Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AS6243

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-02-2005
Datum publicatie
16-02-2005
Zaaknummer
BK 1702/02 Baatbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende terecht een aanslag baatbelasting is opgelegd.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 222
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-0378
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. BK 1702/02 11 februari 2005

Uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van

X te Z (: de belanghebbende)

tegen de uitspraak namens de directeur Algemene Zaken van de gemeente Leeuwarden, gedaan door de Sectormanager Publiekszaken (: de heffingsambtenaar) op het namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift tegen de haar opgelegde aanslag in de baatbelasting fase 1B op grond van de Verordening baatbelasting 2001 fase 1B van de gemeente Leeuwarden (verder: de Verordening).

1. Ontstaan en loop van het geding.

1.1. Belanghebbende is ter zake van de haar in eigendom toebehorende onroerende zaak, plaatselijk bekend a-straat 1 te L, op grond van de Verordening aangeslagen tot een bedrag van f 59.591,39 (is € 27.041,39).

1.2. Op het ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij de bestreden uitspraak van 18 juli 2002, verzonden 22 juli 2002, de aanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 16 augustus 2002 is ingekomen en dat is aangevuld bij schrijven (met bijlagen) van 22 oktober 2003.

1.4. Nadat de heffingsambtenaar zijn verweerschrift (met bijlagen) had ingezonden, heeft de eerste mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van het hof op 8 april 2004, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren mr. A, als gemachtigde van belanghebbende, en de heer B namens de heffingsambtenaar. Ter voormelde zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

1.5. Bij brief van 3 mei 2004 is het onderzoek op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heropend en is de gemeente verzocht een tweetal vragen te beantwoorden en een reactie te geven, hetgeen is geschied bij schrijven (met bijlagen) van 10 juni 2004, van welke stukken afschrift is verzonden naar de gemachtigde van belanghebbende. De gemachtigde van belanghebbende heeft bij schrijven van 30 juli 2004 schriftelijk een reactie gegeven.

1.6. Partijen hebben vervolgens – daartoe in de gelegenheid gesteld - hun standpunt nader mondeling toegelicht ter zitting van het hof van 6 december 2004, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren mr. C, als gemachtigde van belanghebbende, en de heer B voornoemd. Ter zitting van 6 december 2004 heeft de heffingsambtenaar een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

1.7. Van alle genoemde en hierna nog te noemen stukken moet de inhoud als hier ingelast en herhaald worden beschouwd.

2. De feiten.

Op grond van de gedingstukken en het ter zitting verhandelde staat tussen de partijen als niet, dan wel onvoldoende weersproken het volgende vast:

2.1. Belanghebbende is onder meer op 1 december 2000 eigenaar van de onroerende zaak, plaatselijk bekend a-straat 1 te L, welk pand is gelegen in het in de Verordening aangeduide gebied.

2.2. Op 15 maart 1999 is het aangevuld bekostigingsbesluit herinrichting binnenstad eerste fase: b-straat en omgeving, door de raad van de gemeente Leeuwarden (: de raad) vastgesteld, waarna op 20 november 2000 de begroting van de kosten en opbrengsten van fase 1B door de raad is vastgesteld.

2.3. De raad heeft in de openbare vergadering van 20 november 2000 de Verordening vastgesteld en deze is op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt.

2.4. Fase 1B betreft de herinrichting van het b-straat en omgeving.

De voorzieningen van fase 1B omvatten kort gezegd:

- het verfraaien van de bestrating;

- het aanbrengen en verfraaien van straatmeubilair;

- het aanleggen van openbare verlichting.

2.5. Als gebate onroerende zaken voor de Verordening zijn aangemerkt de onroerende zaken die:

A: direct grenzen aan de b-straat en de a-straat Noord- en Zuidzijde ten oosten van de c-straat;

B: gelegen zijn aan straten die rechtstreeks uitkomen op de b-straat en de a-straat Noord- en Zuidzijde;

C: indirect grenzen aan de b-straat en de a-straat Noord- en Zuidzijde door middel van een voor het winkelende publiek toegankelijke, overdekte passage die de onroerende zaak verbindt met een aan de heringerichte b-straat en/of de a-straat Noord- en Zuidzijde grenzende, andere onroerende zaak.

