Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AS4666

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
28-01-2005
Datum publicatie
02-02-2005
Zaaknummer
BK 47203 Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur terecht de correctie heeft toegepast.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e, geldigheid: 2005-01-28
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 75, geldigheid: 2005-01-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-0276
V-N 2005/22.1.5

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: 472/03 28 januari 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Emmen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen voor het jaar 1999.

1. Ontstaan en loop van het geding

Belanghebbende werd voor het jaar 1999 in de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen aangeslagen naar een premie-inkomen Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (: Waz) van f 84.000,-. Daarbij werd een verzuimboete van f 750,- opgelegd wegens het niet doen van aangifte.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 29 april 2003 de aanslag gehandhaafd en de verzuimboete verminderd tot op f 250,- .

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), dat op 2 juni 2003 is ingekomen.

De inspecteur heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend. Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 13 december 2004, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de inspecteur. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de inspecteur.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

2.1 Het hof stelt op grond van de stukken en op grond van het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.2 Belanghebbende is gehuwd en dreef het gehele jaar een groothandel in bloemen. Het grootste gedeelte van de omzet werd in het buitenland behaald.

Daarnaast genoot hij uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid.

2.3 Voor de inlevering van het aangiftebiljet over 1999 werd op verzoek uitstel verleend tot 1 november 2001. Er werd binnen de verlengde termijn geen aangiftebiljet ingeleverd. Op

14 december 2001 werd een aanmaning verstuurd waarbij de belanghebbende nog tot en met 3 januari 2002 de gelegenheid werd gegeven het aangiftebiljet alsnog in te leveren. De belanghebbende heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2.4 Ook over het jaar 1998 werd een aanmaning verstuurd. Het aangiftebiljet 1998 werd binnen de in de aanmaning genoemde termijn ingeleverd.

2.5 Met dagtekening 2 augustus 2002 werd een ambtshalve aanslag over 1999 opgelegd.

2.6 Gelijktijdig met het bezwaarschrift tegen deze aanslag werd alsnog het aangiftebiljet over 1999 ingediend. Uit het bij deze aangifte gevoegde rapport bleek van een forse toename van de voorziening wegens oninbaarheid debiteuren.

2.7 Daarop werd een verzoek om informatie toegezonden aan de toenmalige gemachtigde (bijlage 4 bij het verweerschrift). De toenmalige gemachtigde reageerde op 3 februari 2003 (bijlage 5 bij het verweerschrift). Naar aanleiding van deze reactie nam de behandelend ambtenaar telefonisch contact op. De gemachtigde deelde met betrekking tot de vorming van de voorziening mee dat het hier ging om één slecht betalende klant, waarbij per 31 december 1998 voor het per die datum gehele uitstaande bedrag een voorziening was gevormd van f 35.323,-. Op 31 december 1999 was de vordering op deze debiteur verder opgelopen en werd nog eens

f 53.520,- aan de voorziening toegevoegd. Na deze dotatie was wederom voor het totale bedrag van de schuld een voorziening gevormd. Voor meer informatie over eventuele ondernomen acties en dergelijke verwees de toenmalige gemachtigde naar belanghebbende. Hij was daarmee niet op de hoogte en was bovendien niet langer de gemachtigde. De belanghebbende zou inmiddels een andere adviseur hebben.

2.8 Daarom werd met dagtekening 10 februari 2003 aan de belanghebbende zelf een verzoek om informatie over de voorziening toegezonden met het verzoek te reageren voor 3 maart 2003 (bijlage 6 bij het verweerschrift).

2.9 Er werd geen reactie ontvangen, waarna op 11 maart 2003 nogmaals om de informatie werd gevraagd en de belanghebbende in de gelegenheid werd gesteld om alsnog voor 26 maart 2003 te reageren (bijlage 7 bij het verweerschrift).

2.10 Er werd wederom niet gereageerd.

2.11 Daarop werd het bezwaarschrift door de inspecteur afgedaan.

2.12 Belanghebbende was ambtshalve aangeslagen naar een premie-inkomen Waz van f 84.000,-.

Er werd een verzuimboete opgelegd uitgaande van een tweede verzuim.

2.13 Het bezwaarschrift gaf aanleiding de aanslag gedeeltelijk te herzien. In het met het bezwaarschrift alsnog ingeleverde aangiftebiljet werd een premie-inkomen Waz

aangegeven van f 37.234,-

de volgende correctie werd aangebracht:

geen extra toevoeging aan de voorziening

dubieuze debiteuren (: de correctie) f 53.520,-

vastgesteld premie-inkomen Waz na bezwaar f 90.754,-

2.14 Na deze correctie bleef het premie-inkomen Waz onveranderd het maximum bedrag van f 84.000,- en de heffingsgrondslag bleef onveranderd f 55.000,-.

2.15 Omdat bij de verzuimboete ten onrechte was uitgegaan van een tweede verzuim werd de verzuimboete teruggebracht tot een boete behorend bij een eerste verzuim.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur terecht de correctie heeft toegepast. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de inspecteur bevestigend.

3.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3 Belanghebbende concludeert tot verlaging van de aanslag.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Ingevolge artikel 75 Waz juncto artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, voor zover hier van belang, verklaart het gerechtshof, indien de vereiste aangifte niet is gedaan, het beroep ongegrond, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

4.2 In het onderhavige geval is bij het bezwaar de alsnog de aangifte gevoegd. Deze aangifte kan echter niet meer als de vereiste aangifte gelden.

4.3 Belanghebbende heeft met het door hem gestelde niet doen blijken dat de uitspraak op het bezwaar onjuist is. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheid dat de betreffende debiteur in het begin van 2003 failliet is gegaan geeft onvoldoende inzicht in de situatie in 1999.

4.4 Gelet op het voorgaande dient te worden beslist als hierna te vermelden.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht belastingzaken.

6. De beslissing

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 28 januari 2005 door mr. J. Huiskes, raadsheer en voorzitter, mr. G.M. van der Meer, raadsheer, en mr. H. Bakker, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mw. mr. K. de Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 2 februari 2005 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.