Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AT0666

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-03-2005
Datum publicatie
16-03-2005
Zaaknummer
BK 486/03 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil betreft de vraag of de inspecteur op grond van de door hem aangebrachte correcties de navorderingsaanslagen terecht heeft opgelegd en of over 2001 terecht een boete werd opgelegd, welke vragen belanghebbende ontkennend en de inspecteur bevestigend beantwoordt.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.8
Wet inkomstenbelasting 2001 3.20
Wet inkomstenbelasting 2001 3.45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2005/32.3.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 486/03 7 maart 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z

(hierna: belanghebbende) tegen de uitspraken van de voorzitter van het managementteam van de belastingdienst Noord/kantoor Heerenveen (hierna: de inspecteur), gedaan op de bezwaarschriften van belanghebbende tegen de hem opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PV) alsmede premie Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: WAZ) voor de jaren 2000 en 2001.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 18 december 2002 voor het jaar 2000 op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) en de WAZ en met dagtekening 24 december 2002 voor het jaar 2001 op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) en de WAZ navorderingsaanslagen IB/PV en premie WAZ opgelegd.

De navorderingsaanslagen IB/PV en premie WAZ 2000 bedragen respectievelijk f 7.285 en f 198 aan enkelvoudige belasting verhoogd met respectievelijk f 550 en f 14 wegens heffingsrente.

De navorderingsaanslagen IB/PV en premie WAZ 2001 bedragen respectievelijk € 1.775,- en € 1.371,- aan enkelvoudige belasting verhoogd met respectievelijk € 57,- en € 44,- wegens heffingsrente.

Op de tijdig ingediende bezwaarschriften van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraken van 29 april 2003 de navorderingsaanslagen gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraken in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 6 juni 2003 is ingekomen. Bij een op 23 juli 2003 ingekomen brief (met bijlagen) is het beroepschrift aangevuld.

Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter

zitting van 13 december 2004, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende mr. drs. A, zomede de inspecteur.

Ter voormelde zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende nog een pleitnota overgelegd en voorgedragen, waarop door de inspecteur mondeling is gereageerd.

Na de zitting heeft belanghebbende op verzoek van het hof alsnog kopieën van de hem opgelegde navorderingsaanslagen ingezonden.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

2.1.Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen het volgende vast.

2.2. Belanghebbende, geboren op .. december 197.. is in 2000 en 2001 ongehuwd. Hij woont gedurende die jaren samen met zijn partner, mevrouw B. Er is niet gekozen voor fiscaal partnerschap.

Belanghebbende oefent vanaf juni 2000 een montagebedrijf uit in de vorm van een eenmanszaak. In 2000 verricht belanghebbende tevens werkzaamheden in dienstbetrekking bij een transportbedrijf tegen een salaris van f 28.904,- bruto.

Belanghebbende past voor de jaarwinstberekening het factuurstelsel toe.

2.3. Op grond van een op 25 september 2002 ingesteld boekenonderzoek heeft de inspecteur de in het geding zijnde navorderingsaanslagen opgelegd, waarbij de navorderingsaanslagen premie WAZ voortvloeien uit de correcties in de inkomstenbelasting.

De navorderingsaanslagen berusten op de volgende tijdens het boekenonderzoek gedane constateringen:

Met betrekking tot 2000:

1. meer omzet f 1.996,-

2. privé-deel accountantskosten f 250,-

3. ten onrechte zelfstandigenaftrek geclaimd f 16.950,-

Met betrekking tot 2001:

1. meer omzet f 10.454,-

2. geen investeringsaftrek personenauto f 15.267,-

3. lagere afschrijving auto f 254,-

4. privé-gebruik auto f 14.008,-

5. privé-gebruik telefoon f 200,-

6. privé-deel accountantskosten f 250,-

7. niet aftrekbare verkeersboetes f 470,-

8. geen meewerk aftrek f 476,-

9. correctie buitengewone uitgaven

voortvloeiend uit bovenstaande correcties f 2.470,-

De correctie met betrekking tot het jaar 2000 onder 3 en de correcties met betrekking tot het jaar 2001 onder 3,7 en 8 worden in het beroepschrift niet bestreden.

2.4. Van 1 januari 2000 tot en met 8 augustus 2001 behoort tot het ondernemingsvermogen van belanghebbende een Peugeot 405, kenteken YY-YY-00, met een catalogusprijs van f 50.949,- en vanaf

9 augustus 2001 tot en met 31 december 2001 een Audi A4, kenteken 00-YY-YY, met een catalogusprijs van f 66.000,-.

Beide auto’s zijn personenauto’s als bedoeld in artikel 3 van de Wet op belastingen van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: BPM).

De auto’s worden niet gebruikt voor beroepsvervoer over de weg.

Over 2000 werd in de aangifte IB/PV en WAZ rekening gehouden met het privé-gebruik van een personenauto, over 2001 niet.

