Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AT2844

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
25-03-2005
Datum publicatie
30-03-2005
Zaaknummer
BK 657/03 Overdrachtsbelasting
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2007:BA6553, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de verkrijging van landerijen door belanghebbende kan delen in de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel q, WBRV, ondanks het feit dat hij deze landerijen direct heeft doorverkocht.

Wetsverwijzingen
Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer 6a
Wet op belastingen van rechtsverkeer 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2005/32.3.14
FutD 2005-0674
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 657/03 25 maart 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z

(: belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur Belastingdienst/Noord/kantoor Leeuwarden (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting met dagtekening 10 september 2002.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bovengenoemde naheffingsaanslag bedraagt € 6.639,-. Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 24 juni 2003 het bezwaar afgewezen.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), dat op 1 augustus 2003 is ingekomen en is aangevuld bij brief van 1 september 2003 (met bijlagen).

De inspecteur heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingezonden. Belanghebbende heeft daarna bij brief van 1 februari 2005 zijn pleitnota (met bijlagen) toegezonden, waarvan afschrift is gezonden aan de inspecteur. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het hof van 10 februari 2005, gehouden te Leeuwarden, waar verschenen zijn mr. A als gemachtigde van belanghebbende en de inspecteur. De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen het volgende vast.

2.1 Op 30 maart 2001 is door belanghebbende bij akte, verleden voor notaris mr. B te L, verkregen een perceel weiland aan de a-weg te M, groot 4.64.50 ha, voor een koopsom van f 197.412,50. Belanghebbende is veehandelaar en tevens handelaar in onroerende zaken.

2.2 In die akte is met betrekking tot de overdrachtsbelasting een verklaring opgenomen die, onder verwijzing naar artikel 15, eerste lid, onderdeel q, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBRV), het arrest van de Hoge Raad van 7 juli 1993, BNB 1993/277, een al dan niet gedeeltelijke doorverkoop en een aankoop in het belang van een verbetering van de landbouwstructuur, kennelijk onbelastbaarheid voor die belasting bepleit. Op deze akte is geen overdrachtsbelasting geheven.

Belanghebbende zou, indien hij het perceel niet zou hebben doorverkocht (zie 2.3) in ieder geval geen recht hebben gehad op genoemde vrijstelling.

2.3 Op dezelfde dag heeft belanghebbende hetzelfde perceel weiland doorverkocht en geleverd aan de heer C te N, zulks voor een koopsom van f 243.862,50. In deze akte is een beroep gedaan op de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel q, WBRV. Ook op die akte is geen overdrachtsbelasting geheven. Partijen zijn het erover eens dat de vrijstelling hier terecht is toegepast. Zij zijn het er ook over eens dat de heer C bij rechtstreekse verkrijging van het perceel eveneens met succes een beroep had kunnen doen op de vrijstelling.

2.4 Ter zake van de verkrijging door belanghebbende is overdrachtsbelasting nageheven omdat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 6a, eerste lid, aanhef en letter b, Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer, met name niet aan het vereiste dat de verkrijger het verkregene bedrijfsmatig moet exploiteren. Daarbij is het eerder genoemde arrest van de Hoge Raad door de inspecteur niet van toepassing geacht.

2.5 Het tegen deze naheffingsaanslag gerichte bezwaarschrift is vervolgens afgewezen.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de verkrijging van landerijen door belanghebbende kan delen in de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel q, WBRV, ondanks het feit dat hij deze landerijen direct heeft doorverkocht.

3.2 Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de inspecteur ontkennend.

3.3 Voorts wordt verwezen naar de gedingstukken voor een meer uitgebreide omschrijving van de standpunten van partijen.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel q, WBRV (voor zover hier van belang) is onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden van de belasting vrijgesteld de verkrijging van landerijen (…), mits de verkrijging in het belang is van een verbetering van de landbouwstructuur (…).

