Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AT1113

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-03-2005
Datum publicatie
18-03-2005
Zaaknummer
Rolnummer 0400039
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Staken aanbestedingsprocedure wgeens gebreken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2005/142
JAAN 2007/0069
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 2 maart 2005

Rolnummer 0400039

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

Welzorg Revalidatie Techniek B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: Welzorg,

procureur: mr J.V. van Ophem,

voor wie gepleit heeft mr M.J.J.M. Essers, advocaat te Amsterdam,

tegen

1. de gemeente Heerenveen,

zetelende te Heerenveen,

2. de gemeente Opsterland,

zetelende te Beetsterzwaag,

in eerste aanleg: gedaagden

hierna gezamenlijk te noemen: de gemeenten,

procureur: mr P.R. van den Elst,

voor wie gepleit heeft mr E.F.A. Dams, advocaat te Groningen.

3. Hulpmiddelen Centrum Friesland B.V., gevoegde partij,

gevestigd te Bergum,

hierna te noemen: HCF,

procureur: mr W.H.C. Bulthuis, welke ook heeft gepleit,

geïntimeerden,

De inhoud van het incidentele arrest d.d. 23 juni 2004 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Na het incidentele arrest van 23 juni 2004 hebben de gemeenten en HCF van antwoord gediend.

Ter zitting van 13 januari 2005 hebben partijen hun zaak mondeling doen toelichten door hun advocaten, waarna partijen de stukken hebben overgelegd voor het wijzen van arrest.

De beoordeling

1. Welzorg heeft geen grieven aangevoerd tegen de door de voorzieningenrechter in r.o. 1.1 tot en met 1.13 van het bestreden vonnis vastgestelde feiten, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

2. Welzorg heeft in hoger beroep haar vordering aangevuld met een voorwaardelijke wijziging van eis. De gemeenten noch HCF hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Ook het hof ziet geen bezwaren, zodat het hof deze voorwaardelijke wijziging van eis bij zijn beoordeling zal betrekken.

3. Het gaat in deze zaak, heel kort samengevat, om het volgende.

3.1. De gemeenten hebben begin 1993 een niet-openbare aanbestedingsprocedure gevolgd - conform de EG-richtlijn Leveringen (Richtlijn 93/36/EEG) - voor het leveren, onderhouden, verlenen van service en depotbeheer van in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten te verstrekken hulpmiddelen (hierna: Wvg-hulpmiddelen).

3.2. Het doel van de aanbesteding is een raamovereenkomst te sluiten met de gemeenten voor een periode van vier jaar met een optie tot verlenging van twee maal één jaar, ingaande 1 januari 2004.

3.3. Op basis van het selectiedocument zijn vijf gegadigden geselecteerd, waaronder Welzorg, en uitgenodigd om in te schrijven. Zij hebben van de gemeenten het bestek ontvangen.

3.4. In het bestek d.d. april 2003 is bepaald dat een keuze wordt gemaakt op basis van de economisch voordeligste aanbieding (1.6). Voorts is met betrekking tot de gunningscriteria onder meer het volgende vermeld:

"Bij de beoordeling wordt gescoord op basis van rangorde. De toekenning van een score op een onderdeel zal, indien niet de maximale score wordt toegekend, gebeuren conform de onderlinge volgorde van presteren. De inschrijver die eindigt op de eerste of gedeelde eerste plaats krijgt 1 punt. De inschrijver die op de tweede plaats eindigt of gedeelde tweede plaats krijgt 2 punten etc. De score wordt vermenigvuldigd met de wegingsfactor en het totaal voor alle gunningscriteria wordt opgeteld. De inschrijver met de laagste score wordt in het gunningsadvies de winnaar genoemd. (...)"

Hierna worden in het bestek de gunningscriteria beschreven, in totaal negen. Voor een aantal gunningscriteria worden een of meerdere subcriteria vermeld. Voorts is vermeld dat voorafgaand aan de inleverdatum van de offertes de beoordelingsmatrix wordt gedeponeerd bij een notariskantoor.

3.5. Op 3 juni 2003 heeft een pre-bid meeting plaatsgevonden, waar op voorafgaand aan de meeting door de gegadigden ingediende vragen, nadere informatie is verstrekt door de gemeenten. Blijkens de van de meeting gemaakte notulen is onder meer het volgende aan de orde gekomen:

"Vraag 3

U noemt hier een aantal subcriteria. Kunt u aangeven hoe deze criteria, die verschillend van zwaarte zijn, ten opzichte van elkaar in het criterium prijs zullen worden gewogen?