Belanghebbende heeft over 2001 geen kilometeradministratie bijgehouden.

Het door de inspecteur berekende bedrag van de bijtelling wegens privé-gebruik wordt niet bestreden. Slechts het feit dat rekening gehouden is met het privé-gebruik staat ter discussie.

2.5. In 2000 werd een bedrag van f 1.015,- en in 2001 van f 1.725,- als accountantskosten in de jaarrekening verantwoord.

De accountants (in 2000 Administratiekantoor C en in 2001 D), die over de betreffende jaren de jaarrekeningen hebben opgesteld, hebben tevens belanghebbendes belastbaar inkomen berekend, de gegevens voor de aangifte inkomstenbelasting samengesteld alsmede het aangiftebiljet ingevuld. Voor laatstgenoemde werkzaamheden werd geen privé-onttrekking in aanmerking genomen.

2.6. Alle aan belanghebbende over 2001 in rekening gebrachte telefoonkosten zijn in dat jaar ten laste van de winst gebracht.

2.7. Blijkens de door de inspecteur onder bijlage 4 bij het verweerschrift overgelegde resultatennota’s en de na de zitting door belanghebbende ingezonden kopieën van de navorderingsaanslagen is geen boete opgelegd met betrekking tot de navorderingsaanslagen IB/PV en premie WAZ 2000 en 2001.

3. Het geschil , de standpunten en conclusies van partijen.

3.1. Het geschil betreft de vraag of de inspecteur op grond van de door hem aangebrachte correcties de navorderingsaanslagen terecht heeft opgelegd en of over 2001 terecht een boete werd opgelegd, welke vragen belanghebbende ontkennend en de inspecteur bevestigend beantwoordt.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen in de van hun afkomstige stukken zijn aangevoerd. Zij hebben daaraan ter zitting geen argumenten toegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de inspecteur.

De inspecteur concludeert tot ongegrond verklaring van het beroep.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1.De omzetcorrectie 2000 ten bedrage van f 1.996,- stoelt op de tijdens het boekenonderzoek door de inspecteur gedane en door belanghebbende niet bestreden constatering dat de over 2000 gefactureerde omzet f 59.211,65 bedraagt terwijl in de jaarrekening een bedrag ad f 57.215,65 aan ontvangsten is geboekt.

Tegen de correctie voert belanghebbende geen inhoudelijk verweer. Nu niet in geschil is dat door belanghebbende het factuurstelsel wordt toegepast is het gelijk aan de zijde van de inspecteur.

4.2. Belanghebbende geeft in de aangifte 2001 als winst uit onderneming aan een bedrag ad € 2.701,- na aftrek van € 6.928,- wegens investeringsaftrek, € 7.858,- wegens zelfstandigen- en starteraftrek en € 216,- wegens meewerkaftrek, zodat belanghebbende kennelijk is uitgegaan van een nettowinst ten bedrage van € 17.703,- ( f 39.012,-).

Blijkens de onder bijlage 2 bij het verweerschrift opgenomen door belanghebbende bij de aangifte overgelegde kolommenbalans over het jaar 2001 bedraagt de nettowinst f 45.184,33, na aftrek van een bedrag van f. 4.280,58 wegens dotatie aan de FOR.

Blijkens dezelfde kolommenbalans is het ondernemersvermogen - naar de inspecteur onweersproken heeft gesteld - per 31-12-2001 negatief, zodat op grond van artikel 3.68, lid 2, Wet IB 2001 toevoeging aan de FOR niet mogelijk is. Dientengevolge dient het in genoemde kolommenbalans vermelde bedrag aan nettowinst van f 45.184,33 nog verhoogd te worden met het in aftrek gebrachte bedrag van de dotatie aan de FOR ad f 4.280,58 tot een bedrag van

f 49.464,91, afgerond f 49.465,-.

Op grond van het bovenstaande concludeert het hof, nu belanghebbende de berekening van de inspecteur, die gebaseerd is op door de belanghebbende zelf aangedragen cijfers, niet bestrijdt en overigens ook op geen enkele wijze aannemelijk maakt dat de conclusie van de inspecteur onjuist is, dat de bijtelling meer omzet 2001 – waarvan de hoogte door belanghebbende niet bestreden wordt - terecht door de inspecteur is aangebracht.

4.3. Ingevolge artikel 3.20, leden 1 en 5, Wet IB 2001 wordt, indien aan de belastingplichtige ook voor privé-doeleinden een personenauto als bedoeld in artikel 3 van de Wet BPM ter beschikking staat, op jaarbasis ten minste 25% van de waarde van de auto, zijnde de catalogusprijs als beschreven in artikel 3.20, lid 6, als onttrekking in aanmerking genomen. De auto wordt in ieder geval geacht ook voor privé-doeleinden ter beschikking te staan, tenzij blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt.

