Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AS6248

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-02-2005
Datum publicatie
16-02-2005
Zaaknummer
BK 592/04 Toeristenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of er grond is voor de aan belanghebbende opgelegde aanslag Toeristenbelasting 2002.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 224
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-0382
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

BK-04/00592 11 februari 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van

De Stichting X te Z (: de belanghebbende)

tegen de uitspraak van

de heffingsambtenaar van de gemeente Westerveld (: de ambtenaar)

gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde aanslag Toeristenbelasting terzake van het jaar 2002.

1. De procesgang

1.1. Belanghebbende is bij aanslagbiljet d.d. 22 december 2003

aangeslagen in de Toeristenbelasting 2002.

1.2. Deze aanslag heeft de ambtenaar na daartegen door de

belanghebbende gemaakt bezwaar bij uitspraak van 3 juni 2004

gehandhaafd.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende bij een op 12 juli 2004 bij het hof binnengekomen beroepschrift, met bijlagen, beroep ingesteld.

1.4. Van de ambtenaar is op 9 september 2004 een verweerschrift met bijlagen ontvangen.

1.5. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 december 2004.

1.6. Namens de belanghebbende is verschenen mr A, advocaat te Z. Tevens is verschenen de gemachtigde van de heffingsambtenaar.

1.7. Mr A heeft zijn pleitnota voorgedragen en overgelegd.

1.12. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Het geschil en de standpunten van partijen.

2.1. In geschil is het antwoord op de vraag of er grond is voor de aan belanghebbende opgelegde aanslag Toeristenbelasting 2002.

2.2. De belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend.

2.3. De ambtenaar concludeert tot bevestiging van de beroepen uitspraak.

2.4. Voor een meer uitvoerige uiteenzetting van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

Partijen hebben daaraan ter zittingen geen nadere gronden aangevoerd.

3. De overwegingen omtrent het geschil.

3.1. Op de zitting is de grief van belanghebbende ter zake van de heffingsbevoegdheid van de heffingsambtenaar ingetrokken.

3.2. De aanslag is opgelegd overeenkomstig de Verordening toeristenbelasting 2002 van de gemeente Westerveld, vastgesteld in openbare raadsvergadering van 20 december 2001 en bekend gemaakt d.d. 27 december 2001 in De Westervelder.

3.3. Ingevolge artikel 2, eerte lid, van de Verordening wordt onder de naam toeristenbelasting een directe belasting geheven ter zake van het houden van verblijf met overnachten binnen de gemeente in hotels, pensions, vakantie-onderkomens, mobiele kampeeronderkomens, niet-beroepsmatig verhuurde ruimten en op vaste standplaatsen tegen vergoeding in welke vorm dan ook door personen die niet als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente zijn opgenomen.

3.4. Ingevolge artikel 3 wordt degene die gelegenheid biedt tot verblijf als bedoeld in artikel 2 in hem ter beschikking staande ruimten dan wel op hem ter beschikking staande terreinen, als belastingplichtige aangemerkt.

Vaststaat dat belanghebbende door middel van scoutingkampen aan niet-ingezetenen tegen vergoeding verblijf in de gemeente aanbiedt.

3.5. Gelet op voormelde inhoud van artikel 2 en 3 van de Verordening dient de belanghebbende te worden aangemerkt als belastingplichtige.

Daar doet niet aan af dat volgens belanghebbende scoutingactiviteiten niet toeristisch zijn.

3.6. Voor zover de belanghebbende een beroep heeft gedaan op het vertrouwensbeginsel, overweegt het hof dat niet aannemelijk is geworden dat aan belanghebbende enige toezegging is gedaan. Aldus faalt een beroep op het vertrouwensbeginsel.

3.7. Voor zover belanghebbende een beroep heeft gedaan op het zorgvuldigheidsbeginsel, overweegt het hof dat de Verordening is bekend gemaakt op 27 december 2001 en op grond van artikel 17 onderdeel 2 in werking is getreden op 28 december 2001. Derhalve had belanghebbende toen redelijkerwijs kunnen weten dat zij voor het jaar 2002 als belastingplichtige kon worden aangemerkt. Aldus faalt het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel.

3.8. Voor zover de belanghebbende heeft betoogt dat de aanslag van een onjuiste tenaamstelling was voorzien, overweegt het hof dat de aanslag is geadresseerd aan Stichting B. Op grond van die tenaamstelling had de belanghebbende, die zich in haar correspondentie jegens de gemeente ook van die naamgeving bediende, zich overigens noemende Stichting X, moeten en kunnen begrijpen dat de aanslag voor haar bestemd was.

3.6. Op grond van het voorgaande overweegt het hof dat bedoelde aanslag toeristenbelasting 2002 terecht aan de belanghebbende is opgelegd. Zulks brengt mee dat het beroep ongegrond is.

4. De proceskosten.

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. De beslissing.

Het hof:

verklaart het beroep ongegrond.

Vastgesteld op 11 februari 2005 door prof. Mr. E. Aardema, vice-president, voorzitter, lid van de eerste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van de heer M. Haarsma als griffier en op die dag in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden, door de voorzitter, in tegenwoordigheid van de griffier en ondertekend door voornoemde voorzitter, zijnde de griffier buiten staat te ondertekenen.

Op 16 februari 2005 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.