Antwoord:

Nee, omdat de wegingsfactoren per criterium en subcriterium niet bekend zullen worden gemaakt. Deze worden voorafgaand aan de beoordeling van de offertes en de voor de datum openingssessie gedeponeerd bij de notaris te Heerenveen. Alle genoemde criteria wegen even zwaar.

Vraag 23

(...) u geeft aan dat u gebruik maakt van verschillende gunningscriteria 2.1 t/m 2.9. Wat zijn de wegingsfactoren van deze verschillende criteria?

Antwoord:

Zie vraag 3.

Vraag 79

(...) is het mogelijk om inzage te geven in de wijze waarop de diverse onderdelen van het bestek onderling gewogen worden?

Antwoord:

Zie vraag 3."

3.6. In een mail van 17 juni 2003 heeft Welzorg het volgende aan de gemeenten bericht:

"Zoals bij ons gebruikelijk is (...) hebben wij het bestek en de notulen van de pre-bid vergadering van 3 juni 2003 voorgelegd aan onze adviseurs. Naar aanleiding hiervan bleven er bij ons nog enkele onduidelijkheden bestaan die van groot belang zijn bij de gunning van deze opdracht. (...) wij het stellen het op prijs om voorafgaande aan de inschrijving een antwoord van u te ontvangen.

In de notulen geeft u als antwoord op vraag 3 aan dat alle genoemde criteria even zwaar zullen wegen. Het is niet volstrekt duidelijk welke criteria bedoeld worden. Zou u dit nader willen toelichten? Mocht het niet de gunningscriteria (...) betreffen, dan verzoeken wij u om aan te geven hoe zwaar deze gunningscriteria ten opzichte van elkaar wegen".

3.7. Per mail hebben de gemeenten het volgende laten weten aan Welzorg:

"Antwoord op vraag 3:

Wij bedoelen hier de gunningscriteria vermeld op pagina 5, 6 en 7 van 28 onder punt 2.1 tot en met 2.9 ofwel:

2.1 kwaliteit van het kernassortiment (zeer belangrijk)

2.2 kwaliteit levering hulpmiddelen (zeer belangrijk)

2.3 kwaliteit van de organisatie (zeer belangrijk)

2.4 levertijd en kernvoorraad (zeer belangrijk)

2.5 service en onderhoud (zeer belangrijk)

2.6 administratie (zeer belangrijk)

2.7 depot en passing (zeer belangrijk)

2.8 boetebeding (zeer belangrijk)

2.9 prijs (zeer belangrijk)

Op basis van de huidige Nederlandse jurisprudentie is het niet verplicht om de kandidaat leverancier op de hoogte te stellen van de hierbij behorende subcriteria met eventuele waarderingscijfers, noch het puntensysteem ter beoordeling van criteria of subcriteria. Volstaan kan worden met het noemen van de gunningscriteria en de beoordeling 'minder belangrijk', 'belangrijk' of 'zeer belangrijk'."

3.8. Op 25 juni 2003 hebben de gemeenten een beoordelingsmatrix voor de aanbesteding gedeponeerd bij notaris mr J.D. Vlessing.

3.9. Op 26 juni 2003 heeft de aanbesteding plaatsgevonden, waarbij door de vijf geselecteerde gegadigden aanbiedingen zijn ingediend.

3.10. Bij brief van 2 september 2993 heeft de gemeente Heerenveen aan Welzorg geïnformeerd over het voorlopige gunningsbesluit en laten weten dat de firma HCF het beste scoort en in aanmerking komt voor de gunning.

3.11. Op verzoek van Welzorg heeft de gemeente haar bij faxbericht van 26 september 2003 een overzicht gegeven van de gunningscriteria en subcriteria, met vermelding van de score ten opzichte van HCF (gelijk, slechter of beter).

In de loop van de onderhavige procedure hebben de gemeenten op herhaald verzoek van Welzorg de inhoud van de gedeponeerde beoordelingsmatrix aan Welzorg bekend gemaakt. Uit deze matrix blijkt dat de negen gunningscriteria een weging hebben variërend van 7,5 tot 10. Wanneer sprake is van sub-criteria, hebben deze ook een verschillende wegingsfactor, variërend van 0,5 (voor bijvoorbeeld het subcriterium 'indexering' binnen het criterium 'prijs') tot 4,5 (voor het subcriterium 'paslocatie 45 minuten' binnen het criterium 'depot en passing').

