Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AT4175

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-04-2005
Datum publicatie
19-04-2005
Zaaknummer
WAHV 04-01519
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beschikking opgelegd door medewerker van de Dienst Stadstoezicht van de gemeente. De betrokkene stuurt brief naar de gemeente. Noch wat betreft de inhoud, noch wat betreft de adressering was de brief bestemd om te dienen als administratief beroep tegen de inleidende beschikking. In casu geen doorzendplicht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:15
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 04/01519

6 april 2005

CJIB 58214334

Gerechtshof te Leeuwarden

Beschikking

op het hoger beroep tegen de beschikking

van de kantonrechter van de rechtbank te Amsterdam

van 15 april 2004

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op

27 augustus 2003 uitgevaardigd dwangbevel ongegrond verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel ongegrond verklaard. Daarbij heeft hij overwogen dat de betrokkene niet geacht kan worden beroep te hebben ingesteld tegen de inleidende beschikking, waardoor deze onherroepelijk is geworden. Aangezien de betrokkene evenmin heeft gereageerd op de hem toegezonden aanmaningen is het dwangbevel niet onrechtmatig uitgevaardigd.

3.2. De betrokkene bestrijdt de beslissing van de kantonrechter. Hij voert onder meer aan dat hij noch de inleidende beschikking, noch de eerste en tweede aanmaning heeft ontvangen. Dit zou zijn veroorzaakt door de omstandigheid, dat het CJIB deze stukken naar de [adres] zou hebben gestuurd. De Dienst Stadstoezicht van de gemeente Amsterdam stuurde haar post op 5 maart 2003 al wel naar de [nieuw adres] De eerste post, die hij van het CJIB heeft gekregen was het dwangbevel, dat dan ook was geadresseerd aan de [nieuwe adres] Hij heeft echter reeds op 30 december 2002 een bezwaarschrift naar aanleiding van de aankondiging van een beschikking ingediend bij de Dienst Stadstoezicht, welke Dienst de aankondiging van een beschikking had doen uitgaan. Op advies van de directeur van die Dienst, aldus de betrokkene, heeft hij dit bezwaarschrift begin maart 2003 ook naar het CJIB gezonden. Bij dit bezwaarschrift heeft hij een kopie van de aankondiging van een beschikking, alsmede een foto van de parkeersituatie op 16 december 2002 gevoegd. Hij verkeerde derhalve in de veronderstelling dat dit voldoende was om de gerechtelijke dwaling waarvan zijns inziens sprake is, te doen stoppen. Op zijn bezwaarschrift is echter nooit inhoudelijk gereageerd.

3.3. In geschil is de vraag of het dwangbevel, gelet op de stukken van het geding en met name gelet op hetgeen de betrokkene daarin heeft aangevoerd, terecht is uitgevaardigd.

3.4. Op de aankondiging van een beschikking welke door de Dienst Stadstoezicht op de auto van de betrokkene is achtergelaten staat vermeld dat tegen de op te leggen beschikking beroep kan worden ingesteld bij de officier van justitie. Blijkens het zaakoverzicht van het CJIB is de inleidende beschikking op

6 februari 2003 verzonden. De beroepstermijn eindigde derhalve op 20 maart 2003. Uit het "Commentaar naar aanleiding van verzet tegen dwangbevel" d.d.

26 februari 2004 van het CJIB blijkt dat de inleidende beschikking en twee aanmaningen, respectievelijk d.d. 25 april 2003 en d.d. 18 juni 2003, zijn verzonden naar het adres [adres] 195 H, 1018 PL Amsterdam, het in het kentekenregister opgenomen adres waarop de betrokkene eveneens volgens de gemeentelijke basisadministratie van 14 oktober 1994 tot 17 juli 2003 stond ingeschreven. Van deze poststukken is niets als onbestelbaar retour ontvangen.

3.5. Tot de stukken van het geding behoort het bezwaarschrift dat de betrokkene op 30 december 2002 heeft gericht aan de Dienst Stadstoezicht van de gemeente Amsterdam. De betrokkene heeft daarin als zijn adres opgegeven: [nieuwe woonadres] Blijkens een daarop geplaatst stempel is het bezwaarschrift op 6 januari 2003 ingekomen bij de afdeling Klachten van die Dienst. Bij brief van 5 maart 2003 wordt dit bezwaarschrift aan de betrokkene geretourneerd. In de brief wordt onder meer vermeld: "U dient uw bezwaren aan het Openbaar Ministerie te richten." en: "U kunt de brief wellicht gebruiken voor uw beroep bij het Openbaar Ministerie." Van enig advies om het bezwaarschrift aan het CJIB te zenden blijkt niet.

3.6. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat de officier van justitie een beroepschrift van de betrokkene, dan wel zijn bezwaarschrift d.d. 30 december 2002 heeft ontvangen. Evenmin blijkt uit de stukken dat dit bezwaarschrift door het CJIB is ontvangen. De betrokkene heeft wel gesteld dat hij zijn bezwaarschrift op advies van de directeur van de Dienst Stadstoezicht heeft doorgezonden naar het CJIB, maar hij heeft dit niet door middel van bewijsstukken aannemelijk gemaakt. Naar het hof ambtshalve bekend is, behoort het tot de gebruikelijke werkwijze van het CJIB om ten onrechte bij hem ingediende beroepschriften door te sturen naar de bevoegde instantie, in dit geval de officier van justitie. Nu ook hiervan niets blijkt, houdt het hof het ervoor dat het CJIB het bezwaarschrift d.d. 30 december 2002 niet heeft ontvangen.

3.7. Gelet op hetgeen in 3.4. is overwogen is gehandeld in overeenstemming met het bepaalde in art. 4, tweede lid, WAHV. Dat de betrokkene de inleidende beschikking en de aanmaningen niet heeft ontvangen komt voor zijn rekening en risico, nu hij kennelijk heeft verzuimd te voldoen aan de verplichting - indien juist zou zijn, dat hij vanaf december 2002 niet meer woonde op het adres waarop hij in de gemeentelijke basisadministratie stond ingeschreven - de gemeente tijdig (d.w.z.: binnen vijf dagen erna) van de wijziging van zijn adres op de hoogte te stellen. Dat hij zijn nieuwe adres heeft vermeld in het bij de Dienst Stadstoezicht ingediende bezwaarschrift d.d. 30 december 2002 is in casu niet van belang. Noch wat betreft de inhoud, noch wat betreft de adressering was dat geschrift bestemd om te dienen als administratief beroep tegen de inleidende beschikking. Voorts is niet aannemelijk geworden dat de betrokkene dit bezwaarschrift, zoals hij heeft gesteld, alsnog tijdig heeft ingediend bij het CJIB.

3.8. Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat het dwangbevel terecht is uitgevaardigd. Het hof zal derhalve de beschikking van de kantonrechter bevestigen.

3.9. Aangezien het beroep van de betrokkene ongegrond wordt verklaard is er geen aanleiding tot het toekennen van een kostenvergoeding.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek van de betrokkene om de advocaat-generaal te veroordelen in de proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, als voorzitter, Weenink en Van Wagtendonk, in tegenwoordigheid van mr. Zomer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.