Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AS8378

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
25-02-2005
Datum publicatie
02-03-2005
Zaaknummer
BK 519/03 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Heeft de inspecteur al dan niet terecht een boete van 25 procent wegens grove schuld opgelegd? Is bij het opleggen van de boete de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (: EVRM) geschonden?

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Algemene wet inzake rijksbelastingen 18
Algemene wet inzake rijksbelastingen 25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-0488
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 519/03 25 februari 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, vijfde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X (: belanghebbende) te Z tegen de uitspraak van 14 oktober 2003 van de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Noord, kantoor Heerenveen (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem voor het jaar 1997 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (: IB/PV) met boeteoplegging.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan de belanghebbende is op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en de Algemene wet inzake rijksbelastingen (: AWR, tekst 1997), met dagtekening 2 oktober 2001 en aanslagnr. 0000.00.000.H77, over het jaar 1997 een navorderingsaanslag IB/PV met een boete opgelegd.

1.2 Het tegen deze aanslag op 9 oktober 2001 namens de belanghebbende ingediende bezwaarschrift heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak, gedagtekend 16 juni 2003, ongegrond verklaard. Namens belanghebbende is tegen deze uitspraak op 20 juni 2003 een beroepschrift (met bijlagen) bij het gerechtshof ingediend. De inspecteur heeft op 11 december 2003 een verweerschrift (met bijlagen) ingediend. Belanghebbende heeft vervolgens op 23 november 2004 nog een akte van repliek genomen.

1.3 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof op 14 december 2004, gehouden te Leeuwarden. Ter zitting heeft de inspecteur zich laten vertegenwoordigen. Belanghebbendes gemachtigde A, werkzaam bij te L, heeft in de akte van repliek aangekondigd dat hij noch belanghebbende ter zitting zullen verschijnen.

1.4 Op 28 december 2004 heeft het gerechtshof mondeling uitspraak gedaan. Afschriften van het daarvan opgemaakte proces-verbaal zijn per aangetekende post op 11 januari 2005 aan partijen verzonden. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

1.5 Naar aanleiding van het tegen deze mondelinge uitspraak ingestelde beroep in cassatie, heeft de griffier van de Hoge Raad bij brief van 11 februari 2005 aan het gerechtshof verzocht om toezending van zowel een afschrift van de mondelinge als de schriftelijke uitspraak, alsmede de op de uitspraak betrekking hebbende gedingstukken

2. De feiten

Op grond van de gedingstukken staat tussen partijen als niet, dan onvoldoende weersproken het volgende vast.

2.1 De belanghebbende is geboren op .. maart 19... Hij exploiteert als zelfstandige een distributiecentrum voor landelijke dagbladen. Na het verstrijken van de beroepstermijn is de op 29 juli 1998 gedagtekende primitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997 naar een belastbaar inkomen van f. 23.344,- onherroepelijk geworden.

2.2 Bij een op 3 april 2001 bij de belanghebbende ingesteld boekenonderzoek is geconstateerd dat voor de gedurende het jaar 1997 tot het ondernemingsvermogen behorende personenauto’s geen kilometeradministratie is bijgehouden. De inspecteur heeft in het op of omstreeks 17 mei 2001 uitgebrachte controlerapport aangekondigd het niet aangegeven privé-gebruik te zullen navorderen en de navorderingsaanslag te zullen verhogen met een boete van per saldo 25 procent wegens grove schuld.

2.3 Met dagtekening 2 oktober 2001 is de navorderingsaanslag met boete over het jaar 1997 opgelegd. Het bedrag van de navordering bedraagt f. 900,-. De boete bedraagt na kwijtschelding: f. 225,-.

2.4 Na indiening van een pro-forma bezwaarschrift op 9 oktober 2001 tegen (onder meer) de onder 2.3 vermelde navorderingsaanslag, is namens de belanghebbende in de op 29 oktober 2001 door de inspecteur ontvangen gronden van bezwaar gesteld dat hij zich, in tegenstelling tot de opgelegde boete, kan verenigen met de bijtelling wegens privé gebruik auto.