4. Welzorg heeft zich in de onderhavige procedure op het standpunt gesteld - in essentie weergegeven - dat de gemeenten bij de aanbesteding de voorschriften van de Richtlijn Leveringen hebben geschonden en gehandeld hebben in strijd met algemene beginselen van aanbestedingsrecht. Volgens Welzorg had de opdracht niet aan HCF, maar aan haar moeten worden gegund. In verband hiermee heeft Welzorg verschillende vorderingen ingesteld. De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis alle vorderingen afgewezen.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen richten zich de grieven.

5. De gemeenten hebben betwist dat Welzorg spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen.

Het hof verwerpt dit verweer. Uit de stukken blijkt dat nog geen definitief gunningsbesluit is genomen en dat de opdracht slechts voorlopig is gegund aan HCF. Het spoedeisend belang van Welzorg is derhalve in ieder geval daarin gelegen, dat zij - indien haar stellingen zouden slagen - alsnog de onderhavige opdracht gegund krijgt c.q. kans daarop maakt.

6. Welzorg heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de gemeenten bij de aanbesteding het transparantiebeginsel niet hebben nageleefd, omdat zij (a) vooraf hebben aangegeven dat alle criteria even zwaar wegen, terwijl dit achteraf niet het geval bleek te zijn, en (b) zij niet vooraf de wegingsregels bekend hebben gemaakt voor de wegingscriteria c.q. de subcriteria.

Het hof overweegt hierover het volgende.

7. Artikel 26 van de Richtlijn Leveringen (Richtlijn 93/36/EEG, Pb L 1991) bepaalt het volgende:

"1. De criteria aan de hand waarvan de aanbestedende dienst een opdracht gunt, zijn

a) alleen de laagste prijs,

b) hetzij, indien de gunning aan de inschrijver met de economisch voordeligste aanbieding plaatsvindt, verscheidene criteria die variëren naar gelang van de aard van de opdracht, zoals de prijs, de leveringstermijn, de gebruikskosten, de rentabiliteit, de klantenservice en de technische bijstand.

2. In het in lid 1, onder b), bedoelde geval, vermeldt de aanbestedende dienst in het bestek of in de aankondiging van de opdracht alle gunningscriteria die hij voornemens is te hanteren, zo mogelijk in afnemende volgorde van het belang dat eraan wordt gehecht."

8. Voorop moet worden gesteld dat een aanbesteder, indien hij heeft aangegeven dat de opdracht wordt gegund aan de economisch voordeligste aanbieding (art. 26 lid 1, sub b), kan kiezen welke gunningscriteria hij gaat toepassen, mits deze criteria ertoe strekken de economisch voordeligste aanbieding te bepalen en zij de aanbesteder geen onvoorwaardelijke keuzevrijheid verlenen bij de gunning.

Voorts moeten bij de toepassing van de gunningscriteria de procedurevoorschriften en de uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende fundamentele beginselen in acht worden genomen. Hieruit volgt dat de aanbesteder met inachtneming van de voorschriften van gemeenschapsrecht niet alleen de gunningscriteria van de opdracht kan kiezen, maar ook de weging daartussen kan vaststellen, op voorwaarde dat het mogelijk is de gehanteerde criteria op synthetische wijze te beoordelen ter bepaling van de economisch voordeligste aanbieding.

Verder geldt, voortvloeiend uit het transparantiebeginsel, dat de gunningscriteria in het bestek of in de aankondiging van de opdracht zodanig moeten zijn geformuleerd, dat alle redelijke geïnformeerde en normaal zorgvuldige inschrijvers in staat zijn deze criteria op dezelfde wijze te interpreteren. (HvJEG 18 oktober 2001, SIAC Construction, C-19/00, r.ov. 41-42; HvJEG 4 december 2003 Wienstrom GmbH, C-448/01, r.ov. 37-39).

9. In verband met de laatst genoemde voorwaarde constateert het hof dat de gemeenten voorafgaand aan de inschrijving tegenstrijdige informatie hebben verschaft aan de gegadigden. Immers, enerzijds is in het bestek melding gemaakt van een wegingsfactor. Zulks is ook af te leiden uit de notulen van de pre-bid meeting bij het antwoord op vraag 3, waar melding wordt gemaakt van een wegingsfactor per criterium en per subcriterium. Anderzijds is bij het bedoelde antwoord óók vermeld: 'alle criteria wegen even zwaar'. Dit laatste is - naar aanleiding van vragen van Welzorg over de onduidelijkheid van het antwoord op vraag 3 - herhaald in het mailbericht van de gemeenten van 18 juni 2003, waarin bij alle gunningscriteria is vermeld dat zij 'zeer belangrijk' zijn, waaruit volgt dat zij even zwaar worden gewogen.

