Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AS7292

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
18-02-2005
Datum publicatie
23-02-2005
Zaaknummer
BK 53/04 Motorrijtuigenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de onderhavige naheffingsaanslag en verzuimboete terecht aan de belanghebbende zijn opgelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67c
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 19
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 35
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 37
Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 34
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2005/29.1.18
FutD 2005-0429
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 53/04 18 februari 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, vierde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z (: de belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Centrale administratie (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen de hem opgelegde naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting (: MRB) alsmede de hem afgegeven boetebeschikking.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.0. Aan de belanghebbende is over het tijdvak 20 november 2002 tot en met 19 november 2003 een naheffingsaanslag MRB opgelegd ten bedrage van € 858,--. Tevens is aan de belanghebbende bij beschikking een verzuimboete opgelegd ten bedrage van € 858,--.

1.2. Op het tijdig ingediende bezwaar van de belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 16 januari 2004 de zowel de naheffingsaanslag als de boete gehandhaafd.

1.3. De belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), dat op 20 januari 2004 bij het gerechtshof is ingekomen.

1.4. De inspecteur heeft op 24 februari 2004 een verweerschrift (met bijlagen) ingediend bij het gerechtshof.

1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof op 9 november 2004, gehouden te Groningen, alwaar aanwezig waren de belanghebbende alsmede de inspecteur.

1.6. Het gerechtshof heeft in deze zaak op 23 november 2004 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 7 december 2004, aan partijen is verzonden.

1.7. Bij brief ingekomen op 7 januari 2005 heeft de belanghebbende op de wijze als bedoeld in artikel 27d van de Algemene wet rijksbelastingen verzocht vorenbedoelde uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De griffier heeft de belanghebbende bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 14 januari 2004, gewezen op het verschuldigde griffierecht en de belanghebbende heeft vervolgens op 31 januari 2005 dat griffierecht voldaan.

1.8. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1. De belanghebbende is volgens de kentekenregistratie sinds 20 november 1998 houder van het motorrijtuig met het kenteken YY-Y-00 en van het merk Mercedes (: de auto). De datum van het kentekenbewijs deel I is 20 november 1998.

2.2. De auto stond van 11 oktober 2002 tot en met 10 oktober 2003 en vanaf 11 oktober 2003 als geschorst geregistreerd ex hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet 1994.

2.3. Op 10 september 2003 omstreeks 19.30 uur heeft belanghebbendes vader de auto, waarin de belanghebbende zat, gesleept vanuit een aan de a-laan te L gelegen garagebox naar het hotel A te M, omdat de auto daar eventueel verkocht zou worden. Ter zake van dit transport heeft de belanghebbende de bij de auto behorende kentekenplaten verwijderd en oude kentekenplaten, die voor aanhangwagens waren bestemd en hetzelfde kenteken (XX-XX-00) droegen als de sleepauto, op de auto geplaatst.

2.4. Een agent van de Regiopolitie Groningen, district Midden/Hoogezand, heeft op 10 september 2003 om 21.04 uur vervolgens geconstateerd dat de auto op de (openbare) Rijksweg west onder M (bij hotel A) stond geparkeerd, voorzien van het (onjuiste) kenteken XX-XX-00.

1.1. Naar aanleiding van de onder punt 2.4 bedoelde constatering is aan de belanghebbende over de periode 20 november 2002 tot en met 19 november 2003 een naheffingsaanslag MRB opgelegd ten bedrage van € 858,--. Tevens is aan de belanghebbende een verzuimboete opgelegd ten bedrage van € 858,--. Op het bezwaar van de belanghebbende heeft de inspecteur zowel de naheffingsaanslag als de boete gehandhaafd.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

1.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de onderhavige naheffingsaanslag en verzuimboete terecht aan de belanghebbende zijn opgelegd.

1.2. De belanghebbende heeft – naar het gerechtshof hem begrijpt – aangevoerd dat nu, geen sprake is geweest van moedwil, schuld of bewuste nalatigheid, de naheffingsaanslag en de verzuimboete ten onrechte aan hem zijn opgelegd.

1.3. De inspecteur houdt vast aan zijn standpunt dat de onderhavige naheffingsaanslag en verzuimboete terecht aan de belanghebbende zijn opgelegd.

1.4. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken alsmede ter zitting.

4. De rechtsoverwegingen

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Motorrijtuigenbelasting 1994 (: de Wet) wordt voor een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, de belasting niet geheven over tijdvakken die aanvangen tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet 1994. Bij constatering van gebruik van de weg tijdens een dergelijke schorsing, kan de belasting worden nageheven, aldus artikel 35, eerste lid, van de Wet.

4.2. Nu – naar volgt uit de vaststaande feiten – de weg werd gebruikt met de auto tijdens een voor de onderhavige auto geldende schorsing, is – gelet op het onder punt 4.1 vermelde – de naheffingsaanslag naar het oordeel van het gerechtshof terecht en op juiste gronden aan de belanghebbende, als houder van de auto, opgelegd. De door de belanghebbende aangegeven beweegredenen voor het op de weg brengen van het voertuig maken dit oordeel niet anders.

1.1. Op de voet van artikel 37 van de Wet juncto artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan de inspecteur in het geval als bedoeld in artikel 35 van de Wet de belastingplichtige een verzuimboete opleggen van ten hoogste € 4.537,--. Ingevolge paragraaf 34, onderdeel 2, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 bedraagt de verzuimboete maximaal 100 procent van het bedrag aan belasting dat niet is betaald met een minimum van € 45,-- en een maximum van € 4.537,--.

1.4. Voor zover de belanghebbende ter zake van de opgelegde verzuimboete heeft bedoeld te stellen dat sprake is van afwezigheid van alle schuld, kan het gerechtshof deze stelling niet volgen. Zoals volgt uit de onder punt 2.3 vermelde vaststaande feiten heeft de belanghebbende, die – naar de inspecteur ter zitting onweersproken heeft gesteld – op de hoogte moet zijn geweest van de voor schorsing geldende voorwaarden, de auto immers bewust op de weg gebracht. Nu sprake is van een geval als bedoeld in artikel 35 van de Wet, heeft de inspecteur naar het oordeel van het gerechtshof derhalve – gelet op het onder punt 4.3 overwogene – terecht aan de belanghebbende een verzuimboete opgelegd. Deze verzuimboete ad € 858,-- acht het gerechtshof, gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden van het geval, passend en geboden. Hierbij zij opgemerkt dat de belanghebbende onvoldoende feiten en omstandigheden te berde heeft gebracht, die tot de conclusie zouden kunnen leiden dat te dezen sprake is van een bijzonder geval, waarin financiële omstandigheden nopen tot matiging van de boete.

1.5. Voor zover de belanghebbende heeft verzocht om kwijtschelding van de naheffingsaanslag dan wel de verzuimboete, overweegt het gerechtshof dat een dergelijk verzoek niet aan het oordeel van de belastingrechter kan worden onderworpen.

1.6. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat belanghebbendes beroep geen doel treft

2. De proceskosten

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

3. De beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 18 februari 2005 door mr. H.S. Pruiksma, vice-president, plaatsvervangend lid van de vierde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Hiemstra en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Op 23 februari 2005 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.