Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AS9313

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
04-03-2005
Datum publicatie
09-03-2005
Zaaknummer
BK 588/04 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag welk deel van de betaalde rente en kosten kan worden aangemerkt als aftrekbare kosten eigen woning in de zin van artikel 3.120 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.120
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2005/32.3.4
FutD 2005-0582
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK-04/00588 4 maart 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwar-den, eerste enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van

X te Z (: belanghebbende)

tegen de uitspraak van

de inspecteur Belastingdienst/Noord/kantoor Leeuwarden (: de inspec-teur),

gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aan-slag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001.

1. Het procesverloop

1.1. Aan de belanghebbende is met dagtekening 23 mei 2003 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2001 opgelegd.

1.2. Op het tijdig ingediende bezwaar heeft de inspecteur, bij uitspraak van 8 juni 2004 het bezwaar van belanghebbende afgewezen.

1.3. De belanghebbende is tegen deze uitspraak bij een bij het hof op 9 juli 2004 binnengekomen beroepschrift (met bijlagen) in beroep gekomen.

1.4. Van de inspecteur is op 24 augustus 2004 een verweerschrift met bijlagen ontvangen.

1.5. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 december 2004, gehouden te Leeuwarden, alwaar zijn verschenen de belanghebbende alsmede de inspecteur.

1.6. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

De belanghebbende heeft in 1999 zijn hypotheekschuld verhoogd met ƒ 36.000,-- tot ƒ 155.008,-- ter financiering van een boot en voor aflossing op een doorlopend krediet, zodat de eigen woning schuld daarna is te stellen op ƒ 119.008,--.

Dit bedrag kan worden verhoogd tot ƒ 149.308,-- met een bedrag van ƒ 30.300,--, hetwelk werd geleend ter financiering van onderhoud dan wel verbetering van de woning, terwijl door belanghebbende in 2001 mede een bedrag aan onderhoud en/of verbetering werd uitgegeven van ƒ 30.058,--, dat mede uit nader te noemen nieuwe hypothecaire lening werd gefinancierd, waarna de eigen woning schuld is te stellen op ƒ 179.366,--. Vaststaat dat een post voor onderhoud en verbetering ad ƒ 18.769,54 uit eigen middelen werd gefinancierd. Voorts staat vast, dat van de schuld in 2001 ƒ 4.051,-- is afgelost. Mede staat vast dat belanghebbende op 3 december 2001 voormelde schulden heeft geherfinancierd door een schuld van ƒ 290.000,-- bij de a-bank aan te gaan.

3. Het geschil.

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag welk deel van de betaalde rente en kosten kan worden aangemerkt als aftrekbare kosten eigen woning in de zin van artikel 3.120 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

3.2. Voor een uitvoerige uiteenzetting van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken. Daaraan zijn ter zitting geen nieuwe gronden toegevoegd.

4. De overwegingen

4.1. De inspecteur heeft de aftrekbare rente van schulden en kosten van geldlening afgetrokken door voormelde bedragen van

ƒ 149.308,-- en later ƒ 179.366,-- te behandelen als onderdeel respectievelijk van ƒ 185.308,-- en ƒ 181.257,-- en later

ƒ 290.000,--, zulks op de wijze als in het verweerschrift omschreven.

4.2. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur het aldus naar rato te bepalen bedrag van de rente en de kosten juist berekend, met uitzondering van het aandeel van de eigen woning schuld in de kosten van het aangaan van de lening van ƒ 290.000,--. Nu uiteindelijk ook de voormelde kosten van ƒ 30.058,-- uit deze lening zijn gefinancierd dient dat aandeel te worden bepaald op

ƒ 179.366,--/ƒ 290.000,-- maal ƒ 5.743 ofwel op ƒ 3.552,--, hetgeen ƒ 595,-- (€ 270,--) meer is dan het door de inspecteur in aanmerking genomen bedrag van ƒ 2.957,--.

4.3. Het beroep is derhalve ten dele gegrond in verband waarmee het belastbaar inkomen uit werk en woning moet worden bepaald op

€ 37.848,-- minus € 270,-- ofwel op € 37.578,--

5. De proceskosten.

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, nu niet is gebleken dat belanghebbende deze kosten heeft gemaakt.

6. De beslissing.

Het hof:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.578,--;

verstaat dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 37,-- aan hem vergoedt;

wijst de staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten heeft te dragen.

Gedaan door prof. mr Aardema, vice-president als voorzitter, in tegenwoordigheid van de heer Haarsma als griffier en in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden op 4 maart 2005 door de voorzitter, en ondertekend door voornoemde voorzitter, zijnde voornoemde griffier buiten staat te ondertekenen.

Afschrift aangetekend aan beide partijen

verzonden op 9 maart 2005