Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AT3884

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
03-03-2005
Datum publicatie
14-04-2005
Zaaknummer
WAHV 04-00977
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Sanctie € 28,-. De officier van justitie heeft ten onrechte geoordeeld dat niet tijdig beroep is ingesteld tegen de inleidende beschiking. De kantonrechter heeft het beroep ten onrechte ongegrond verklaard. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat het appelverbod van art. 14, eerste lid, WAHV zou moeten worden doorbroken. In casu geen sprake van schending van fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging. De betrokkene voert verder aan, dat de onderhavige situatie vergelijkbaar is met de situatie in de arresten van het hof van 2 augustus 2000, VR 2000/182, 1 oktober 2001, VR 2002/70 en 14 november 2001, VR 2002/105, dat de zaak niet inhoudelijk door de kantonrechter is beoordeeld en dat het hoger beroep daarom ontvankelijk is. Aangezien de kantonrechter in casu wel door de kantonrechter is beoordeeld is sprake van een andere situatie dan die ten grondslag heeft gelegen aan de beslissingen in genoemde arresten. Beroep wordt verworpen.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 14
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 04/00977

3 maart 2005

CJIB 19066165138

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te 's-Hertogenbosch

van 22 juni 2004

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [plaatsnaam]

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde]

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Hertogenbosch ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van Euro 28,- opgelegd ter zake van "overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom (gedragsregel) tot en met 10 km per uur", welke gedraging zou zijn verricht op 17 september 2003 op de Genovevalaan in Eindhoven.

3.2. Bij brief van 15 december 2003, ingekomen bij de officier van justitie op 19 december 2003, is namens de betrokkene beroep ingesteld tegen voormelde beschikking. De envelop, waarin het beroepschrift is verzonden, bevindt zich niet bij de gedingstukken. Op 14 januari 2004 heeft de officier van justitie het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het is ingesteld na het verstrijken van de wettelijke termijn van zes weken.

3.3. Namens de betrokkene is tegen de beslissing van de officier van justitie beroep ingesteld. De gemachtigde van de betrokkene is bij brief d.d. 26 april 2004 uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter van 8 juni 2004. Bij brief van

28 mei 2004 heeft de griffier van de rechtbank de gemachtigde van de betrokkene erop gewezen, dat hij tot op heden geen reden heeft opgegeven voor het niet tijdig beroep instellen bij de officier van justitie en dat ter zitting van 8 juni 2004 eerst de vraag van de termijnoverschrijding aan de orde komt. Noch de betrokkene, noch haar gemachtigde is ter zitting van de kantonrechter verschenen. Bij de bestreden beslissing heeft de kantonrechter het beroep ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen, dat de officier van justitie de betrokkene terecht in het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard, aangezien de betrokkene niet tijdig beroep heeft ingesteld en de betrokkene geen redenen heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat zij desondanks ontvankelijk zou zijn in het beroep.

3.4. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 WAHV kan tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan Euro 70,-, of indien de betrokkene niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet of niet tijdig stellen van zekerheid als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV. De aan de betrokkene opgelegde sanctie bedraagt Euro 28,-. Op grond van het bovenstaande dient de betrokkene niet-ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep.

3.5. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat, hoewel de aan haar opgelegde sanctie Euro 28,- bedraagt, het hoger beroep niettemin ontvankelijk dient te worden geacht. Hiertoe wordt - kort samengevat - het volgende aangevoerd. Wanneer de kantonrechter bij vergissing zou hebben aangenomen dat het beroep tegen de inleidende beschikking niet tijdig is ingesteld (of de omstandigheden die het verzuim niet verwijtbaar maken niet of onvoldoende in zijn beschouwingen heeft betrokken), kan zich de situatie voordoen dat het beroep van de betrokkene ten onrechte niet inhoudelijk door een rechter is beoordeeld. Hoewel de WAHV in dit geval niet voorziet in hoger beroep, brengt het in art. 6 EVRM besloten liggende recht op toegang tot de rechter mee dat de betrokkene, in het hoger beroep moet worden ontvangen, aldus de betrokkene. Hierbij is gewezen op uitspraken van het hof van 2 augustus 2000, VR 2000,182, 1 oktober 2001, VR 2002,70 en 14 november 2001, VR 2002,105.

3.6. Het hof is van oordeel dat, wanneer een beroep wordt gedaan op schending van zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling en dit beroep gegrond moet worden geacht, doorbreking van het appelverbod van art. 14, eerste lid , WAHV gewettigd is.

3.7. Onder schending van fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging valt niet de omstandigheid, dat de kantonrechter mogelijk een onjuiste beslissing heeft gegeven. De beoordeling van die beslissing door het hof kan immers slechts plaatsvinden, wanneer de wijze van totstandkoming ervan zodanig gebrekkig is, dat het appelverbod als bedoeld in art. 14, eerste lid, WAHV zou moeten worden doorbroken. Daarvan is echter geen sprake.

3.8. Het hof overweegt, dat de door de betrokkene aangehaalde arresten van 2 augustus 2000, 1 oktober 2001 en 14 november 2001 de uitbreiding van de appelgrond van art. 14, tweede lid, WAHV betreffen en slechts zien op die gevallen waarin de kantonrechter - ten onrechte - niet toekomt aan een beoordeling van de beslissing van de officier van justitie. Aangezien de beslissing van de officier van justitie in casu wel door de kantonrechter is beoordeeld, is sprake van een andere situatie dan die ten grondslag heeft gelegen aan de beslissingen in die arresten.

3.9. Het hof zal derhalve het beroep op doorbreking van het appelverbod verwerpen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Poelman en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.