2.5 Bij de belanghebbende is tot en met 1991 een kostencorrectie wegens privé gebruik auto in aanmerking genomen. Over de jaren 1992 en 1993 heeft de belanghebbende op aanraden van zijn gemachtigde een kilometeradministratie bijgehouden op daartoe door zijn gemachtigde beschikbaar gestelde formulieren. Op grond van deze kilometeradministratie is de bijtelling voor de auto achterwege gelaten op grond van het ontbreken van privé gebruik. De belanghebbende heeft in de jaren daarna geen kilometeradministratie meer bijgehouden.

2.6 Na een daartoe strekkend voornemen van 26 mei 2003 heeft de inspecteur bij uitspraak van 16 juni 2003 het bezwaar tegen de boete afgewezen.

3. Het geschil

Het hof begrijpt de voorgedragen beroepsgronden aldus dat in geschil is het antwoord op de volgende vragen:

3.1 Heeft de inspecteur al dan niet terecht een boete van 25 procent wegens grove schuld opgelegd?

3.2 Is bij het opleggen van de boete de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (: EVRM) geschonden?

3.3 Ten aanzien van het meer en anders voorgedragene overweegt het hof dat die gronden zien op aspecten die mede van belang zijn voor de heffing van omzetbelasting, welke door de inspecteur ambtshalve als kosten in aftrek op de winst zijn gebracht, zodat de belanghebbende geen belang heeft bij die gronden nu gesteld noch gebleken is dat de inspecteur die kosten tot een te laag bedrag in aanmerking heeft genomen. Voorts overweegt het hof dat voor een inhoudelijke beoordeling van de correcties voor de omzetbelasting geen ruimte is in dit geding.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 De inspecteur heeft de in de navorderingsaanslag begrepen belasting verhoogd onder toepassing van artikel 18, eerste lid, van de AWR, tekst 1997. Deze verhoging moet worden aangemerkt als het instellen van een strafvervolging in de zin van artikel 6, eerste lid, EVRM. Door het strafrechtelijke karakter is de verhoging in wezen een boete.

4.2 Op grond van artikel 18, tweede lid, AWR, tekst 1997, neemt de inspecteur bij het vaststellen van een navorderingsaanslag waarin een verhoging wordt begrepen, bij voor bezwaar vatbare beschikking een besluit of en in hoeverre kwijtschelding van de verhoging wordt verleend.

4.3 Naar het oordeel van het hof is het aan de grove schuld van de belanghebbende te wijten dat te weinig belasting is geheven. Daartoe is redengevend dat zo de belanghebbende al niet wist dat hij ten onrechte een correctie wegens privé gebruik auto achterwege liet, hij had kunnen en behoren te weten dat hij na het staken van zijn kilometeradministratie de forfaitaire bijtelling weer –net als in de periode tot 1992- diende toe te passen. Derhalve is de boete niet tot een te hoog bedrag opgelegd, terwijl het hof de boete overigens passend en geboden acht.

4.4 Op grond van artikel 6, eerste lid, EVRM moet de behandeling van een zaak waarin een boete is opgelegd, binnen een redelijke termijn plaatsvinden. Het hof stelt vast dat in de onderhavige zaak tot en met deze uitspraak een termijn is verlopen van ruim drie jaren en zeven maanden welke als volgt is ontstaan:

