder geregistreerd staat, niet is opgehouden te bestaan, berusten de aansprakelijkheid voor de gedraging en de betaling van de opgelegde sanctie, alsmede de rechtsmiddelen in het kader van de WAHV en de civielrechtelijke aansprakelijkheidstelling, bij de vennootschap. De omstandigheid dat degene die de gedraging mogelijk feitelijk heeft verricht is overleden maakt dit niet anders. De wet biedt geen grond voor de uitleg die de gemachtigde wil geven aan art. 5 WAHV, namelijk dat een beperking of onmogelijkheid van verhaal door de kentekenhouder en een beperking van de verdedigingsmogelijkheden van de kentekenhouder,- daarin gelegen, dat eventueel door de feitelijke bestuurder aan te voeren argumenten waarmee een beroep zou kunnen worden gedaan op het bepaalde in art. 9, tweede lid, van de WAHV niet meer mogelijk zouden zijn -, in de weg zouden staan aan de toepassing van art. 5 WAHV.

Immers, de aansprakelijkheid van de kentekenhouder is niet een afgeleide van die van de feitelijke bestuurder, maar, in de woorden van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM 19 oktober 2004, nr. 66273/01, VR 2005,1 met nt. Si): "Article 5 of the Act (...) obliges a registered car owner to assume the responsibility for his or her decision to allow another person to use his or her car (...)." Met betrekking tot deze aansprakelijkheid komen de kentekenhouder alle verdedigingsmogelijkheden toe, inzonderheid het beroep op het bepaalde in artikel 8 en het verweer dat niet is voldaan aan de voorwaarde van art.5 dat "niet aanstonds is vastgesteld wie (...) de bestuurder is.".

3.9. Het vorenoverwoge in aanmerking genomen zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

3.10. Voor zover de gemachtigde heeft willen betogen dat de kantonrechter niet zou hebben gereageerd op het door de gemachtigde gevoerde verweer dat de verklaringen van de bestuurder van het voertuig omtrent de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden, onmisbaar zijn bij de sanctieoplegging, mist dit beoog feitelijke grondslag. De kantonrechter heeft immers overwogen dat dit verweer geen doel treft.

3.11. Nu het beroep van de betrokkene ongegrond wordt verklaard, ziet het hof geen aanleiding tot vergoeding van kosten.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

wijst het verzoek van de betrokkene om de advocaat-generaal te veroordelen in de proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Poelman en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Zomer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.