Op grond hiervan is het hof van oordeel dat Welzorg c.q een redelijk geïnformeerde en normaal zorgvuldige inschrijver, er in deze omstandigheden vanuit mocht gaan dat alle gunningscriteria even zwaar zouden worden gewogen. Dat Welzorg, zoals de gemeenten hebben gesteld, uit hoofde van andere aanbestedingsprocedures bekend was met vergelijkbare bestekken, is dan ook niet relevant.

10. Uiteindelijk is echter gebleken, zoals volgt uit het vermelde bij r.o. 3.11, dat de gunningscriteria níet even zwaar zijn gewogen. Weliswaar is van de zijde van de gemeenten aangevoerd dat de gunningscriteria wél even zwaar zijn gewogen, hetgeen door hen is toegelicht onder verwijzing naar de in de beoordelingsmatrix opgenomen vermelding "100%" achter elk gunningscriterium. Naar 's hofs oordeel is dit echter een onhoudbare stelling, nu uit de bedoelde matrix - waarvan in confesso is dat hij door de gemeenten is gehanteerd bij de puntentelling - niet anders is af te leiden dan dat in de totale score de verschillende gunningscriteria voor een verschillende wegingsfactor zijn meegenomen, waarbij de vermelding '100%' slechts inhoudt dat het totaal van de weging van de subcriteria binnen één gunningscriterium telkens uitkomt op 100%.

11. Het hof is voorshands van oordeel dat de gemeenten aldus in strijd hebben gehandeld met de in het gemeenschapsrecht ontwikkelde criteria voor en beginselen van aanbestedingsrecht, nu, voor Welzorg c.q. een redelijk geïnformeerde en normaal zorgvuldige inschrijver voorafgaand aan de inschrijving niet inzichtelijk was dat de verschillende gunningscriteria niet even zwaar zouden worden gewogen.

Hierbij merkt het hof nog op dat in dit licht verder niet relevant is of het gemeenschapsrecht toelaat dat bij het toekennen van wegingsfactoren de aanbesteder binnen een zekere bandbreedte beoordelingsvrijheid heeft; uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit immers voort dat voor Welzorg voorafgaand aan de inschrijving niet inzichtelijk was dat de gemeenten zich zo'n bandbreedte voorbehielden.

12. Naar het oordeel van het hof is uit de door de gemeenten verstrekte informatie níet af te leiden dat de subcriteria even zwaar zouden wegen. Gelet op de eerste volzin van het antwoord op vraag 3 is het hof voorshands van oordeel dat Welzorg c.q. een redelijke geïnformeerde en normaal zorgvuldige inschrijver daaruit redelijkerwijs kon afleiden dat per subcriterium een wegingsfactor gold. Voor wat betreft het vervolg van het antwoord op vraag 3 tijdens de pre-bid meeting en de e-mail van 18 juni 2003, geldt dat de daar genoemde gelijke weging slechts betrekking heeft op de criteria.

Waar Welzorg zich op het standpunt stelt dat zij er vanuit mocht gaan dat ook alle subcriteria even zwaar wogen, onderschrijft het hof dat derhalve niet.

13. Aan de orde is vervolgens of de gemeenten voorafgaand aan de inschrijving de wegingsfactoren van de subcriteria bekend hadden moeten maken. Duidelijkheidshalve overweegt het hof hierbij dat uit het voorgaande volgt dat de wegingsfactor van de criteria vooraf wel bekend zijn gemaakt (allen "zeer belangrijk") doch dat is gebleken dat de gemeenten de uiteindelijke scores niet hebben vastgesteld op basis van een gelijke weging maar overeenkomstig de weging als neergelegd in de matrix.