- 17 mei 2001: aankondiging boete in controlerapport

- 2 oktober 2001: navorderingsaanslag met boete

- 9 oktober 2001: ontvangst (pro-forma) bezwaarschrift

- 29 oktober 2001: ontvangst motivering bezwaarschrift

- 26 mei 2003: voornemen tot handhaving boete

- 12 juni 2003: reactie op voornemen

- 16 juni 2003: ongegrondverklaring bezwaarschrift

- 20 juni 2003: binnenkomst beroepschrift

- 10 juli 2003: uitnodiging indiening verweerschrift

- 14 juli 2003: eerste verzoek termijnverlenging

- 16 juli 2003: termijnverlenging tot 1 oktober 2003

- 29 september 2003: tweede verzoek termijnverlenging

- 2 oktober 2003: termijnverlenging tot 30 oktober 2003

- 28 oktober 2003: derde verzoek termijnverlenging

- 30 oktober 2003: termijnverlenging tot 27 november 2003

- 28 november 2003: vierde verzoek termijnverlenging

- 2 december 2003: termijnverlenging tot 16 december

- 11 december 2003: ontvangst verweerschrift

- 23 november 2004: ontvangst conclusie belanghebbende

- 14 december 2004: mondelinge behandeling

- 28 december 2004: mondelinge uitspraak.

4.5 Naar het oordeel hof is sprake van een schending van de redelijke termijn in de periode van de behandeling van het bezwaarschrift doordat bij die behandeling na de ontvangst van de gronden van bezwaar op 29 oktober 2001 tot aan het voornemen tot handhaving van de boete van 26 mei 2003 een termijn van bijna 19 maanden is verstreken waarin de inspecteur geen activiteiten heeft verricht gericht op de afdoening van dat bezwaar. Redengevend daarvoor is dat de zaak niet complex van aard is, de onderliggende correctie niet werd betwist, het termijnverloop niet is veroorzaakt door het processuele gedrag van de belanghebbende, terwijl voorts artikel 25, tweede lid, AWR, tekst 1997, buiten toepassing is gelaten. Daarbij laat het hof buiten beschouwing de verrichtingen van de inspecteur omzetbelasting in het kader van de behandeling van een gelijktijdig ingediend bezwaarschrift tegen onder meer de boete op de naheffing van de voorbelasting die samenhangt met de correctie van het privé gebruik auto. Daarvoor is van belang dat correctie van het privé gebruik voor de heffing van de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen niet door de belanghebbende is betwist, terwijl ook verder geen noodzaak bestond de afhandeling van het bezwaar tegen de onderhavige boete op te schorten totdat de omzetbelastingkwestie was afgedaan. Dit laatste vindt zijn bevestiging in het impliciete excuus voor de behandelduur dat is opgenomen in het voornemen van 26 mei 2003 en welke noodzaak eveneens door de inspecteur ter zitting is ontkend.

4.6 In het kader van het vaststellen van een passende compensatie voor de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de boetezaak moet worden afgedaan overweegt het hof dat op grond van het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2002, nr. 36 723, BNB 2002/316, de gevolgen niet verder kunnen strekken dan tot een vermindering van de opgelegde boete met 10 procent. Voorts kan naar het oordeel van het hof een vermindering van minder dan f. 25,- vanwege de geringe omvang niet meer als een geschikte compensatie worden aangemerkt. Gelet op het voorgaande in samenhang met de opgelegde boete van f. 225,- is het hof van oordeel dat de enkele vaststelling dat sprake is van een verdragsschending in deze zaak voldoende compensatie biedt voor de geconstateerde inbreuk.

5. De conclusie

De boete dient in stand te worden gelaten, zodat het beroep ongegrond is.

6. De proceskosten

Wegens de geconstateerde verdragsschending acht het gerechtshof termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing

Het gerechtshof:

- verklaart het beroep ongegrond;

- gelast dat het betaalde griffierecht ad € 31,- aan de

belanghebbende wordt vergoed door de inspecteur;

- veroordeelt de inspecteur de kosten aan de belanghebbende te vergoeden, die deze heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, te bepalen op € 322,- en

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te dragen.

Gedaan op 25 februari 2005 door mr. J.W. Keuning , raadsheer-plaatsvervanger, plaatsvervangend lid van de vijfde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Jong als griffier en ondertekend door voornoemde raadsheer-plaatsvervanger en door voornoemde griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan beide

partijen op: 2 maart 2005