2.6. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden heeft bij besluit van 25 juni 2000 de bevoegdheid

tot het opleggen van aanslagen baatbelasting geattribueerd aan de directeur Algemene Zaken en hem aangewezen als “heffingsambtenaar” als bedoeld in artikel 231, lid 2, van de Gemeentewet, waarna de directeur Algemene Zaken ingevolge het mandaatbesluit van 27 juni 2000 de hem toekomende bevoegdheden heeft gemandateerd aan het sectorhoofd Publiekszaken. Laatstgenoemde heeft op 18 juli 2002 uitspraak op het bezwaar gedaan, welke op 22 juli 2002 is verzonden.

2.7. Met dagtekening 5 april 2001 is aan belanghebbende met betrekking tot de voormelde onroerende zaak, welke zaak ligt in het in de Verordening bepaalde gebied, de onderhavige aanslag baatbelasting opgelegd tot een bedrag van f 59.591,39.

Op het bezwaar van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij de bestreden uitspraak de aanslag gehandhaafd.

3. Het geschil.

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende terecht een aanslag baatbelasting is opgelegd.

4. Het standpunt van belanghebbende.

Namens belanghebbende is – voor zover te dezen van belang, kort samengevat - gesteld in het beroepschrift, de aanvullende stukken en mondeling ter zitting:

Primair: Het bekostigingsbesluit fase 1B en de Verordening baatbelasting 2001 fase 1B zijn in strijd met de wettelijke voorschriften vastgesteld en mitsdien onverbindend, nu het bij het bekostigingsbesluit aangeduide gebied aanzienlijk groter is dan het bij de Verordening aangeduide gebied waarin de gebate onroerende zaken zijn gelegen. Hoewel volgens vaste jurisprudentie aan gemeenten vrijheid toekomt, wordt in het onderhavige geval deze vrijheid overschreden nu de gemeente een zo ruim gebied heeft aangeduid dat zij daarbij niet uitsluitend het oog kan hebben gehad op de vermijding van financiële risico’s. Het is namelijk onbetwist dat de ruime gebiedsaanduiding mede op verzoek van de D is geschied en dat er voor de gemeente overwegingen van doelmatigheid golden: het was overzichtelijk en eenduidig.

Subsidiair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de Verordening tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing leidt nu niet alle gebate onroerende zaken in de heffing worden berokken. De onroerende zaken met de bestemming wonen zijn ten onrechte buiten de heffing van de baatbelasting gebleven. Daarnaast is onduidelijk waarom bepaalde straten wel en andere straten niet in de onderhavige baatbelasting zijn betrokken.

Meer subsidiair meent belanghebbende dat de aanslag baatbelasting is vastgesteld door een daartoe niet bevoegde ambtenaar.

5. Het standpunt van de heffingsambtenaar.

De heffingsambtenaar heeft ter zitting en in de aanvullende stukken (in afwijking in zoverre van het bij de bestreden uitspraak en het verweerschrift ingenomen standpunt) met betrekking tot het primaire standpunt van belanghebbende aangevoerd, dat het ruime omslaggebied in het bekostigingsbesluit tot op zekere hoogte globaal is vastgesteld vanwege bepaalde onzekerheden en dat destijds niet uitsluitend ter vermijding van financiële risico’s is gekozen voor een dergelijk ruim gebied. Dit standpunt heeft de heffingsambtenaar ter zitting van 6 december 2004 aan de hand van de pleitnota gehandhaafd en nader toegelicht. Desgevraagd ter zitting heeft de heffingsambtenaar als belangrijk argument, dat geen verband houdt met de vermijding van financiële risico’s en dat mede heeft geleid tot de ruime gebiedsaanduiding in het kostenbesluit, genoemd het streven naar overeenstemming met de D inzake de afbakening van het exploitatiegebied.

Met betrekking tot het subsidiaire standpunt stelt de heffingsambtenaar dat er geen sprake is van willekeurige en onredelijke belastingheffing.

Ten aanzien van het meer subsidiaire standpunt is hij van mening dat de aanslag is opgelegd door de bevoegde ambtenaar.

