Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AS8379

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
25-02-2005
Datum publicatie
02-03-2005
Zaaknummer
BK 962/03 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is of het door belanghebbende in het jaar 2001 wegens afkoop van pensioenrechten ontvangen bedrag in de premieheffing voor de AOW dient te worden betrokken.

Wetsverwijzingen
Wet financiering volksverzekeringen 10
Wet financiering volksverzekeringen 7
Wet financiering volksverzekeringen 8
Wet financiering volksverzekeringen 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2005/29.1.14
FutD 2005-0482
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 962/03 25 februari 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, zesde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van de heer X te Z tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Hoogeveen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2001.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Belanghebbende werd op 23 mei 2003 voor het jaar 2001 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (: hierna IB/PV) aangeslagen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning als bedoeld in de Wet inkomstenbelasting 2001 van ƒ 27.698, -.

1.2 Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 23 oktober 2003 de aanslag gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 9 december 2003 is ingekomen.

1.4 Het hof heeft het beroep van belanghebbende op de voet van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bij uitspraak van 19 december 2003 niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in verzet gekomen door middel van het indienen van een verzetschrift op 8 januari 2004. De inspecteur heeft gereageerd op dit verzetschrift bij schrijven, ingekomen op 19 januari 2004. Belanghebbende heeft vervolgens hierop gereageerd bij brief van 26 januari 2004, ingekomen op 27 januari 2004. Bij uitspraak van 27 februari 2004 heeft het hof het verzet van belanghebbende gegrond verklaard.

1.5 Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) met betrekking tot het materiële geschil van het beroep heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 17 december 2004, gehouden te Assen, alwaar aanwezig waren belanghebbende, zijn echtgenote en de inspecteur.

1.6 Het hof heeft in deze zaak op 30 december 2004 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 13 januari 2005, aan partijen is verzonden.

1.7 Bij brief, ingekomen op 28 januari 2005, heeft de griffier van de Hoge Raad op de voet van artikel 28a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen het hof medegedeeld dat tegen de voormelde mondelinge uitspraak beroep in cassatie is ingesteld. De Hoge Raad heeft op de voet van artikel 28b, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak.

1.8 Van alle vermelde (en hierna nog te vermelden) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting stelt het hof als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1 Belanghebbende is op 31 oktober 2001 65 jaar geworden. Vanaf die datum in het jaar 2001 geniet hij een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (: AOW) ten bedrage van bruto ƒ 7.691, -. Van 1 januari 2001 tot en met 30 september 2001 genoot hij loon uit vroegere arbeid van in totaal bruto ƒ 13.344, -.

2.2 Belanghebbende heeft aangifte gedaan voor de IB/PV over het jaar 2001 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van ƒ 27.698. Dit belastbare inkomen behelst een bedrag van ƒ 7.121, - aan afgekochte pensioenrechten, waarvan ƒ 2.719, - op of na 1 oktober 2001 en ƒ 4.402, - op 8 november 2001 ontvangen is. In zijn aangifte heeft belanghebbende verzocht om een vrijstelling van de heffing van AOW-premie over het voormelde afkoopbedrag.

2.3 Op 23 mei 2003 is belanghebbende aangeslagen voor de IB/PV over het jaar 2001 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van ƒ 27.698, -, overeenkomstig zijn aangifte. De door belanghebbende verzochte vrijstelling met betrekking tot de AOW-premie heeft de inspecteur niet verleend. De in de aanslag voor de IB/PV over 2001 in aanmerking genomen AOW-premie heeft de inspecteur vastgesteld op 13,42 %, zijnde 270/360 deel van de in het jaar 2001 geldende AOW-premie (17,9%). Naar dit percentage is ook het afkoopbedrag van ƒ 7.121, - in de premieheffing voor de AOW betrokken.

3. Het geschil en standpunten van partijen

3.1 In geschil is of het door belanghebbende in het jaar 2001 wegens afkoop van pensioenrechten ontvangen bedrag in de premieheffing voor de AOW dient te worden betrokken.

3.2 Belanghebbende is – samengevat - de mening toegedaan dat het bijzondere karakter van de afkoopsommen rechtvaardigt dat de afkoopsommen buiten de heffing van AOW-premie vallen. De afkoopsommen vallen hem namelijk eenmalig ten deel en hebben betrekking op toekomstige inkomsten die zonder afkoop – naar het hof belanghebbende begrijpt - in de jaren 2002 en daarna zouden zijn genoten zonder heffing van AOW-premie. Eveneens vindt belanghebbende dat de heffing van AOW-premie over het afkoopbedrag in strijd is met het doel van de wet.

