Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AT4381

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-03-2005
Datum publicatie
21-04-2005
Zaaknummer
WAHV 04-00917
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

De beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd. De betrokkene heeft het hof verzocht de zaak zelf af te doen. Dat betekent dat het hof de zaak zelf ter zitting dient te behandelen. Gelet op het feit dat de betrokkene de gedraging heeft erkend en dat de betrokkene voorkeur geeft aan afdoening zonder zitting, zal het hof uit proceseconomische overwegingen de zaak zonder zitting afdoen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:9
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 04/00917

2 maart 2005

CJIB 49060674233

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Rotterdam

van 4 juni 2004

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

voor wie als gemachtigde optreedt mr.drs. M.J.G. Schroeder, wonende te Rotterdam.

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van euro 28,- opgelegd ter zake van "overschrijding van de maximumsnelheid op autosnelwegen (verkeersbord A1); t/m 10 km per uur", welke gedraging zou zijn verricht op 9 april 2003 op de A13 in Rotterdam.

3.2. Tegen deze beschikking heeft de gemachtigde van de betrokkene beroep ingesteld. Bij brief van 30 juli 2003, gericht aan de betrokkene, heeft de officier van justitie medegedeeld, dat is verzuimd om de gronden van het beroep te vermelden. De betrokkene is hierbij in de gelegenheid gesteld om alsnog gronden van het beroep in te dienen. Bij beslissing van 2 september 2003 heeft de officier van justitie het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de betrokkene/gemachtigde, hoewel daartoe aangemaand, niet alle wettelijke gegevens heeft verstrekt.

3.3. Bij brief d.d. 14 oktober 2003, door het BVOM ontvangen op 16 oktober 2003, heeft de gemachtigde van de betrokkene beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie. Op 28 mei 2004 heeft de kantonrechter de zaak ter zitting behandeld, alwaar noch de betrokkene noch haar gemachtigde is verschenen. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat niet tijdig beroep zou zijn ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie.

3.4. De betrokkene voert aan, dat tijdig beroep is ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie, aangezien het beroepschrift op 14 oktober 2003 en derhalve binnen de beroepstermijn ter post is bezorgd.

3.5. Ingevolge art. 9, eerste lid, WAHV in verbinding met het in de artt. 6:7 en 6:8 Awb bepaalde dient het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de beslissing van de officier van justitie aan de betrokkene is toegezonden. Voorts bepaalt art. 6:9 Awb dat het beroepschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen, alsmede dat bij verzending per post het beroepschrift tijdig is ingediend, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

3.6. De beslissing van de officier van justitie is verzonden op 2 september 2003. De beroepstermijn eindigde derhalve op dinsdag 14 oktober 2003. Het beroepschrift, gedateerd op die veertiende oktober 2003, is blijkens het daarop geplaatste stempel op 16 oktober 2003 en derhalve na afloop van de beroepstermijn door het BVOM ontvangen. De enveloppe waarin het beroepschrift is verzonden is blijkens het daarop geplaatste poststempel op 15 oktober 2003 en derhalve één dag na afloop van de beroepstermijn afgestempeld. Deze omstandigheid sluit echter niet uit dat de brief op 14 oktober 2003 na de lichting in de brievenbus is gedeponeerd. In het onderhavige geval valt derhalve niet uit te sluiten dat het beroepschrift op 14 oktober 2003 en derhalve binnen de beroepstermijn ter post is bezorgd. Nu het beroepschrift niet later dan een week na afloop van de beroepstermijn is ontvangen, is tijdig beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie (vgl. Hof Leeuwarden 7 augustus 2002, VR 2002,190). De beslissing van de kantonrechter dient derhalve te worden vernietigd.

3.7. Aangezien door de betrokkene behandeling van het beroep door het hof is verlangd, zal het hof de zaak ingevolge het bepaalde in art. 20d, tweede lid, eerste volzin, WAHV zelf afdoen. In beginsel dient het hof dan de zaak op een zitting te behandelen (vgl. Hof Leeuwarden 16 juni 2004, WAHV 03/1348, LJN AQ7112). Gelet op het standpunt van de betrokkene ten aanzien van de inleidende beschikking, zoals hierna onder 3.9. weergegeven, en op de omstandigheid, dat de gemachtigde van de betrokkene de voorkeur geeft aan een afdoening zonder zitting, zal het hof uit proceseconomische overwegingen de zaak zonder zitting afdoen.

3.8. De officier van justitie heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de betrokkene geen gronden heeft ingediend. Aangezien de betrokkene en niet (ook) de gemachtigde in de gelegenheid is gesteld om gronden van het beroep in te dienen, is niet gehandeld in overeenstemming met het bepaalde in art. 6:17 Awb. Derhalve kan de beslissing van de officier van justitie evenmin in stand blijven.

3.9. De advocaat-generaal heeft bij het verweerschrift een afschrift van de foto van de gedraging gevoegd. In reactie hierop heeft de betrokkene - naar het hof begrijpt - erkend dat de gedraging is verricht. Gelet hierop dient het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond te worden verklaard.

3.10. Nu de beslissingen van de kantonrechter en de officier van justitie worden vernietigd, acht het hof termen aanwezig om een kostenveroordeling uit te spreken.

3.11. Het Besluit proceskosten bestuursrecht behelst in art. 1 een limitatieve opsomming van de kosten waarop een veroordeling in de kosten betrekking kan hebben. Daartoe behoren de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Die kosten zijn in het Besluit forfaitair bepaald per proceshandeling.

3.12. De gemachtigde van de betrokkene heeft in beroep bij de kantonrechter en in hoger beroep de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van het beroepschrift, het indienen van het hoger beroepschrift en het indienen van een reactie op het verweerschrift. Aan het indienen van beide beroepschriften moet telkens één punt te worden toegekend. De reactie op het verweerschrift van de advocaat-generaal moet worden beschouwd als repliek (= 1/2 punt).

Blijkens de Bijlage bij het Besluit is de waarde per punt euro 322,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toe. Gelet op het vorenoverwogene zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van euro 201,25 (= 21/2 punt x euro 322,- x 1/4).

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie;

verklaart het beroep ongegrond;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van euro 201,25.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Poelman en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.