Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AS3938

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-01-2005
Datum publicatie
26-01-2005
Zaaknummer
BK 337/03 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de navorderingsaanslag terecht is opgelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16, geldigheid: 2005-01-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-0182
V-N 2005/22.1.1

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 337/03 21 januari 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwar-den, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Noord/kantoor Leeuwarden (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1990.

1. Ontstaan en loop van het geding.

Belanghebbende werd voor het jaar 1990 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold, (hierna te noemen: de Wet) van f. 95.000,-- onder indeling in tariefgroep 3.

Vervolgens is met dagtekening 31 december 2002 een navorderingsaanslag opgelegd naar een nader vastgesteld belastbaar inkomen van f. 112.360,--, waarbij rekening is gehouden met een belastingvrije som van f. 9.136,-- (indeling in tariefgroep 3) en een korting elders belast van 30%.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 5 maart 2003 de navorderingsaanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlage), hetwelk op 7 april 2003 is ingekomen.

Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 29 oktober 2004, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de belanghebbende, diens echtgenote, en tot bijstand van belanghebbende de heer A; zomede de inspecteur, bijgestaan door de heer B.

Ter voormelde zitting heeft de echtgenote van belanghebbende

alsmede de inspecteur een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

Het gerechtshof heeft in deze zaak op 12 november 2004 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 26 november 2004, aan partijen is verzonden.

Bij schrijven ingekomen op 15 december 2004 heeft de belanghebbende verzocht vorenbedoelde uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak.

Het verschuldigde griffierecht is op 24 december 2004 voldaan.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen het volgende vast.

2.1. De belanghebbende, geboren op .. mei 19.., heeft begin 2002 de belastingdienst op de hoogte gesteld van het feit dat hij een spaartegoed had op een buitenlandse rekening (Duitsland). Het spaartegoed is ontstaan in de periode 1977 tot 1990 toen de belanghebbende werkzaam was in de offshore en een deel van zijn inkomen (de onkostenvergoedingen) via een Amerikaans kantoor liet storten op voornoemde buitenlandse rekening. De op het spaartegoed ontvangen rente heeft hij nimmer aangegeven voor de inkomstenbelasting.

2.2. Nadat de belanghebbende in oktober 2002 de exacte rentegegevens aan de inspecteur had verstrekt, heeft deze laatste met dagtekening 31 december 2002 een navorderingsaanslag voor het jaar 1990 opgelegd ten bedrage van f. 7.291,-- aan enkelvoudige belasting.

Tevens is een bedrag van f. 3.462,-- aan heffingsrente opgelegd.

Omdat sprake was van een vrijwillige verbetering heeft de inspecteur geen verhoging opgelegd.

3. Het geschil.

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de navorderingsaanslag terecht is opgelegd.

3.2. De belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend. Hij is van mening dat de inspecteur niet over een nieuw feit beschikt. De inspecteur had zijns inziens redelijkerwijs op de hoogte kunnen zijn van de in de offshore uitbetaalde onkostenvergoedingen. Gelet op de hoogte daarvan had de inspecteur vervolgens moeten begrijpen dat er ergens spaartegoed werd opgebouwd. Van kwade trouw is naar zijn mening geen sprake omdat hij, gelet op de in de offshore geldende gedragscode, gedwongen was te handelen zoals hij heeft gedaan. Gelet op de ontstaansgeschiedenis van artikel 16, lid 4, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr), acht hij tot slot dit artikellid niet op zijn situatie van toepassing omdat hij alle medewerking heeft verleend en vrijwillig aangifte heeft gedaan.

3.3. De inspecteur beantwoordt de vraag bevestigend. Hij stelt zich op het standpunt dat ingeval van een vrijwillige verbetering voor navordering geen nieuw feit is vereist. Overigens acht hij een nieuw feit wel aanwezig en stelt hij zich subsidiair op het standpunt dat sprake is van kwade trouw. Voor inkomsten die opkomen in het buitenland geldt zijns inziens een navorderingstermijn van twaalf jaren.