3.3 De inspecteur vindt dat de onderhavige aanslag voor de IB/PV met daarin opgenomen een verschuldigd bedrag aan AOW-premie berekend over de afkoopsommen naar een AOW-premiepercentage van 13,42 rechtens juist is. De hoogte van het toegepaste premiepercentage is niet in geschil.

3.4 Voor een nadere onderbouwing van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken.

4. De rechtsoverwegingen omtrent het geschil

4.1 Artikel 7 van de Wet financiering volksverzekeringen (: WFV) bepaalt dat de maatstaf voor de heffing van premie voor de volksverzekeringen het premie-inkomen van de premieplichtige is. Volgens artikel 8 van de WFV wordt voor de heffing van de premie voor de volksverzekeringen bij wege van aanslag onder premie-inkomen verstaan het belastbare inkomen uit werk en woning, bepaald volgens de regels van hoofdstuk 3 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

4.2 Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de WFV is geen premie voor de AOW verschuldigd met ingang van de eerste dag van de maand waarin de verzekerde de leeftijd van 65 jaar bereikt. Ten aanzien van belanghebbende betekent dit dat hij vanaf 1 oktober 2001 geen AOW-premie meer verschuldigd is.

4.3 In artikel 17 van de WFV juncto de artikelen 2 en 4 van de Uitvoeringsregeling premieheffing volksverzekeringen 1990 (: Uitvoeringsregeling) is geregeld hoe het percentage van de AOW moet worden berekend ten aanzien van een premieplichtige die in een jaar 65 jaar geworden is. Ingevolge artikel 2 van de Uitvoeringsregeling (tekst jaar 2001) wordt – voor zover hier van belang - ingeval zich ten aanzien van een verzekerde die in de premieheffing bij wege van aanslag wordt betrokken in het kalenderjaar tijdvakken voordoen waarin verschillende premiepercentages gelden, van hem de premie geheven naar een percentage (heffingspercentage) dat is samengesteld uit tijdsevenredige delen van die verschillende premiepercentages. Volgens artikel 4, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling wordt ten aanzien van degene die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar niet premieplichtig maar wel belastingplichtig is, voor de premieheffing bij wege van aanslag het premie-inkomen naar tijdsevenredigheid afgeleid van het premie-inkomen dat in aanmerking zou zijn genomen indien de premieplicht volledig zou zijn samenvallen met de belastingplicht.

4.4 Het vorenoverwogene houdt ten aanzien van belanghebbende in dat de afkoopsommen van de pensioenrechten, die hij in het jaar 2001 heeft genoten, in dat jaar geheel in de premieheffing van de AOW dient te worden betrokken naar een verlaagd heffingspercentage. De WFV biedt geen ruimte voor de andersluidende opvatting van belanghebbende.

4.5 De wetgever had kunnen kiezen voor een heffingssysteem dat in één kalenderjaar twee keer een premie-inkomen en twee verschillende heffingspercentages worden vastgesteld. Uit de wetsgeschiedenis is af te leiden dat de wetgever uit praktische overwegingen en op grond van de eenvoud koos voor het onderhavige systeem, waarin een gewogen premiepercentage wordt toegepast op het premie-inkomen van een kalenderjaar. Teneinde de ruwe werking van dit systeem te ondervangen kon voor de jaren voorafgaande aan het jaar 2001 gekozen worden voor een inkomensevenredige premieheffing ingeval van bijzondere baten. Per 1 januari 2001 zijn de leden van de artikelen 2 en 4 van de Uitvoeringsregeling die daarop zagen, komen te vervallen. Redengevend hiervoor is dat de vanaf 1 januari 2001 van kracht zijnde Wet inkomstenbelasting 2001 geen regeling voor bijzondere baten kent in tegenstelling tot de voordien geldende Wet op de inkomstenbelasting 1964. Datgene wat belanghebbende aanvoert met betrekking tot het bijzondere karakter van het ontvangen bedrag – zoals de eenmaligheid en het feit dat het bedrag betrekking heeft op toekomstige na het 65ste jaar te genieten inkomsten – is voor het onderhavige jaar derhalve niet relevant.

4.6 Ten overvloede merkt het hof op dat ingevolge artikel 11 van de Wet Algemene Bepalingen van 15 mei 1829 de rechter volgens de wet moet rechtspreken; hij mag in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordelen.

4.7 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat belanghebbendes beroep geen doel treft.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 25 februari 2005 door mr. G. M. van der Meer, raadsheer en voorzitter, lid van de zesde enkelvoudige belastingkamer van het gerechtshof Leeuwarden en ondertekend door voormelde voorzitter en door mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

Op 2 maart 2005 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.