Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AS8925

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
27-01-2005
Datum publicatie
08-03-2005
Zaaknummer
WAHV 04-01051
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Remvertraging bromfiets; Overtreding van art. 5.6.38 Voertuigreglement; Onder bedrijfsrem moet (mede) worden verstaan het samenstel van voor- en achterrem van een bromfiets, die gezamenlijk aan de vereiste remvertraging moet voldoen. Hewel de vaststelling of de bedrijfsrem van een bromfiets voldoet aan de vereiste remvertraging in het algemeen zal berusten op het resultaat van apparatuur waarmee de remvertraging wordt gemeten, is niet uitgesloten, dat ook zonder gebruik te maken van een voorgeschreven meetmiddel kan worden vastgesteld, dat een bromfiets niet aan de vereiste remvertraging voldoet. Overtreding van art. 5.6.38, tweede lid, VR geen Muldergedraging.

Wetsverwijzingen
Voertuigreglement 5.6.38, geldigheid: 2005-01-27
Voertuigreglement 5.6.38, geldigheid: 2005-01-27
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 2, geldigheid: 2005-01-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2005, 54
Module Verkeer 2005/176

Uitspraak

WAHV 04/01051

27 januari 2005

CJIB 99059241011

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Haarlem

van 29 juni 2004

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Haarlem ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van Euro 86,- opgelegd ter zake van "als bestuurder van een voertuig rijden, terwijl niet wordt voldaan aan de vereiste remvertraging" (feitcode N380N), welke gedraging zou zijn verricht op 27 februari 2003 op de Deimpt in Volendam.

3.2. De betrokkene ontkent niet ten tijde en ter plaatse als voormeld als bestuurder van een voertuig, een snorfiets, te hebben gereden. Hij is echter van mening dat slechts door middel van behoorlijke apparatuur vastgesteld kan worden dat niet wordt voldaan aan de vereiste remvertraging, die in het onderhavige geval 4m/sec² bedraagt, en dat zoals zich in dit geval voordoet de enkele constatering van een verbalisant, dat het voertuig bij een ingeknepen rem doorrijdt, hiervoor ontoereikend is.

3.3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 maart 2004, op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt door de verbalisanten D.W.J. Baas en W.C. Quak, houdt onder meer in:

"Ik, tweede verbalisant, zag dat er op 27 februari 2003, omstreeks 15:21 uur een snorfiets van het merk Gilera type citta kwam aanrijden (...) Ik heb vervolgens de snorfiets gecontroleerd op de juiste naleving van de bepalingen gesteld bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994. Ik, tweede verbalisant, voelde dat de vereiste remvertraging van de achter rem van de snorfiets niet voldoende was. Ik zag en voelde namelijk dat de snorfiets door reed terwijl ik de achterrem inkneep.".

3.4. De inleidende beschikking heeft blijkens de stukken van het geding en de verklaring van de betrokkene betrekking op een gedraging die zou zijn verricht met een snorfiets. Ingevolge art. 1.1 onder m Voertuigreglement (VR) wordt een voertuig als het onderhavige aangemerkt als een bromfiets. De gedraging met de feitcode N 380n berust ten aanzien van een bromfiets op overtreding van het gestelde in art. 5.6.38 VR. Dit artikel luidt voor zover hier van belang:

"1. Bromfietsen moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg tenminste 4,0 m/s² bedraagt, (...).

2. De bedrijfsrem moet op alle wielen werken."

3.5. De Nota van Toelichting bij het VR houdt in, voor zover hier van belang:

"Artikelen 5.6.38 en 5.6.39

Ten aanzien van de bedrijfsrem wordt een aantal eisen met betrekking tot de remvertraging opgenomen, welke zijn ontleend aan artikel 80a, tweede lid, onderdeel e, WVR. In verband met de thans gehanteerde tolerantie van 0,5 m/s² alsmede de afleesbaarheid van de apparatuur waarmee de remvertraging wordt gemeten, is de remvertragingseis van 3,86 op 4,0 m/s² gebracht, hetgeen niet op bezwaren stuit nu de toelatingseis een remvertraging kent van 5,0 m/s². Voor bestaande bromfietsen vormt deze verhoging geen probleem aangezien de remcapaciteit doorgaans ruim boven deze norm uitkomt.".

3.6. In tegenstelling tot artikel 5.4.38 VR, waarin met betrekking tot motorfietsen wordt gesproken over twee bedrijfsremmen, onderscheiden in voorwielrem en achterwielrem, spreekt art. 5.6.38 VR over "een", respectievelijk "de" bedrijfsrem, hoewel bromfietsen in het algemeen beschikken zowel over een voor- als over een achterrem.

3.7. Art. 80a, tweede lid, onderdeel e WVR luidde destijds, voor zover hier van belang: "de remvertraging moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, bij gebruik van beide remmen tezamen, ten minste 3,86 m/sec² bedragen (....)."

3.8. Uit het hiervoor onder 3.5 tot en met 3.7. overwogene volgt, dat onder "bedrijfsrem" in art. 5.6.38 VR (mede) moet worden verstaan het samenstel van voor- en achterrem van een bromfiets, die gezamenlijk aan de vereiste remvertraging behoren te voldoen.

3.9. Hoewel de vaststelling of de bedrijfsrem van een bromfiets voldoet aan de vereiste remvertraging in het algemeen zal berusten op het resultaat van apparatuur waarmee de remvertraging wordt gemeten, is niet uitgesloten, dat ook zonder gebruik te maken van een voorgeschreven meetmiddel kan worden vastgesteld, dat een bromfiets niet aan de vereiste remvertraging voldoet. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen, wanneer bij het gelijktijdig gebruiken van beide remmen geen of nagenoeg geen vertraging wordt waargenomen. Eveneens kan, wanneer van één van beide remmen totaal geen werking bezit, zonder meting worden vastgesteld, dat de bedrijfsrem niet op alle wielen werkt, zoals voorgeschreven in het tweede lid van art. 5.6.38 VR, hetgeen overigens geen gedraging als bedoeld in art. 2, eerste lid, WAHV oplevert, nu overtreding van het tweede lid van art. 5.6.38 VR niet in de bijlage bij de WAHV is opgenomen.

3.10. Hetgeen blijkens het onder 3.3. overwogene door de verbalisant is verricht volstaat echter niet om vast te stellen, dat het door de verbalisant onderzochte voertuig niet voldoet aan de vereiste remvertraging, nu slechts de achterrem is beproefd. Derhalve staat naar de overtuiging van het hof niet vast dat de gedraging is verricht. Dit betekent dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven en de beslissing van de kantonrechter en de beslissing van de officier van justitie moeten worden vernietigd.

3.11. Het hof acht geen termen aanwezig een kostenveroordeling uit te spreken, nu niet gebleken is van kosten die voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 17 mei 2003, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nr. 99059241011 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van art. 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van

Euro 86,-, door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Poelman en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.