Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AS7283

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
18-02-2005
Datum publicatie
23-02-2005
Zaaknummer
BK 2190/02 WOZ
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen twisten over de waarde van de onroerende zaak per 1 januari 1999.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. BK 2190/02 18 februari 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, derde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep namens X b.v. te Z tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Terschelling (: de ambtenaar), gedaan op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen de ten aanzien van hem genomen beschikking ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet).

1. Ontstaan en loop van het geding.

Ingevolge de Wet heeft de ambtenaar de waarde met betrekking tot de onroerende zaak a-straat 421 te L, waarvan de belanghebbende eigenaar en/of gebruiker is, vastgesteld bij beschikking onder nummer 0000, gedateerd 31 oktober 2001.

Daarbij is de waarde vastgesteld op € 287.242,-- .

Bij de uitspraak waarvan beroep, gedagtekend 19 november 2002, is de bovenvermelde waarde gehandhaafd.

Het beroepschrift (met bijlagen) is op 30 december 2002 ter griffie ingekomen. De ambtenaar heeft op 8 april 2003 een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

Bij de mondelinge behandeling van 22 november 2004, gehouden te Leeuwarden, waren aanwezig namens de belanghebbende, dhr. Ir. A zomede namens de ambtenaar dhr. B, die werd bijgestaan door de taxateur dhr. C.

Het gerechtshof heeft op 6 december 2004 mondeling uitspraak gedaan; afschriften van het daarvan opgemaakte proces-verbaal zijn op 20 december 2004 per aangetekende post aan de partijen

verzonden.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

Op 27 december 2004 is bij het gerechtshof een verzoek van de belanghebbende ingekomen om de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

Het door de belanghebbende verschuldigde griffierecht is op

24 januari 2005 voldaan.

2. De feiten.

Op grond van de gedingstukken en het ter zitting verhandelde staat tussen de partijen als niet, dan wel onvoldoende weersproken het volgende vast:

2.1. Bij beschikking van 31 oktober 2001 is door de ambtenaar ten aanzien van de belanghebbende als eigenaar en/of gebruiker van de onroerende zaak gelegen aan de a-straat 421 (: de onroerende zaak) de waarde van die onroerende zaak vastgesteld. De beschikking geldt voor het tijdvak van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004. De onroerende zaak betreft een vrijstaande recreatiewoning met inpandige garage, erf en gelegen op een kavel 1.970 m2.

2.2. De door de ambtenaar aan de onroerende zaak toegekende waarde bedraagt per waardepeildatum 1 januari 1999 € 287.242,--.

Bij de bestreden uitspraak is de vastgestelde waarde gehandhaafd.

3. Het geschil.

3.1. Partijen twisten over de waarde van de onroerende zaak per 1 januari 1999.

3.2. De belanghebbende is van mening dat de ambtenaar de waarde van de onroerende zaak op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Hij stelt zich op het standpunt dat de vastgestelde waarde dient te worden

verlaagd tot op f. 500.000,-- (€ 226.890,--) zoals weergegeven in het

beroepschrift (met bijlagen).

3.3. De ambtenaar bestrijdt belanghebbendes bezwaren een en ander zoals weergegeven in het van hem afkomstige verweerschrift (met bijlagen).

3.4. Partijen hebben ter zitting hun standpunten gehandhaafd zonder daartoe nadere gronden te hebben aangevoerd.

4. Rechtsoverwegingen.

4.1. Zoals blijkt uit het bepaalde in de artikelen 17 en 18, eerste lid van de Wet wordt de waarde bepaald op de waarde die per 1 januari 1999 aan de onderwerpelijke onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.

4.2. Ingevolge artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken, wordt de in artikel 17, tweede lid, van de Wet bedoelde waarde voor woningen onder meer bepaald door middel van een methode van vergelijking met referentiewoningen.

4.3. Op de ambtenaar rust – bij betwisting – de last aannemelijk te maken dat de waarde per 1 januari 1999 – met inachtneming van de Wet – niet hoger is vastgesteld dan de waarde in het economische verkeer per genoemde datum. Ter onderbouwing van de door hem vastgestelde waarde verwijst de ambtenaar onder meer naar het op 27 maart 2003 door D, taxateur, verbonden aan E b.v. te M, opgemaakte taxatierapport.

4.4. Naar het oordeel van het gerechtshof is de ambtenaar, gelet op het goed onderbouwde taxatierapport, in de op hem rustende bewijslast

geslaagd. Blijkens het tot de gedingstukken behorende taxatierapport is de onroerende zaak getaxeerd aan de hand van de onder punt 3.2. bedoelde vergelijkingsmethode.

De drietal daarbij opgevoerde vergelijkingsobjecten vormen een

redelijke afspiegeling van de markt ten tijde van de peildatum

1 januari 1999.

De verschillen tussen deze vergelijkingsobjecten en belanghebbendes

onroerende zaak zijn in het taxatierapport voldoende tot uiting gebracht.

Het gerechtshof heeft daarbij mede overwogen dat met behulp van de zgn. matrix de vastgestelde waarde alsmede de verschillen tussen belanghebbendes onroerende zaak en de vergelijkingsobjecten afdoende zijn onderbouwd.

Weliswaar brengt de belanghebbende een aantal stellingen in het geding doch deze doen naar het oordeel van het gerechthof geen afbreuk aan de cijfermatige opbouw van de matrix.

4.5. Voorts gaat het gerechtshof voorbij aan belanghebbendes stelling dat het aantal kubieke meters van de onroerende zaak te hoog door de taxateur is vastgesteld nu de taxateur ter zitting – onvoldoende weersproken - heeft gesteld dat de berekening van het aantal kubieke meters op grond van de buitenwerkse maten van de onroerende zaak moet plaatsvinden waarbij de inpandige garage moet worden meegenomen. Daarenboven heeft het gerechtshof overwogen dat de belanghebbende zelf niet een juiste en sluitende berekening van het aantal kubieke meters in het geding heeft gebracht. Ter zitting heeft hij slechts een grove berekening gegeven.

4.6. Anders dan de belanghebbende meent, is de vorige waardevaststelling thans niet relevant. De waardestijging ten opzichte van de vorige peildatum ( 1 januari 1995 ) doet dan ook niet ter zake.

4.7. Nu de ambtenaar de onderwerpelijke waarde reeds aan de hand van de voorgeschreven vergelijkingsmethode aannemelijk heeft

gemaakt, gaat het gerechtshof voorbij aan de overige door de belanghebbende in het geding gebrachte stellingen. Deze dragen onvoldoende bij tot een door de belanghebbende beoogde lagere vastgestelde waarde van de onroerende zaak.

5. De conclusie.

Belanghebbendes beroep moet ongegrond worden geacht.

6. De proceskosten.

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing.

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 18 februari 2005 door mr. F.J.W. Drion, raadsheer en voorzitter en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier

dhr. J.M. Gerrits en ondertekend door de voorzitter en de griffier.

Op 23 februari 2005 afschrift

aangetekende verzonden aan beide partijen.