Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AT4185

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
15-04-2005
Datum publicatie
20-04-2005
Zaaknummer
BK 843/04 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de boete terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-0829
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: 843/04 15 april 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwar-den, vijfde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/ Noord/ Kantoor Leeuwarden (hierna: de inspec-teur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem bij de opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2002 bekend gemaakte boetebeschikking.

1. Ontstaan en loop van het geding

Belanghebbende heeft voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2002 een aangifte ingediend van een verzamelinkomen van € 23.161,-- als bedoeld in de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet). Op 10 juni 2004 wordt aan belanghebbende een aanslag opgelegd naar een verzamelinkomen van

€ 27.223,--. Bij deze aanslag wordt een boete van € 1.713,-- opgelegd.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 22 september 2004 het vastgestelde verzamelinkomen gehandhaafd. Hij heeft echter wel de boete verminderd tot een bedrag van € 812,--.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift, dat op 24 september 2004 ter griffie van het hof is ingekomen.

De inspecteur heeft op 11 november 2004 een verweerschrift (met bijlagen) ingediend. Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 21 januari 2005, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren belanghebbende, alsmede de inspecteur bijgestaan door zijn collega mevrouw A. Belanghebbende heeft ter zitting een door hem voorgedragen pleitnota overgelegd. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

2.1 Het hof stelt op grond van de stukken en op grond van het verhandelde ter voormelde zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.2 In 2002 is belanghebbende werkzaam in L, als burger bij het Ministerie van Defensie. Ter zitting deelde belanghebbende desgevraagd mee de bedrijfsvoering bij de gezondheidscentra te verzorgen en hij kwalificeerde zijn aanstelling als een managementfunctie.

2.3 Vanaf 1993 doet belanghebbende belastingaangifte en vanaf 1996 doet hij dit op elektronische wijze. Vanaf 1993 heeft belanghebbende jaarlijks verzocht om aftrek van het reiskostenforfait. In 1996 is belanghebbende werkzaam in M en in 1997 tot en met 2000 is hij werkzaam in N. In 1997 heeft belanghebbende aftrek van beroepskosten verzocht boven het forfait en voor 1999 en 2000 heeft hij verzocht om aftrek buitengewone lasten wegens ziekte.

2.4 Voor 2002 voert belanghebbende in zijn aangifte onder rubriek 26 “Ziektekosten en andere buitengewone uitgaven” de volgende kosten op:

- Huisapotheek € 150,--;

- Premie ziekenfonds/ particuliere ziektekostenverzekering €3.661,--;

- Reiskosten woon-werkverkeer Z-L. Niet met openbaar vervoer bereikbaar. 40 weken à 5 werkdagen per week. 89 Km enkele reis maal 2 = 178 km per dag. 40 maal 5 maal 178 maal € 0,27 = € 9612,--.

Voor het invullen van rubriek 26 van de elektronische aangifte moeten de volgende handelingen worden verricht:

a. klik in het hoofdmenu op “Aftrekposten” in de kolom “Gemeenschappelijke posten”;

b. vink in het menu “Aftrekposten” het witte vakje voor “Ziekte, bevalling, adoptie en overlijden” aan – na het aanvinken van dit vakje verschijnt de keuzemogelijkheid “Buitengewone uitgaven” op het beeldscherm;

c. klik op “Buitengewone uitgaven”;

d. vul in het specificatiescherm “Ziektekosten en andere buitengewone uitgaven” de uitgaven in. Boven de invulvelden staat “Omschrijving van uitgaven van u en/of uw fiscale partner voor ziektekosten en andere buitengewone uitgaven”.

2.5 Voor het jaar 2001 had belanghebbende zijn reiskosten op dezelfde plaats in zijn aangifte opgevoerd.

2.6 De inspecteur heeft bij de aanslagregeling het verzamelinkomen nader vastgesteld op € 27.223,-- en een boete opgelegd van

€ 1.713,--. Bij de uitspraak op het bezwaar is de boete nader vastgesteld op € 812,--.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de boete terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld.

3.2 Belanghebbende is van mening dat de boete ten onrechte is opgelegd, omdat hij niet willens en wetens bewust de aangifte onjuist heeft ingevuld. Daarnaast voert hij aan dat de boete onjuist is berekend.

3.3 De inspecteur stelt dat aan de kant van belanghebbende sprake is geweest van (voorwaardelijke) opzet waardoor er te weinig belasting is geheven.

3.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarnaar het hof thans verwijst.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Ingevolge artikel 67d eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (: Awr) kan de inspecteur gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag de belastingplichtige een boete opleggen indien het aan opzet van de belastingplichtige is te wijten dat de aangifte niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan. Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen of nalaten leidend tot het niet of niet binnen de daarvoor gestelde termijn heffen of betalen van belasting. Onder opzet wordt mede begrepen voorwaardelijk opzet. Onder voorwaardelijk opzet wordt verstaan het willens en wetens aanvaarden van de niet als denkbeeldig te verwaarlozen kans dat een handelen of nalaten tot gevolg heeft dat te weinig belasting geheven is of kan worden.

