Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AT4184

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
15-04-2005
Datum publicatie
20-04-2005
Zaaknummer
BK 414/03 Loonbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de onderhavige verzuimboete terecht aan de belanghebbende is opgelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67c
Algemene wet inzake rijksbelastingen 19
Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-0835
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 414/03 15 april 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z (: de belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Noord (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen de hem opgelegde verzuimboete.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan de belanghebbende is met dagtekening 28 februari 2003 over het vierde kwartaal van het jaar 2002 een naheffingsaanslag loonbelasting opgelegd. Gelijktijdig met deze aanslag is aan de belanghebbende bij beschikking een verzuimboete opgelegd ten bedrage van € 383,--.

1.2. Bij de bestreden uitspraak van 3 april 2003 heeft de inspecteur het door de gemachtigde van de belanghebbende tegen de onder punt 1.1 bedoelde verzuimboete ingediende bezwaar afgewezen.

1.3. De belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), dat op 12 mei 2003 bij het gerechtshof is ingekomen.

1.4. Van de inspecteur heeft het gerechtshof op 24 juni 2003 een verweerschrift (met bijlagen) ontvangen.

1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof op 28 oktober 2004, gehouden te Assen, alwaar de inspecteur is verschenen. De gemachtigde van de belanghebbende van wie het gerechtshof vóór de zitting een ontvangstbevestiging met handtekening betreffende de aan hem (aangetekend) gezonden uitnodiging voor de zitting retour heeft ontvangen, is – zonder kennisgeving van verhindering – niet ter zitting verschenen. De voorzitter heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde de gemachtigde van de belanghebbende schriftelijk enkele vragen ter beantwoording voor te leggen.

1.6. Bij brief, ingekomen bij het gerechtshof op 14 januari 2005, heeft de gemachtigde van de belanghebbende gereageerd op de aan hem op 16 december 2004 gezonden brief van het gerechtshof. De inspecteur heeft bij brief, ingekomen bij het gerechtshof op 8 februari 2005, een reactie gegeven op de brief van de gemachtigde van de belanghebbende.

1.7. Partijen hebben beiden het gerechtshof toestemming verleend om zonder nadere mondelinge behandeling op het beroep te beslissen. Het gerechtshof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.8. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1. Op 15 januari 2003 is bij de inspecteur belanghebbendes aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen (: LB/PV) voor het vierde kwartaal van het jaar 2002 ingekomen. Volgens deze aangifte diende de belanghebbende aan LB/PV een bedrag van € 7.669,-- af te dragen.

2.2. De belanghebbende heeft getracht het onder punt 2.1 bedoelde bedrag ten laste van zijn zogenoemde g-rekening via a-bank internetbankieren tijdig over te maken door middel van een acceptgiro met als tegenrekeningnummer 00.00.00.000. Deze overboeking is – naar de belanghebbende later bleek – niet geslaagd.

2.3. Het onder punt 2.1 bedoelde bedrag is uiteindelijk eerst op 12 februari 2003 ten laste van belanghebbendes g-rekening door de belastingdienst ontvangen, derhalve – ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (: AWR) – te laat.

2.4. Naar aanleiding van de onder punt 2.3 bedoelde omstandigheid heeft de inspecteur aan de belanghebbende een naheffingsaanslag LB/PV opgelegd. Tevens heeft de inspecteur daarbij aan de belanghebbende een verzuimboete ten bedrage van € 383,-- opgelegd.

2.5. Een ieder die een zogenoemde g-rekeningovereenkomst aangaat, krijgt van de belastingdienst een bevestiging van die overeenkomst. In deze bevestiging staat onder andere vermeld:

- Voor betalingen van aangiften en aanslagen LB/PV vanaf de g-rekening kan geen gebruik worden gemaakt van primacheques of acceptgiro’s.

- Betalingen vanaf de g-rekening moeten worden overgemaakt naar bankrekeningnummer 00.00.00.001 van de Belastingdienst/Centrale administratie te Apeldoorn.

- Indien de aannemer geen bedrag op de g-rekening heeft gestort, wordt verzocht gebruik te maken van de acceptgiro’s die de inhoudingsplichtige ontvangt bij de aanslag.

- Indien de inhoudingsplichtige op een andere wijze wenst te betalen, wordt verzocht de betalingen over te maken naar bankrekeningnummer 00.00.00.000.

2.6. De belanghebbende heeft in de twee van de laatste zeven tijdvakken eveneens de door hem op aangifte af te dragen loonheffing door onjuist gebruik van de g-rekening te laat betaald.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de onderhavige verzuimboete terecht aan de belanghebbende is opgelegd.

