Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AS6386

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-02-2005
Datum publicatie
17-02-2005
Zaaknummer
Rolnummer 0300417
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gaat in deze zaak - in essentie - om de vraag of [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de door [appellante] geleden schade. Deze schade is het gevolg van het feit dat [geïntimeerde] met de door hem van [appellante] gehuurde bestelauto met een hoogte van meer dan 2,4m door een viaduct met een hoogte van 2,4m heeft willen rijden.

Het hof overweegt dat de gedraging van [geïntimeerde] wellicht als zeer onvoorzichtig kan worden gekwalificeerd, doch dat brengt nog niet mee dat er sprake is van grove schuld. Voor grove schuld is immers vereist dat [geïntimeerde] zich bij de schadeveroorzakende manoeuvre ervan bewust was, althans zich ervan bewust had behoren te zijn, dat zijn handelwijze schade kon veroorzaken, doch dit op de koop toe heeft genomen. Nu dat niet door [appellante] is gesteld, terwijl het hof uit de stukken ook niet anderszins heeft kunnen afleiden dat [geïntimeerde] zich bij deze manoeuvre bewust was van het risico op schade, althans dat hij had behoren in te zien dat zijn gedrag de kans op schade met zich bracht, gaat het hof ervan uit dat er van grove schuld geen sprake is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 16 februari 2005

Rolnummer 0300417

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

A.B.G. B.V., handelende onder de naam [appellante] ,

gevestigd te Groningen,

appellante in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [appellante],

procureur: mr A.H. Lanting,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal en appellant in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

toevoeging,

procureur: mr P.R. van den Elst.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 2 april 2003 en 16 juli 2003 door de rechtbank te Groningen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 4 september 2003 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 16 juli 2003 met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 17 september 2003.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"het vonnis van de Rechtbank Groningen van 16 juli 2003 gewezen tussen appellante als eiseres en geïntimeerde als gedaagde te vernietigen en opnieuw rechdoende de vordering van oorspronkelijk eiseres toe te wijzen met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van de procedure, in beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie:

"[geïntimeerde] zich wendt tot uw Hof met het eerbiedige verzoek, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de beschikking van de rechtbank te Groningen d.d. 16 juli 2003 onder zaak-/rolnummer 63011 / HA ZA 03-79 te vernietigen, voorzover daarin overwogen als bestreden in incidenteel beroep onder grief 1, en opnieuw recht doende te bepalen dat de algemene voorwaarden op de overeenkomst tussen partijen nimmer van toepassing zijn geweest;

II. voor het overige vonnis van de rechtbank te Groningen d.d. 16 juli 2003 onder zaak-/rolnummer 63011 / HA ZA 03-97 gewezen te bekrachtigen;

III. appelante (A.B.G. B.V.) te veroordelen in de kosten van de procedure, in beide instanties."

Door [appellante] is in het incidenteel appel geantwoord met als conclusie:

"het incidenteel appèl van incidenteel appellant ongegrond te verklaren, met veroordeling van incidenteel appellant in de kosten."

Voorts heeft ieder der partijen een akte genomen.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellante] heeft in het principaal appel vier grieven opgeworpen.

[geïntimeerde] heeft in het incidenteel appel één grief opgeworpen.

De beoordeling

1. Nu de vaststelling van de feiten door de rechtbank onder het hoofd "vaststaande feiten" in het vonnis noch door grieven noch anderszins is bestreden, zal ook het hof van die feiten hebben uit te gaan.

2. Het gaat in deze zaak - in essentie - om de vraag of [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de door [appellante] geleden schade. Deze schade is het gevolg van het feit dat [geïntimeerde] met de door hem van [appellante] gehuurde bestelauto met een hoogte van meer dan 2,4m door een viaduct met een hoogte van 2,4m heeft willen rijden. De schade bestaat uit de vervangingskosten van een nieuwe laadbak ad Euro 5.665,59, alsmede gederfde huurinkosten ad Euro 1.351,66 voor de periode dat de betreffende auto niet verhuurd kon worden. Niet in geschil tussen partijen is dat hiervan Euro 500,-- zijnde het tussen partijen overeengekomen eigen risico, voor rekening van [geïntimeerde] komt.