4.2 Vaststaat dat belanghebbende in de aangiften over de jaren 1996 tot en met 2000 aanzienlijke reiskosten via het reiskostenforfait en/of de beroepskostenaftrek (wat daar overigens ook van zij) in aanmerking heeft genomen. Voorts heeft hij voor de jaren 1999 en 2000 uitgaven voor ziekte als buitengewone lasten in aanmerking genomen, waaronder in 1999 reiskosten voor ziekenbezoek aan zijn moeder in een ziekenhuis in O. De als buitengewone lasten verantwoorde uitgaven betroffen steeds kosten in verband met ziekte. In afwijking hiervan heeft belanghebbende over 2001 evenals in het onderhavige jaar zijn reiskosten voor woon-werkverkeer als buitengewone last opgevoerd.

4.3 Voorts staat vast dat belanghebbende over de jaren voorafgaand aan 2001 nimmer aanleiding heeft gevonden zijn ook toen al niet onaanzienlijke reiskosten voor woon-werkverkeer als buitengewone lasten op te voeren.

4.4 In de aangifte over het onderhavige jaar heeft belanghebbende de in het geding zijnde kosten in gevuld in het scherm “Ziektekosten en andere buitengewone uitgaven” van het door de Belastingdienst beschikbaar gestelde aangifteprogramma. Bij het doorlopen van de vier schermen onder rubriek 26 is belanghebbende een aantal malen het woord “ziektekosten” tegengekomen. Deze aanduiding is naar het oordeel van het hof niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. Voorts bevat de aangifte een rubriek waar, mits voldaan wordt aan de voorwaarden, aanspraak kan worden gemaakt op de reisaftrek als een tegemoetkoming is de kosten van reizen voor woon-werkverkeer.

4.5 Op grond van hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen komt het hof tot het oordeel dat de inspecteur is geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat de belanghebbende, na de wijziging in 2001 ten aanzien van de aftrekmogelijkheden, bij het invullen van zijn aangifte heeft gezocht naar een rubriek waar hij zijn reiskosten woning-werk kwijt kon. Door daarvoor vervolgens de voor de ziektekosten bestemde rubriek te gebruiken heeft belanghebbende naar het oordeel van het hof in ieder geval de niet denkbeeldig te verwaarlozen kans aanvaard dat zijn handelen tot gevolg zou hebben dat te weinig belasting zou worden geheven.

4.5 Op grond van de hierboven vastgestelde verwijtbaarheid en het ter zake door de inspecteur gevolgde beleid komt belanghebbende in beginsel voor een boete van 50% in aanmerking. Gelet op de ernst van genoemd verwijt en de omvang van de niet voldane belasting/premie volksverzekeringen acht het hof de hoogte van de door de inspecteur opgelegde boete in casu gepast en geboden.

4.6 Belanghebbende heeft ter zitting nog aangevoerd dat er sprake is van rechtsongelijkheid tussen “oude” en “nieuwe” zaken nu voor deze laatste per 1 januari 2005 een tweede feitelijke instantie deze zaken kan beoordelen. Uit de wetsgeschiedenis van de Wet belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties (Nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstuk 2003-2004, 29251, nr. 6, Tweede Kamer, pagina 4) blijkt dat de wetgever er welbewust voor heeft gekozen de lopende boetezaken niet naar de rechtbank over te hevelen. Gelet hierop en in aanmerking nemend het arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2004, nr. 38 923, BNB 2004/197, volgt uit het ontbreken van een tweede feitelijke instantie niet zonder meer dat een opgelegde boete niet (geheel) in stand kan blijven.

4.7 Ten aanzien van de hoogte van de boete overweegt het hof dat deze als volgt is berekend:

- Verschuldigde inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen bij een verzamelinkomen van € 23.161,-- € 4.857,--

- Verschuldigde inkomstenbelasting/

premie volksverzekeringen bij een

verzamelinkomen van € 27.223,-- € 6.481,--

Verschil € 1.624,--

De boete bedraagt 50% van dit bedrag, ofwel € 812,--.

4.7 Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep te falen.

5. De conclusie.

Het vorenoverwogene brengt mee dat het beroep ongegrond is.

6. De proceskosten.

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing.

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 15 april 2005 door mr J.W. Keuning, raadsheer-plaatsvervanger, plaatsvervangend lid van de vijfde enkelvoudige kamer, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde raadsheer-plaatsvervanger in tegenwoordigheid van de griffier

mevrouw mr H. de Jong en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Afschrift aangetekend aan beide partijen verzonden

op: 20 april 2005