14. Bij de beantwoording van deze vraag is van belang het arrest van het HvJEG 12 december 2002, Universale-Bau, C-470/99, r.o. 97, waaruit het hof afleidt dat wanneer een aanbesteder vooraf een rangorde maakt naar volgorde van belang van de gunningscriteria die hij voornemens is te hanteren, hij ook de rangorde die hij heeft gekozen aan de inschrijvers moet meedelen. Naar het voorlopig oordeel van het hof moet uit deze jurisprudentie voor de onderhavige zaak worden afgeleid dat de gemeenten in ieder geval voorafgaand aan de inschrijving de rangorde bekend hadden moeten maken van het gewicht dat aan de verschillende subcriteria van een criterium zou worden toegekend. Het hof heeft bij deze uitleg mede acht geslagen op het arrest HvJEG 29 april 2004, CAS Succhi di Frutta SpA, C-496/99, r.o. 111, waarin is overwogen dat alle voorwaarden en modaliteiten van de gunningsprocedure in het aanbestedingsbericht of in het bestek worden geformuleerd op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze opdat, enerzijds, alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde manier interpreteren, en, anderzijds, de aanbestedende dienst in staat is om metterdaad na te gaan of de offertes van de inschrijvers beantwoorden aan de criteria welke op de betrokken opdracht van toepassing zijn.

Door geen enkel inzicht te bieden in de weging per subcriterium, in de vorm van een rangorde of van (een marge ten aanzien van) de wegingsfactoren, was voor Welzorg c.q. een redelijk geïnformeerde en normaal zorgvuldige inschrijver onvoldoende duidelijk met welke bijzonderheden zij bij haar inschrijving rekening moest houden. De gemeenten hebben de subcriteria niet in volgorde van belangrijkheid opgenomen. Zo kon Welzorg bijvoorbeeld niet bevroeden dat ten aanzien van het criterium 'prijs', een goede score op het subcriterium 'kosten dienstverlening' acht maal zo veel gewicht in de schaal zou leggen dan een goede score op het subcriterium 'terugkoopregeling'. In dit opzicht voldeed de aanbesteding niet aan het beginsel van transparantie.

15. Het hof overweegt hierbij nog dat naar zijn voorlopig oordeel niet van doorslaggevend belang is, zoals door de voorzieningenrechter is aangenomen, dat de deponering van de beoordelingsmatrix bij de notaris plaatsvond ná de opstelling van het bestek en de pre-bid meeting. Uit de rechtspraak van het HvJEG is niet af te leiden dat in deze situatie de afwegingsregels níet voorafgaand aan de inschrijving aan de inschrijvers bekend hoefden te worden gemaakt.

16. Het hof komt derhalve tot de conclusie dat ook in dit opzicht de aanbestedingsprocedure gebrekkig is geweest.

In zoverre slagen de grieven 1 tot en met 5, de grieven 7 tot en met 9 en, voorzover relevant, de grieven 11, 12 en 13.

17. Welzorg heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien het hof tot het voorlopig oordeel komt dat er gebreken kleven aan de aanbestedingsprocedure, de gemeenten (dan wel het hof) de aanbiedingen opnieuw moeten beoordelen, thans aan de hand van een gelijke weging van - zoals Welzorg ter zitting heeft bevestigd - zowel elk gunningscriterium als, daarbinnen, van elk subcriterium.

De gemeenten hebben bij pleidooi nog een weging overgelegd waarbij alle criteria, ongeacht of het oorspronkelijk hoofd- of subcriteria waren, even zwaar meewogen. Het hof acht dit echter ontoelaatbaar, aangezien dit erop neerkomt dat dat het criterium 'service onderhoud', met vijf subcriteria, vijf maal zo zwaar zou wegen als het criterium 'kwaliteit kernassortiment', dat niet in subcriteria was onderverdeeld, hetgeen evenzeer in strijd is met de tevoren aan de inschrijvers meegedeelde informatie.

Ook de door Welzorg voorgestane herbeoordeling komt neer op een wijziging van hetgeen tevoren aan de inschrijvers was meegedeeld, namelijk dat de subcriteria verschillend zouden worden gewogen. Een alsnog gelijke weging van alle subcriteria binnen één gunningscriterium komt evenzeer neer op een wijziging van de gunningscriteria tijdens de aanbestedingsprocedure, hetgeen niet toelaatbaar is (zie het hiervoor onder r.o. 8 aangehaalde arrest Wienstrom).

Daarmee faalt grief 6.

