Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AS3942

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-01-2005
Datum publicatie
26-01-2005
Zaaknummer
BK 763/03 Loonheffing
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur terecht voormelde boete heeft opgelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67c, geldigheid: 2005-01-21
Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 24, geldigheid: 2005-01-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2005, 272
FutD 2005-0192

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 763/03 21 januari 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, vierde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van de besloten vennootschap X B.V. te Z tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst Noord, kantoor Groningen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de boete die aan haar is opgelegd naar aanleiding van de naheffingsaanslag in de loonheffing over de jaren 1998, 1999, 2000 en 2001.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Met dagtekening van 29 april 2003 heeft de inspecteur een naheffingsaanslag in de loonheffing opgelegd. Deze naheffingsaanslag heeft betrekking op de door belanghebbende toegepaste S&O-afdrachtverminderingen in de jaren 1998, 1999, 2000 en 2001. De enkelvoudige belasting begrepen in de naheffingsaanslag bedraagt € 28.098, -. Een verzuimboete van 10% ten bedrage van € 2.809, - is eveneens op 29 april 2003 opgelegd.

1.2 Namens belanghebbende is bezwaar gemaakt tegen de boete. Hierop heeft de inspecteur bij uitspraak van 21 augustus 2003 de boete gehandhaafd.

1.3 Tegen deze uitspraak is een beroepschrift (met bijlage) bij het hof ter griffie ingekomen op 29 september 2003. Dit beroepschrift is aangevuld bij brief van 24 oktober 2003 (met bijlagen).

1.4 Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) op 2 december 2003 heeft ingezonden, heeft belanghebbende een brief gedagtekend 5 oktober 2004 op 6 oktober 2004 ter griffie van het hof ingestuurd.

1.5 Vervolgens heeft de mondelinge behandeling ter zitting van 2 november 2004, gehouden te Groningen, plaatsgevonden, alwaar de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door een collega, alsmede de inspecteur aanwezig was.

1.6 Van alle vermelde (en hierna nog te vermelde) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting stelt het hof als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast:

2.1 Belanghebbende houdt zich bezig met de fabricage van en de handel in werktuigen voor de champignonteelt en de verwerking van groente-, fruit- en tuinafval. Zij is inhoudingsplichtige voor de loonbelasting.

2.2 De besloten vennootschap A B.V. is 100% aandeelhouder van belanghebbende. De aandelen van A B.V. worden, elk voor 50%, gehouden door de besloten vennootschappen B.V. en C B.V. Deze vennootschappen zijn de persoonlijke houdstervennootschappen van respectievelijk de heer D en de heer E. De heren D + E vormen de directie van belanghebbende. De heren D + E staan niet in dienstbetrekking tot belanghebbende, maar tot hun houdstervennootschappen.

2.3 Aan belanghebbende zijn op de voet van artikel 24 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen door de Minister van Economische zaken zogenaamde S&O-verklaringen verleend voor de kalenderjaren 1998, 1999, 2000 en 2001. Jaarlijks werden door belanghebbende de uren, welke de heren D + E aan de S&O-projecten hebben besteed voor de berekening van de S&O-afdrachtverminderingen in de onderscheidenlijke afrekeningsaangiften over de betreffende jaren aangemerkt als S&O-uren. De S&O-afdrachtverminderingen die op die uren betrekking hebben, heeft de inspecteur op 29 april 2003 nageheven. Eveneens heeft hij op die datum over de nageheven belasting een verzuimboete van 10% opgelegd, te weten € 2.809, -. 2.4 Tegen deze boete heeft de accountant en belastingadviseur van belanghebbende als haar gemachtigde bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de boete gehandhaafd.

3. Het geschil en standpunten van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur terecht voormelde boete heeft opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de inspecteur bevestigend.

3.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor de onderbouwing van de standpunten van partijen wordt daarnaar verwezen.

