Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AS6250

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-02-2005
Datum publicatie
16-02-2005
Zaaknummer
BK 492/04 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de rente die is betaald ten behoeve van het deel van de hypotheek dat is gebruikt voor de financiering van de ”A B.V.” in 2001 op het inkomen in mindering kan worden gebracht.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 5.3
Wet inkomstenbelasting 2001 2.3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-0434
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK-04/00492 11 februari 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwar-den, eerste enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van

X te Z (: belanghebbende)

tegen de uitspraak van

de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Noord/kantoor Leeuwarden (: de inspec-teur),

gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aan-slag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001.

1. Het procesverloop

1.1. Aan de belanghebbende is met dagtekening 7 oktober 2003 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2001 opgelegd.

1.2. Op het tijdig ingediende bezwaar is de inspecteur, bij uitspraak van 28 april 2004, ten dele aan het bezwaar van belanghebbende tegemoetgekomen.

1.3. De belanghebbende is tegen deze uitspraak bij een bij het hof op 8 juni 2004 binnengekomen beroepschrift (met bijlagen) in beroep gekomen.

1.4. Van de inspecteur is op 20 augustus 2004 een verweerschrift met bijlagen ontvangen.

1.5. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 december 2004, gehouden te Leeuwarden, alwaar zijn verschenen de belanghebbende alsmede de inspecteur.

1.6. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

2.1. De belanghebbende en zijn echtgenote zijn in 1998 het bedrijf ”A B.V.” gestart.

2.2. Voor de financiering van deze B.V. heeft de belanghebbende in 1997 zijn hypotheek op de eigen woning verhoogd met ƒ 100.000,-- en in 1998 met ƒ 40.000,--.

2.3. De B.V. heeft bestaan van 24 juni 1998 tot 31 december 1998.

2.4. Als gevolg van de liquidatie van de B.V. is over 1998 het verlies uit aanmerkelijk belang vastgesteld op ƒ 120.000,--.

3. Het geschil.

In geschil is het antwoord op de vraag of de rente die is betaald ten behoeve van het deel van de hypotheek dat is gebruikt voor de financiering van de ”A B.V.” in 2001 op het inkomen in mindering kan worden gebracht.

3.2 De belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de inspecteur ontkennend.

3.3. Voor een meer uitvoerige uiteenzetting van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken. Daaraan zijn ter zitting geen nieuwe gronden toegevoegd.

4. De overwegingen

4.1. Wil er sprake zijn van aftrekbare-kostenrente danwel rentekosten ter zake van een gedreven onderneming dan dient er sprake te zijn van een causaal verband tussen de schuld waarop de rente wordt betaald en een bron van inkomen.

4.2. Vaststaat dat voor belanghebbende de bron waarop de lening betrekking had, te weten inkomen uit aanmerkelijk belang in 1998 teniet is gegaan. Zulks heeft tot gevolg dat de rente van de aangegane lening van in totaal ƒ 140.000,-- voor de financiering van deze bron niet meer als aftrekbare kosten in mindering kan worden gebracht.

De lening wordt nu als een consumptieve lening aangemerkt.

Met ingang van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (: Wet 2001) is de aftrek voor rente op een consumptieve lening komen te vervallen. Dit betekent dat de werkelijk betaalde rente er niet meer toe doet. De lening vormt overigens eventueel onder de Wet 2001 een negatief bestanddeel van de grondslag voor de rendementsheffing in box 3 doch belanghebbende heeft in het onderhavige jaar geen voordeel uit sparen en beleggen genoten zodat dit hem niet kan baten.

4.3. Op grond van het voorgaande is het beroep ongegrond.

5. De proceskosten.

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, nu niet is gebleken dat belanghebbende deze kosten heeft gemaakt.

6. De beslissing.

Het hof:

verklaart het beroep ongegrond;

Gedaan door prof. Mr. E. Aardema, raadsheer als voorzitter, in tegenwoordigheid van de heer M. Haarsma als griffier en in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden op 11 februari 2005, door de voorzitter, in tegenwoordigheid van de griffier en ondertekend door voornoemde voorzitter, zijnde de griffier buiten staat te ondertekenen.

Afschrift aangetekend aan beide partijen

verzonden op 16 februari 2005