4.2 In het onder 2.2 genoemde arrest oordeelde de Hoge Raad onder 3.3: “In ’s Hofs uitspraak ligt (…) besloten dat belanghebbende voor het Hof heeft aangevoerd dat hij het onderhavige perceel heeft verkregen met de bedoeling om dit tegen een – een economisch verantwoorde exploitatie mogelijk makende – lagere prijs door te verkopen aan zijn (schoon)kinderen ter verbetering van de landbouwstructuur voor wat betreft de onderneming van zijn (schoon)kinderen, en voorts dat die doorverkoop ook heeft geleid tot zodanige verbetering. Het Hof had dit een en ander niet onbesproken mogen laten. Het is immers in overeenstemming met de strekking van de onderhavige vrijstelling haar ook van toepassing te oordelen op een verkrijging als hier is verondersteld omdat anders ondanks de beoogde verbetering van de landbouwstructuur toch overdrachtsbelasting zou worden geheven. In het hier veronderstelde geval geldt de vrijstelling dan indien en voor zover de uiteindelijke verkrijgers bij rechtstreekse verkrijging daarop aanspraak zouden hebben gehad. (…)”

(De onderstreping hierboven is aangebracht door het hof Leeuwarden).

4.3 Artikel 6a, eerste lid, aanhef en letter b, van het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer (: UB) (opgenomen met ingang van 1 januari 2001; voor zover hier van belang) bepaalt dat voor de toepassing van artikel 15, eerste lid, onderdeel q WBRV sprake is van verbetering van de landbouwstructuur indien de verkrijger de verkregen landerijen bedrijfsmatig exploiteert (…) en de verkregen landerijen nog gedurende ten minste een jaar na de verkrijging als zodanig in gebruik zijn.

(De onderstreping hierboven is aangebracht door het hof Leeuwarden).

4.4 Belanghebbende heeft volgens de inspecteur nimmer de bedoeling gehad de landbouwstructuur te verbeteren. Belanghebbende is immers handelaar in onroerende zaken en het maken van winst staat voorop (zie pleitnota inspecteur). Deze zienswijze komt het hof aannemelijk voor. Weliswaar kan het eventueel niet van toepassing zijn van de vrijstelling bij de verkrijging door belanghebbende een factor zijn die zijn winst negatief beïnvloedt, maar zijn winst kent meer bepalende factoren, zoals de aankoopprijs en de doorverkoopprijs van het perceel. Indien bijvoorbeeld de doorverkoopprijs aan een ander dan genoemde C hoger zou zijn, terwijl die koper geen recht op de vrijstelling zou hebben en belanghebbende dan in ieder geval ook niet, zou belanghebbende, naar moet worden aangenomen, berekend hebben welke transactie de meeste winst zou opleveren, maar zou de verbetering van de landbouwstructuur op zichzelf geen doel zijn.

Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit anders is.

4.5 Belanghebbende voldoet derhalve naar het oordeel van het hof niet aan de onderstreepte passages, zoals weergegeven in 4.2.

4.6 Naar het oordeel van het hof kan het onder 4.2, 4.4 en 4.5 overwogene niet tot een ander oordeel leiden dan dat de vrijstelling bij belanghebbende niet van toepassing is.

4.7 Hij voldoet overigens naar de letter ook niet aan de onderstreepte passage zoals weergegeven onder 4.3, maar dit gebrek zou mogelijk nog kunnen worden gepasseerd door op grond van de onder 4.2 vermelde één na laatste zin voor verkrijger “uiteindelijke verkrijger” te lezen.

4.8 Het gelijk is mitsdien aan de zijde van de inspecteur, zodat moet worden beslist als hierna te vermelden.

5. Proceskosten

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 25 maart 2005 door mr. J. Huiskes, raadsheer en voorzitter, mr. F.J.W. Drion en mr. G.M. van der Meer, raadsheren, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Hiemstra en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 30 maart 2005 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.