3. Het hof zal er in het navolgende - niettegenstaande de incidentele grief van [geïntimeerde] - veronderstellenderwijs vanuit gaan dat de BOVAG autoverhuur bepalingen (hierna: BOVAG-voorwaarden) op de onderhavige overeenkomst van toepassing zijn. In dat geval dient [geïntimeerde] op grond van art. 8 lid 3 van deze voorwaarden aansprakelijk te worden geacht voor de volledige door [appellante] gevorderde schade, indien zijn schadeveroorzakend handelen gekwalificeerd dient te worden als grove schuld.

4. Blijkens de tussen partijen opgemaakte huurovereenkomst was in de huurprijs een inzittenden en All-risk verzekering verdisconteerd. Op grond daarvan mocht Horehnjad ervan uitgaan dat de verzekeraar in beginsel aan [appellante] de door Horehnjad veroorzaakte schade aan het voertuig zal vergoeden, behoudens een contractueel afgesproken eigen risico en behoudens gebruikelijke uitsluitingen in een dergelijke verzekeringsovereenkomst. Het hof is van oordeel dat de in de BOVAG-voorwaarden geformuleerde bepaling wanneer de huurder de schade, uitstijgende boven het eigen risico, zelf moet dragen, restrictief dient te worden uitgelegd. Het begrip grove schuld is in de overeenkomst niet nader omlijnd. Naar 's hofs oordeel moet daar onder worden verstaan een handelen of nalaten en met de wetenschap dat er waarschijnlijk uit zou voortvloeien is geschied (vgl HR 4 februari 2000, NJ 2000, 429, 5 januari 2001, NJ 2002,392).

5. Het hof overweegt dat de gedraging van [geïntimeerde], zoals hierboven in r.o. 2 weergegeven, wellicht als zeer onvoorzichtig kan worden gekwalificeerd, doch dat brengt nog niet mee dat er sprake is van grove schuld. Voor grove schuld is immers vereist dat [geïntimeerde] zich bij de schadeveroorzakende manoeuvre ervan bewust was, althans zich ervan bewust had behoren te zijn, dat zijn handelwijze schade kon veroorzaken, doch dit op de koop toe heeft genomen. Nu dat niet door [appellante] is gesteld, terwijl het hof uit de stukken ook niet anderszins heeft kunnen afleiden dat [geïntimeerde] zich bij deze manoeuvre bewust was van het risico op schade, althans dat hij had behoren in te zien dat zijn gedrag de kans op schade met zich bracht, gaat het hof ervan uit dat er van grove schuld geen sprake is geweest.

6. Het bovenstaande brengt het hof tot het oordeel dat - ook in het geval dat de BOVAG-voorwaarden op de huurovereenkomst van toepassing zouden zijn - [geïntimeerde] niet aansprakelijk is voor de volledige door [appellante] gevorderde schade.

7. Uit het bovenstaande volgt dat de grieven in het principaal appel geen doel treffen. Omdat [geïntimeerde] aldus geen belang meer heeft bij het incidenteel appel, zal het hof dit appel - dat overigens feitelijk neerkomt op handhaving in hoger beroep van een in eerste aanleg gevoerd verweer, en derhalve onnodig is

ingesteld - buiten behandeling laten.

De slotsom.

8. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellante], als de in het ongelijk te stellen partij, in de kosten van het principaal appel (tarief I, 1 punt). Het hof ziet aanleiding om de kosten van het incidenteel appel, aan de inhoudelijke behandeling waarvan het hof niet is toegekomen, te compenseren in de zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

9. Al hetgeen partijen verder nog te berde hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds vervat, danwel als niet terzake dienende buiten behandeling blijven.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het principaal appel en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op Euro 328,-- aan verschotten en Euro 632,-- voor salaris voor de procureur;

compenseert de kosten van het incidenteel appel, in de zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest, voor wat betreft de kostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs Makkinga, voorzitter, Verschuur en Kuiper, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 16 februari 2005.