Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AS8373

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
26-01-2005
Datum publicatie
02-03-2005
Zaaknummer
WAHV 04-00910
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

De betrokkene heeft verzocht om toezending van een afschrift van een foto van de gedraging en het proces-verbaal, alvorens de gronden van het beroep in te dienen. De oficier van justitie heeft de betrokkene in de gelegenheid gesteld om het verzuim te herstellen. Geen reactie van de betrokkene ontvangen. De oficier van justitie heeft vervolgens het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De betrokkene stelt dat het niet vermelden van de beroepsgronden niet aan hem is toe te rekenen. Het hof is van oordeel dat de inleidende beschikking voldoende gegevens ten aanzien van het kenteken van het voertuig, de aard, plaats en tijd van de gedraging bevat om de gedraging waarop de beschikking betrekking heeft te individualiseren, zodat daartegen gronden kunnen worden aangevoerd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:5, geldigheid: 2005-01-26
Algemene wet bestuursrecht 6:6, geldigheid: 2005-01-26
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9, geldigheid: 2005-01-26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 04/00910

26 januari 2005

CJIB 19062413739

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te [woonplaats]

van 24 mei 2004

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt mr. drs. M.J.G. Schroeder, wonende te Rotterdam.

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement [woonplaats] ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van Euro 86,- opgelegd ter zake van "niet stoppen voor rood licht bij driekleurig verkeerslicht", welke gedraging zou zijn verricht op 17 mei 2003 te 22.15 uur op de Catharijnesingel (thv. kruising N.Beetsstraat) te Utrecht.

3.2. In het beroepschrift aan de officier van justitie van 1 juli 2003 geeft de gemachtigde aan dat de betrokkene gehoord wil worden. Hij verzoekt voorts om toezending voorafgaande aan de hoorzitting van een afschrift van een foto en het proces-verbaal. In een brief van 28 augustus 2003 bevestigt de gemachtigde de ontvangst van de brief van de officier van justitie van 13 augustus 2003, waarin hij de gemachtigde verzoekt de gronden waarop het beroep berust te vermelden. De gemachtigde geeft te kennen dat hij eerst na ontvangst van een afschrift van de foto en het proces-verbaal aan het verzoek kan voldoen. De officier van justitie heeft de betrokkene in zijn beslissing van 4 oktober 2003 niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing vermeldt: "De officier van justitie heeft betrokkene/gemachtigde niet in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord, aangezien na bestudering van de stukken is gebleken dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is.".

3.3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie ten onrechte in stand heeft gelaten. De overweging van de kantonrechter, dat de betrokkene niet gesteld heeft dat het niet vermelden van de beroepsgronden niet aan hem is toe te rekenen, is onjuist. Voorts kon de kantonrechter zijn beslissing niet beperken tot een uitspraak over de beslissing van de officier van justitie, maar diende hij te onderzoeken of de inleidende beschikking terecht was opgelegd.

3.4. De memorie van toelichting op het wetsontwerp dat heeft geleid tot de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften houdt voor zover te dezen van belang in (Kamerstukken II, 1987/1988, 20329, nr. 3, p. 40):

"In de schriftelijke beschikking, waarbij de administratieve sanctie wordt opgelegd, dient voor de duidelijkheid van de justitiabele een korte omschrijving van de gedraging te worden opgenomen. In aanvulling op het commissie-voorstel is bepaald dat de beschikking gedagtekend dient te zijn. Tevens dient de beschikking de datum en het tijdstip waarop, alsmede de plaats, waar de gedraging is geconstateerd, te vermelden. Op deze wijze wordt degene aan wie de sanctie wordt opgelegd, in staat gesteld om zelf na te gaan op welke gedraging de administratieve sanctie betrekking heeft".

3.5. De inleidende beschikking bevat zowel ten aanzien van het kenteken van het voertuig, de aard, plaats en tijd van de gedraging voldoende gegevens om de gedraging waarop de beschikking betrekking heeft te individualiseren.

3.6. Nu de gemachtigde van de betrokkene door de officier van justitie in de gelegenheid is gesteld alsnog de gronden van het beroep op te geven en de gemachtigde van de betrokkene hieraan geen gevolg heeft gegeven, heeft de officier van justitie terecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden en derhalve kunnen afzien van het horen van de gemachtigde van de betrokkene op grond van het bepaalde in art. 7:17, aanhef en onder a Awb.

3.7. De kantonrechter heeft derhalve terecht het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Voor zover namens de betrokkene wordt aangevoerd, dat de kantonrechter niet alleen de beslissing van de officier van justitie had moeten beoordelen, maar tevens had dienen te onderzoeken of de inleidende beschikking terecht was opgelegd, wordt miskend dat ingevolge art. 9 WAHV de beslissing van de officier van justitie het voorwerp van het beroep bij de kantonrechter is en dat derhalve wanneer de officier van justitie terecht niet aan een inhoudelijke beoordeling van de inleidende beschikking is toegekomen, de inleidende beschikking geen onderwerp van het geschil kan uitmaken bij de kantonrechter.

3.8. Het verzoek om de advocaat-generaal te veroordelen tot het vergoeden van de proceskosten zal worden afgewezen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek van de betrokkene om de advocaat-generaal te veroordelen in de proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Poelman en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.