3.2. De belanghebbende erkent dat in casu sprake is van een betalingsverzuim, doch stelt dat dit verzuim niet verwijtbaar is, omdat er sprake is van afwezigheid van alle schuld. De belanghebbende wijst daarbij op het volgende:

- Op de acceptgiro van de belastingdienst staat een verkeerd rekeningnummer (00.00.00.000) vermeld.

- Wanneer via a-bank internetbankieren bedragen door middel van een bankgiro worden aangeboden aan het bankrekeningnummer 00.00.00.001 worden deze transacties telkens afgekeurd.

3.3. De inspecteur bestrijdt dat er sprake is van afwezigheid van alle schuld. Indien de belanghebbende zich namelijk had gehouden aan de instructies zoals beschreven in de onder punt 2.4 bedoelde bevestiging, was de betreffende betaling niet door de a-bank geweigerd.

3.4. Voor een uitgebreide weergave van de standpunten van partijen en de gronden waarop deze berusten verwijst het gerechtshof naar de gedingstukken.

4. De rechtsoverwegingen

4.1. Indien de inhoudingsplichtige de belasting welke op aangifte moet worden afgedragen niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn heeft betaald, vormt dit, ingevolge artikel 67c, eerste lid, van de AWR, een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een boete van ten hoogste € 4.537,-- kan opleggen.

4.2. Ingevolge het tweede lid van paragraaf 24 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 is van een derde/volgend verzuim sprake indien belanghebbende over twee of meer van de laatste zeven tijdvakken voorafgaande aan het tijdvak waarover niet, gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig is betaald, in verzuim is geweest. Bij een derde/volgend verzuim legt de inspecteur een boete op van 5 procent van de niet tijdig betaalde belasting met een maximum van

€ 2.268,--.

4.3. Vaststaat dat de belanghebbende de door hem over het vierde kwartaal van het jaar 2004 af te dragen LB/PV niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn heeft betaald. De belanghebbende heeft gesteld dat dit betalingsverzuim hem niet is toe te rekenen en dat de onderhavige verzuimboete wegens afwezigheid van alle schuld dient te worden vernietigd. Het gerechtshof kan deze stelling niet volgen. Hoewel aan de belanghebbende kan worden toegegeven dat de wijze van betaling van de af te dragen LB/PV aan alle duidelijkheid te wensen overlaat, overweegt het gerechtshof dat, nu de belanghebbende niet heeft bestreden dat hij de onder punt 2.5 bedoelde bevestiging van de g-rekeningovereenkomst heeft ontvangen en hij bovendien reeds twee maal eerder een betalingsverzuim in verband met het onjuist gebruik van de g-rekening heeft begaan, hij thans op de hoogte had moeten zijn van de wijze waarop hij de door hem af te dragen LB/PV tijdig had kunnen betalen. Hij had derhalve moeten weten dat het niet mogelijk was de onderhavige door hem af te dragen LB/PV vanaf zijn g-rekening over te maken door middel van een acceptgiro met als tegenrekeningnummer 00.00.00.000, zodat met betrekking tot het onderhavige betalingsverzuim naar het oordeel van het gerechtshof geen sprake is van afwezigheid van alle schuld. Het gerechtshof gaat voorbij aan belanghebbendes stelling dat wanneer via a-bank internetbankieren bedragen door middel van een bankgiro worden aangeboden aan het bankrekeningnummer 00.00.00.001, deze transacties telkens worden afgekeurd. Uit de door de belanghebbende bij zijn beroepschrift gevoegde bijlage betreffende een overzicht van aangeboden betalingen valt namelijk niet op te maken dat deze betalingen betrekking hebben op de onderhavige af te dragen LB/PV. Aangaande belanghebbendes verwijzing naar een toelichting van a-bank-Internetbankieren overweegt het gerechtshof dat – daargelaten dat deze toelichting kennelijk eerst van toepassing is op vanaf 11 mei 2003 gegeven betalingsopdrachten – deze toelichting slechts ziet op betalingen via acceptgiro’s via bankgiro en geen betrekking heeft op betalingen vanaf de g-rekening, zodat het gerechtshof deze toelichting in casu niet relevant acht.

4.4. Nu sprake is van een geval als bedoeld in artikel 67c van de AWR en geen sprake is van afwezigheid van alle schuld, heeft de inspecteur naar het oordeel van het gerechtshof terecht aan de belanghebbende een verzuimboete opgelegd. Deze verzuimboete ad € 383,-- acht het gerechtshof, gelet op de ernst van het feit en de omstandigheid dat sprake is van een derde verzuim (zie punt 2.6), passend en geboden.

4.5. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat belanghebbendes beroep geen doel treft.

5. De proceskosten

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 15 april 2005 door prof. mr. E. Aardema, vice-president, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde vice-president in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Hiemstra en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Op 20 april 2005 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.