Vast staat dat gedurende het gehele jaar 2001 een personenauto als bedoeld in artikel 3 van de Wet BPM behoord heeft tot belanghebbendes ondernemingsvermogen. Tevens staat vast dat belanghebbende geen kilometeradministratie heeft bijgehouden, zodat daaruit niet is gebleken dat de betreffende auto’s op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden zijn gebruikt. Ook overigens is dit niet gebleken.

Op grond van bovenstaande feiten constateert het hof dat aan belanghebbende gedurende het gehele jaar 2001 een personenauto in de zin van artikel 3.20, lid 1, Wet IB 2001 ter beschikking heeft gestaan, tengevolge waarvan ten minste 25% van de waarde van de auto als onttrekking in aanmerking dient te worden genomen..

Het bovenoverwogene kan, nu het bedrag van de bijtelling op zich niet wordt bestreden, tot geen andere conclusie leiden dan dat het gelijk aan de zijde van de inspecteur is. Met betrekking tot het gelijkheidsbeginsel is van gelijke gevallen van enerzijds een DGA van een BV en/of een werknemer en anderzijds de directeur/eigenaar van een eenmanszaak, het hof niet gebleken.

4.4. Vast staat dat belanghebbende in 2000 en 2001 respectievelijk

f 1.015,- en f 1.725,- als accountantskosten in de jaarrekening heeft verantwoord zonder rekening te houden met een privé-deel. Tevens staat vast, dat de betreffende accountants in die jaren voor belanghebbende mede diens belastbare inkomens berekend en de aangiftes verzorgd hebben. De laatst genoemde werkzaamheden kunnen, voor zover deze geen verband houden met de berekening van belanghebbendes winst, naar hun aard geen kosten voor de onderneming opleveren.

De inspecteur heeft het met vorenbedoelde kosten overeenkomende bedrag geschat op f 250,- per jaar, terwijl belanghebbende, zoals door de gemachtigde ter zitting aangegeven, dit bedrag hooguit op f 25,- stelt.

Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur, mede gelet op de totale accountantskosten en de werkzaamheden van de accountant met betrekking tot het verzorgen van de aangifte inkomstenbelasting, het deel van de totale kosten dat naar zijn aard geen kosten voor de onderneming kan vormen voor de jaren 2000 en 2001 in redelijkheid en billijkheid niet op een te hoog bedrag vastgesteld, zodat het gelijk aan de zijde van de inspecteur is.

4.5. Vast staat dat belanghebbende in 2001 alle hem in rekening gebrachte telefoonkosten ten laste van zijn bedrijf heeft gebracht. Ingevolge artikel 3.16, lid 2, letter a, Wet IB 2001 komen bij het bepalen van de winst niet in aftrek kosten en lasten ten behoeve van de belastingplichtige zelf die verband houden met telefoonabonnementen met betrekking tot telefoonaansluitingen in zijn woonruimte.

De inspecteur heeft een met vorenbedoelde kosten en lasten overeenkomend bedrag voor het jaar 2001 geschat op f 200,-.

Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur daarmee, gelet op het bedrag van de totale telefoonkosten van f. 3.985,25 alsmede op belanghebbendes gezins- en financiële omstandigheden, gelijk deze blijken uit de vaststaande feiten en omstandigheden, de bijtelling voor privé-gebruik telefoon, in redelijkheid en billijkheid niet op een te hoog bedrag vastgesteld, zodat het gelijk aan de zijde van de inspecteur is.

4.6. Ingevolge artikel 3.45, lid 1, letter e, Wet IB 2001 behoren voor de investeringsaftrek niet tot de bedrijsmiddelen personenauto’s als bedoeld in artikel 3 van de Wet BPM, die niet zijn bestemd voor beroepsvervoer over de weg.

Nu vast staat dat de in 2001 aangeschafte Audi A4 een personenauto in de zin van bovengenoemde bepaling is, heeft de inspecteur terecht investeringsaftrek ter zake van deze auto voor dat jaar geweigerd.

Het standpunt van belanghebbende vindt geen steun in de wet. Het gelijk is aan de zijde van de inspecteur.

4.7. Uit bovengenoemde overwegingen volgt dat alle door de inspecteur aangebrachte correcties in stand blijven, zodat de uit artikel 6.24, lid 1, van de Wet IB 2001 voortvloeiende correctie wegens buitengewone uitgaven juist is.

4.8. Nu vast staat dat noch in de door de inspecteur overgelegde resultatennota’s, noch in de na de zitting door belanghebbende ingezonden kopieën van de navorderingsaanslagen 2001 een boete is opgenomen, behoeft de grief ter zake daarvan geen nadere behandeling door het hof.

4.9. Het bovenoverwogene brengt mee dat het hof het beroep ongegrond zal verklaren.

5. De proceskosten.

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing.

Het hof

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 7 maart 2005 door mr. G.M. van der Meer, voorzitter, mr. J.Huiskes, raadsheer, en mr. H. Bakker, raadsheer- plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. de Jong- Braaksma en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 16 maart 2005 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.