3.4. Voor een uitgebreidere weergave van de standpunten verwijst het gerechtshof naar de van partijen afkomstige gedingstukken.

4. Rechtsoverwegingen.

4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 16, lid 1, van de Awr kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is

vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren.

4.2. Anders dan de inspecteur meent, is het hof van oordeel dat het vereiste van een nieuw feit ook geldt ingeval sprake is van een vrijwillige verbetering. De onder 2.1 vermelde mededeling van de belanghebbende levert naar het oordeel van het hof – nu tussen partijen niet in geschil is dat belanghebbendes aangifte voor het jaar 1990 een nette en verzorgde indruk maakte, zodat aan de juistheid daarvan niet getwijfeld hoefde te worden – zo’n nieuw feit op. De belanghebbende heeft met hetgeen hij daar tegenover heeft gesteld niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur ten tijde van het opleggen van de aanslag bekend was of redelijkerwijs had kunnen zijn met vorenbedoeld spaartegoed en de daaruit voortkomende rentebaten. De enkele (door belanghebbende gestelde) omstandigheid dat het in de offshore gebruikelijk was om onkostenvergoedingen op buitenlandse rekeningen te storten, noopt niet tot de door belanghebbende voorgestane conclusie. Het op deze wijze uitbetalen van een deel van het inkomen impliceert immers niet zonder meer dat (in het buitenland) spaartegoeden worden opgebouwd. Ook kan niet gezegd worden dat de inspecteur, ingeval hij op de hoogte was geweest van de vorenbedoelde wijze van uitbetaling van onkostenvergoedingen – hetgeen de inspecteur overigens bestrijdt -, een onderzoeksplicht had naar de besteding van de op buitenlandse rekeningen gestorte onkostenvergoedingen.

4.3. Ingevolge het vierde lid van voornoemd artikel 16 (tekst vanaf 8 juni 1991) vervalt de bevoegdheid tot navorderen door verloop van twaalf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan indien te weinig belasting is geheven over een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen. Artikel IV van de Wet van 22 mei 1991, Stb. 1991,

264, bepaalt dat vorenbedoeld vierde lid buiten toepassing blijft voor gevallen waarin, op het tijdstip onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet (zijnde 8 juni 1991), de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag is vervallen. Omdat op 8 juni 1991 de toen geldende navorderingstermijn van vijf jaren voor het jaar 1990 nog niet was verstreken, is voornoemd vierde lid van toepassing.

4.4. Uit de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot invoering van artikel 16, lid 4, van de Awr blijkt dat de achterliggende gedachte van de verruiming van de navorderingstermijn was dat het de Nederlandse fiscus ontbreekt aan toereikende controlemogelijkheden om naar het buitenland overgebrachte spaargelden te achterhalen. Nu belanghebbendes rentebaten zijn opgekomen in het buitenland, waardoor zij zich aan het zicht van de Nederlandse fiscus plegen te ontrekken, is naar het oordeel van het gerechtshof de navorderingstermijn van twaalf jaren van toepassing, zodat de navorderingsaanslag tijdig is opgelegd. De omstandigheid dat de inspecteur, na de melding, gelet op het onder 2.2 vermelde weinig moeite heeft moeten doen om over de van belang zijnde gegevens te beschikken, rechtvaardigt niet de conclusie dat de navorderingstermijn van twaalf jaren niet van toepassing is.

4.5. Het gelijk is derhalve aan de zijde van de inspecteur. Het beroep is ongegrond.

5. Proceskosten.

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing.

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 21 januari 2005 door mr. G.M. van der Meer, raadsheer en voorzitter, mr. J.Huiskes, raadsheer en mr. H. Bakker, raadsheer-plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van dhr. J.M. Gerrits als griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken door de voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier, en ondertekend door voornoemde voorzitter en voornoemde griffier.

Op 26 januari 2005 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.