6. De overwegingen omtrent het geschil.

6.1. Het gebied, waarop de fase 1B van de herinrichting betrekking heeft is in het bekostigingsbesluit meerdere malen groter dan het gebied dat op de bij de Verordening behorende kaart als gebaat gebied is aangegeven. Een bekostigingsbesluit hoeft naar de bedoeling van de wetgever niet exact dezelfde aanduiding van het gebate gebied te bevatten als later in de belastingverordening wordt opgenomen (HR 24 juli 2001, nr. 35 981, BNB 2001/328). Dit brengt mee dat een aanduiding in het bekostigingsbesluit van een gebaat gebied dat groter is dan het gebate gebied dat later in de belastingverordening wordt opgenomen, in het algemeen niet ertoe leidt dat geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 222, lid 2, van de Wet. Dat geldt ook indien, zoals in dit geval, het uiteindelijk in de verordening opgenomen gebate gebied aanzienlijk kleiner is dan het gebied dat is aangeduid in het bekostigingsbesluit. Op het moment van het vaststellen van het bekostigingsbesluit kan nog onzekerheid bestaan omtrent de vraag welke onroerende zaken uiteindelijk door de te treffen voorzieningen gebaat zullen zijn. Daarom staat het de gemeenten vrij ter vermijding van financiële risico's in het bekostigingsbesluit een ruime aanduiding van het gebate gebied op te nemen (vgl. Kamerstukken II 1989/90, 21 437, nr. 6, blz. 8). De grenzen van die vrijheid zijn pas overschreden indien de gemeente een zo ruim gebied heeft aangeduid, dat zij daarbij niet uitsluitend de vermijding van financiële risico's op het oog kan hebben gehad (HR 8 augustus 2003, nr. 36 769, BNB 2003/339c).

6.2. Zoals hierboven onder 5. is weergegeven, heeft de heffingsambtenaar één en andermaal uitdrukkelijk en beargumenteerd betoogd dat en waarom bij het vaststellen van de ruime gebiedsaanduiding in het bekostigingsbesluit, de gemeente Leeuwarden niet uitsluitend het oog heeft gehad op de vermijding van financiële risico’s. Ook het streven naar overeenstemming met de D (D) inzake de afbakening van het exploitatiegebied, heeft er volgens de heffingsambtenaar toe geleid dat het gebied in het bekostigingsbesluit zo ruim is vastgesteld. Voor het hof is er geen aanleiding aan de juistheid van deze stellige en bij herhaling van de kant van de heffingsambtenaar aangevoerde beweegreden te twijfelen. Evenmin is er voor het hof reden te twijfelen aan diens stelling dat het daarbij niet ging om vermijding van financiële risico’s en dat deze niet financiële beweegreden mede bepalend is geweest bij de vaststelling van het ruime gebied in het bekostigingsbesluit. Derhalve moet er van worden uitgegaan dat aan de besluitvorming om de gebiedsaanduiding in het bekostigingsbesluit zo ruim vast te stellen ook belangrijke argumenten ten grondslag hebben gelegen die niet zijn ingegeven ter vermijding van financiële risico’s. Derhalve heeft de ruime aanduiding in het bekostigingsbesluit, gelet op voormelde jurisprudentie, tot gevolg dat het bekostigingsbesluit niet als een besluit als bedoeld in artikel 222, lid 2, van de Wet kan worden aangemerkt.

De Verordening is mitsdien om deze reden onverbindend, zodat de onderhavige aanslag reeds daarom dient te worden vernietigd.

De overige namens belanghebbende aangevoerde argumenten behoeven geen behandeling.

7. De conclusie

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond dient te worden verklaard.

8. De proceskosten

Het hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, welke kosten het hof overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt op € 1.207,50 (€ 322 x 2,5 punten x 1,5 in verband met gewicht van de zaak).

9. De beslissing

Het gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak alsmede de onderhavige aanslag;

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de namens belanghebbende gemaakte proceskosten ten bedrage van € 1.207,50;

- verstaat dat de heffingsambtenaar het namens belanghebbende betaalde griffierecht ten bedrage van € 218,- aan haar vergoedt;

- wijst de gemeente Leeuwarden aan als de rechtspersoon die dit recht en deze kosten dient te dragen.

Vastgesteld op 11 februari 2005 door mr. H.H.A. Fransen, als voorzitter, en mrs. E. Läkamp en M.P. den Hollander, allen raadsheer - plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier dhr J.M. Gerrits en ondertekend door voornoemde voorzitter en laatstgenoemde griffier.

Op 16 februari 2005 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.