4. De overwegingen omtrent het geschil:

4.1 Op de voet van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan de inspecteur een boete van ten hoogste € 4.537, - opleggen indien de inhoudingsplichtige de belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen gedeeltelijk niet heeft betaald. Ingevolge het bepaalde onder het eerste lid van paragraaf 24 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998, dat ziet op de situatie waarin gedeeltelijk niet is betaald omdat er te weinig belasting is aangegeven – welke situatie hier aan de orde is -, bedraagt de verzuimboete 10% van de verschuldigde belasting met een maximum van € 4.537, -.

4.2 Voor het opleggen van een boete als de onderhavige is niet vereist dat aan belanghebbende opzet of grove schuld, waaronder grove onachtzaamheid, te verwijten is. Hetgeen belanghebbende hieromtrent aanvoert is derhalve niet van belang. Een verzuimboete dient wel achterwege te blijven indien sprake is van afwezigheid van alle schuld (hierna: avas). Naar het oordeel van het hof had belanghebbende moeten beseffen dat het voor haar niet mogelijk was om S&O-afdrachtverminderingen toe te passen ten aanzien van personen waarvoor zij geen inhoudingsplichtige is. Dat de Minister van Economische Zaken aan belanghebbende S&O-verklaringen Zaken heeft afgegeven, die niet zijn ingetrokken of ten nadele van belanghebbende zijn gewijzigd – wat naar belanghebbendes mening zou wijzen op rechtens door haar toegepaste S&O-afdrachtverminderingen ten aanzien van de heren D + E - doet daaraan niet af. Redengevend daarvoor acht het hof het volgende:

'De leden (…) vragen of de Minister van Economische Zaken bij zijn marginale toetsing inzake de omvang van het te genieten S&O-loon niet treedt in een beoordeling die is voorbehouden aan de Belastingdienst. Naar aanleiding van deze vraag merken wij op, dat het eindoordeel omtrent het loonbegrip altijd aan de Belastingdienst is voorbehouden. In de opzet van het wetsvoorstel is er geen sprake van gebondenheid aan een waardering van het loonbegrip door de Minister van Economische Zaken. De toetsing vooraf is, zoals eerder opgemerkt, marginaal. Bij twijfelgevallen zal de Minister van Economische Zaken zich verstaan met de Minister van Financiën omtrent de uitleg van het loonbegrip en zal in die gevallen het oordeel van de laatste tot uitgangspunt nemen bij de interpretatie van de Wet LB 1964.' (NV, Kamerstukken II 1993/94, 23 477, nr. 5, blz. 17-18.)

4.3. Het Hof acht bij het onderhavige verzuim een boete van € 2.809, - passend en geboden gelet op het bedrag aan belasting dat als gevolg van het verzuim aanvankelijk niet is geheven. Van een wanverhouding is geen sprake. Ook ziet het hof geen verzachtende omstandigheden of andere omstandigheden aanwezig die een matiging van de boete rechtvaardigen. Dat de persoonlijke houdstervennootschappen ten aanzien van de heren D + E over S&O-verklaringen beschikken die betrekking hebben op S&O-projecten van belanghebbende in de tweede helft van het jaar 2003, van dezelfde soort als aan de orde in de onderhavige naheffingsaanslag, - wat van de juistheid daarvan ook zij – dan wel dat zij - naar belanghebbendes mening - over de onderhavige jaren ook hadden kunnen beschikken over voormelde verklaringen staat evenmin aan de onderhavige verzuimboete in de weg.

4.4 Het vorenoverwogene leidt ertoe dat het hof zal beslissen als hierna te vermelden.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Huiskes, raadsheer en voorzitter, en uitgesproken ter openbare zitting van het gerechtshof Leeuwarden op 21 januari 2005 in tegenwoordigheid van mr. De Jong-Braaksma als griffier en ondertekend door voormelde voorzitter en griffier.

Op 26 januari 2005 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.