18. Uit hetgeen in de vorige rechtsoverweging is overwogen, vloeit voort dat noch hetgeen Welzorg primair heeft gevorderd, noch hetgeen zij subsidiair, meer subsidiair en nog meer subsidiair heeft gevorderd, toewijsbaar is. Al deze vorderingen berusten immers op de aanname dat het hof zelf kan vaststellen aan de hand van welke wegingsfactor per (sub)criterium de offertes beoordeeld moeten worden, en aldus zelf (dan wel door inschakeling van een derde) tot een herbeoordeling kan komen. Zulks is echter niet het geval. Nu de gemeenten gehandeld hebben in strijd met het transparantiebeginsel, dient in beginsel een nieuwe aanbestedingsprocedure plaats te vinden, zij het dat het aan elk der betrokken gemeenten is te beslissen of zij daartoe over zal gaan.

Wel toewijsbaar is de uiterst subsidiaire vordering van Welzorg, in zoverre dat de gemeenten zal worden geboden de lopende aanbestedingsprocedure binnen de door het hof te stellen termijn van vier weken na de uitspraak van het hof te staken. Eveneens toewijsbaar is de zelfstandige nevenvordering van Welzorg (punt 34 MvG) dat de gemeenten zal worden verboden om medewerking te verlenen aan de verdere uitvoering van de onderhavige aanbestedingsprocedure, in die zin dat het de gemeenten niet is toegestaan op basis van de onderhavige aanbestedingsprocedure de opdracht definitief aan HCF te gunnen.

Het door Welzorg gevorderde gebod aan de gemeenten om de opdracht opnieuw aan te besteden, zal het hof niet toewijzen, omdat - zoals door de gemeenten, door Welzorg onvoldoende weersproken, is aangevoerd - niet vaststaat dat de gemeenten verplicht zijn een nieuwe aanbestedingsprocedure te volgen.

19. Voorts heeft Welzorg als "zelfstandige nevenvordering" - overigens uitsluitend "naast de primaire vordering" die, zoals is overwogen, niet kan worden toegewezen - gevorderd dat de gemeenten zal worden geboden de afwijzing van de aanbieding van Welzorg nader te motiveren.

Nu de uiterst subsidiaire vordering van Welzorg tot het staken van de huidige aanbestedingsprocedure zal worden toegewezen, is het het hof niet duidelijk geworden welk rechtens te respecteren belang Welzorg nog heeft bij toewijzing van die zelfstandige nevenvordering, zeker nu de gemeenten ter zitting in hoger beroep alsnog de door Welzorg gewenste ingevulde scorematrix hebben ontvangen. Bij gebreke aan een toereikende toelichting van Welzorg op dit punt zal het hof die vordering dan ook afwijzen.

Dit leidt ertoe dat het hof de stellingen van Welzorg, dat de gemeenten (ook) in strijd hebben gehandeld met het motiveringsbeginsel onbesproken zal laten.

20. Nu aldus de verschillende vorderingen van Welzorg uitputtend zijn besproken, is het hof van oordeel dat zij geen belang meer heeft bij een verdere bespreking van haar overige bezwaren tegen de aanbestedingsprocedure, in het bijzonder van haar bezwaren tegen enkele van de gehanteerde gunningscriteria.

De grieven 14 tot en met 17 zal het hof dan ook verder onbesproken laten. Het mogelijk slagen van deze grieven heeft immers geen gevolgen voor het dictum.

De slotgrief 18 heeft geen zelfstandige betekenis.

Slotsom

21. Het vonnis van de voorzieningenrechter zal worden vernietigd. De vorderingen van Welzorg zullen worden toegewezen als hierna in het dictum te bepalen.

De gemeenten zullen als in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure, zowel in eerste aanleg (kort geding tarief) als in hoger beroep (tarief II, 3 punten). HCF dient de eigen kosten te dragen, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

Beslist wordt als volgt

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden van 23 juni 2004;

en opnieuw rechtdoende:

gebiedt de gemeenten om de lopende aanbestedingsprocedure binnen een termijn van vier weken na de uitspraak van het hof te staken;

verbiedt de gemeenten om medewerking te verlenen aan de verdere uitvoering van de onderhavige aanbestedingsprocedure, in die zin dat het de gemeenten niet is toegestaan op basis van de onderhavige aanbestedingsprocedure de opdracht definitief aan HCF te gunnen;

veroordeelt de gemeenten in de kosten van de procedure en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van Welzorg op:

in eerste aanleg: Euro 273,20 aan verschotten en Euro 705,-- voor salaris van de procureur;

in hoger beroep: Euro 313,20 aan verschotten en Euro 2.682,-- voor salaris van de procureur;

bepaalt dat HCF de eigen kosten van de procedure draagt;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs De Bock, voorzitter, Kuiper en Wissink, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 2 maart 2005.